Hoofdcommentaar

Het proces

Het grote afschuiven is begonnen. Wie is er schuldig aan de kredietcrisis, die met de staatssteun voor ING aan haar zoveelste nieuwe hoofdstuk is begonnen? De Franse president Sarkozy houdt het bij het ‘financiële kapitalisme’. Wouter Bos wijst naar het ‘Angelsaksische kapitalisme’, dat zijn langste tijd gehad zou hebben. Zijn concurrent op links Jan Marijnissen legde eerder de zwarte piet bij het ‘sprinkhaankapitalisme’ dat ‘geen thuis heeft’ en daarom ‘nauwelijks geneigd is om te investeren in de toekomst, in zijn omgeving’. Zelfs de Amerikaanse minister van Financiën Paulson plaatste een economisch overlijdensbericht. ‘Het rauwe kapitalisme is dood’, bezwoer de ex-bankier onlangs.
Zo kiest ieder zijn favoriete boeman. Europa wijst naar de Verenigde Staten, aanhangers van het Rijnlandse model van een sociale markteconomie houden de Angelsaksische wereld verantwoordelijk, voorstanders van een grotere overheid leggen de schuld bij de markt, terwijl vrijemarktfundamentalisten het omgekeerde beweren. De grootste gemene deler is dat een vreemd, immoreel superkapitalisme wordt onderscheiden van ons vertrouwde, goede kapitalisme. De Ander heeft het weer eens gedaan. Noem het een vorm van ‘economisch exorcisme’: door de schuld buiten de eigen economie te leggen, worden de boze geesten van de kredietcrisis uitgedreven en het gemoed gezuiverd.
Dat is om ten minste twee redenen te kort door de bocht. Ten eerste heeft het kapitalisme geen moraal. Het doet net zo min bewust goed als dat het opzettelijk kwaad aanricht. Het populaire onderscheid tussen ‘goed’ en ‘slecht’ kapitalisme mist dan ook iedere grond. Het kapitalisme is een systeem met een eigen logica, namelijk zo veel mogelijk winst maken. Dat kan gruwelijke gevolgen hebben, maar dat is niet het doel. ‘It’s all about bucks, kid. The rest is conversation’, luidt de tot in den treuren geciteerde maar daarom niet minder ware analyse van durfkapitalist Gordon Gekko in de film Wall Street. De mensen die binnen dit systeem functioneren, hebben zich aan die logica te houden. Dat is overigens nog geen excuus voor ongebreideld graaien. Factoren als persoonlijkheid, karakter en inhoudelijke bagage maken het verschil tussen een enigszins sociale opstelling binnen de marges van het systeem of ongegeneerde hebzucht.
Ten tweede zijn de nu gemaakte onderverdelingen, zoals tussen een verwerpelijk financieel en een goed industrieel kapitalisme, kunstmatig. Wat te denken van GE Capital, de financiële tak van dat klassieke vlaggenschip van het Amerikaanse industriële kapitalisme, General Electric? In 2000 was het verantwoordelijk voor 42 procent van de winst van het concern. Bij autofabrikant General Motors zorgden de, inmiddels deels afgestoten, financiële activiteiten aan het einde van de vorige eeuw zelfs voor bijna de totale winst. Het onderscheid tussen een sociale staat en een kapitalistische markt is al evenmin eenduidig. Het onderzoek naar lokale overheden die goedkoop geleend geld van de Bank Nederlandse Gemeenten op lucratievere spaarrekeningen zouden hebben gezet, loopt nog. Maar ook los daarvan zijn er voorbeelden te over van overheden die zich de afgelopen decennia als durfkapitalisten gedroegen. Neem de Britse staat, die recentelijk een miljardenpakket studieschulden doorverkocht aan banken. De staat kan kortom net zo kapitalistisch zijn als de markt. Het gaat om de onderliggende logica van waaruit gehandeld wordt: is die gericht op winst of op het publieke belang, het welzijn van mens en milieu? Dat is ook na de recente nationalisaties nog lang geen uitgemaakte zaak. Over een nieuwe Postbank, een staatsbank met een publiek oogmerk, wordt niet gesproken. Integendeel: de Nederlandse overheid is de komende tijd druk bezig met het handelen in aandelen ABN Amro en ING.
De ongemakkelijke waarheid is dat de huidige crisis voortkomt uit een ontwikkeling waar niemand buiten staat: ‘financialisering’. De afgelopen decennia is het aandeel van financiële producten als schuldpapieren, opties en andere derivaten in de economie enorm gegroeid. Het toegenomen gewicht van de financiële sector in het kapitalisme drukt ook zijn stempel op ons dagelijks leven, in de vorm van studieleningen, creditcards, beleggingshypotheken en pensioenfondsen. Dat alles heeft zijn uitwerking niet gemist. In de woorden van de Britse historicus Robin Blackburn: ‘Financialisering moedigt huishoudens aan zich te gedragen als bedrijven, bedrijven als banken en banken als hedgefondsen.’ Het gevolg is een opeenstapeling van risico’s, een zeepbel – en een knal.
Daarmee is niet gezegd dat omdat niemand buiten dit systeem staat iedereen ook schuldig is. Er zit een levensgroot verschil tussen een bankier op Wall Street die bewust risico’s negeert en een Amerikaans huishouden dat zich, mede door de reële welvaartsdaling van de lagere inkomensgroepen, gedwongen ziet meer te lenen dan verantwoord is. Waar het om gaat, is dat gewaakt wordt voor te simpele afrekeningen. Een parlementaire enquête naar de kredietcrisis, zoals bepleit door sommige partijen, is geen slecht idee. Maar durf dan wel écht diep te graven. Het is al te verleidelijk om bij het beantwoorden van de schuldvraag voor een shortcut te kiezen en het eigen straatje schoon te vegen: ‘Rijnlands’ in plaats van ‘Angelsaksisch’, binnenland versus buitenland of ‘meer staat’ en ‘minder markt’. Zulke makkelijke analyses zijn comfortabel voor het moment. Op de langere termijn is geen burger gebaat bij een overhaast proces.