Politiek

Het proces van politiek geweld

AMSTERDAM – ‘Nederland is zijn onschuld verloren’, klonk het in menig binnen- en buitenlands commentaar na de moord op Pim Fortuyn. Correspondenten beschrijven het proces van politiek geweld in ‘hun’ landen waar ze al sinds jaar en dag ervaring hebben met ‘schuld’.

Maar hoe onschuldig is ons Nederland eigenlijk? Nederland is sinds de Tweede Wereldoorlog allerminst gevrijwaard van politiek geweld, uiteenlopend van de bestorming van het communistische bolwerk Felix Meritis tijdens de Hongarije-crisis van 1956, tot de Molukse kapingen in de jaren zeventig. Toch is de moord op een zo prominent politicus in de jongste geschiedenis van Nederland uniek.

Twee buitenlandse vergelijkingen dringen zich op: de moord op president John F. Kennedy op 22 november 1963 in Dallas, Texas, en de moord op de Zweedse sociaal-democratische premier Olof Palme in Stockholm op 28 februari 1986. ‘Na de moord op John Kennedy werd ook gezegd dat de Verenigde Staten hun “onschuld” hadden verloren. Toch had het land een lange traditie van politieke geweld pleging, ook tegen presidenten’, zegt de Leidse Amerikanist Al fons Lammers. ‘Denk aan de moord op Lincoln in 1865. President Garfield was in 1881 vermoord, president McKinley in 1901. In 1963 sloten veel Amerikanen hun ogen voor die voor geschiedenis, alsof de moord in Dallas een omslagpunt was waarop het naïeve, goede Amerika in handen viel van “evil forces”.Over Kennedy wilde men lange tijd geen kwaad horen, pas tientallen jaren later ontstond er ruimte voor een nuchtere beoordeling van zijn presidentschap. Ook zijn broer Robert en dominee Martin Luther King (beiden in 1968 vermoord – ab) zijn na hun dood verheerlijkt. King werd eigenlijk net op tijd vermoord om hem te kunnen blijven ver eren als iemand die blank en zwart bijeen wilde brengen, hoewel hij zelf in termen van klassestrijd en confrontatie dacht.’

Fortuyn vergeleek zichzelf graag met John F. Kennedy. ‘Buitengewoon vergezocht’, oordeelt Lammers, ‘een vergelijking met zijn broer ligt meer voor de hand. Robert Kennedy had net als Fortuyn nog niet de kans gehad zich te bewijzen, hij bleef door zijn vroegtijdige dood als het ware een bevroren belofte. Hoe mank de vergelijking verder ook gaat, de tweede Kennedy was al bij zijn leven een cultfiguur. En beide mannen maakten tijdens hun leven een ideologische draai. Robert begon als halve aanhanger van Joseph McCarthy en ontwikkelde zich steeds linkser, Fortuyn begon als marxist en schoof op naar rechts.’

Het land dat zich waarschijnlijk met het meeste recht op zijn verloren onschuld kan beroepen, is Zweden. ‘Toen ik het nieuws over de aanslag op Palme voor het eerst hoorde, dacht ik net als iedereen aan een slechte grap. Niemand wilde geloven dat dit mogelijk was, uitgerekend bij ons’, zegt Abbe Schulman, psychiater aan het Karolinska Instituut in Stockholm en betrokken bij de preventie en opvang van traumapatiënten. ‘Het toenmalige Zweden was nog minder gewend aan politiek geweld dan het huidige Nederland. Zweden was buiten de Eerste en Tweede Wereldoorlog gebleven, politieke moord was er ongekend. Toch was het grote publiek in Zweden niet getraumatiseerd. Er was geen sprake van blijvende schade voor de geestelijke gezondheid. Veruit de meeste Zweden reageerden normaal: ze waren boos, verdrietig en bang voor wat nog komen kon. Een gezonde reactie op een extreme gebeurtenis. Ook de gevoelens van onveiligheid en onzekerheid waren volkomen normaal. De Zweedse overheid heeft bijzonder goed gereageerd door veel ruimte te scheppen voor massale herdenkingen en andere ceremoniën waardoor de gevoelens zich konden ontladen. Tegelijk konden ze zo worden gekanaliseerd, het was duidelijk dat ze door de hele natie werden gedeeld. Alleen voor de mensen in Palmes persoonlijke omgeving was de moord traumatisch, zij lijden er nog altijd onder.’

Een verschil tussen de moord op Fortuyn en veel andere politieke moorden in moderne democratieën is dat de waarschijnlijke moordenaar van Fortuyn meteen is aangehouden. ‘Omdat de moordenaar van Palme nooit is gepakt, heeft de mythevorming rond de daders en hun motieven het vertrouwen in de Zweedse politiek meer ondermijnd dan de moord’, zegt Schulman. ‘Mede daarom is 1986 beschouwd als een keerpunt, de katalysator van een nationale depressie, samenvallend met recessie, werkloosheid, vreemdelingenhaat en gewelddaden van neonazi’s en andere extremisten. Kortom, het einde van het “Zweedse model”.’