De opening van het academisch jaar

Het product studie

Studenten moeten meer investeren in hun eigen opleiding. Een redelijke eis, maar ze krijgen steeds minder waar voor hun geld.

De eerste week van het academisch jaar is er een van tradities: professoren in cortège, vermaarde gastsprekers die de academische gemeenschap aanmoedigen om het onderste uit de kan te halen. Ook vaste prik op de universitaire kalender: het doorvlooien van internationale ranglijsten die in de loop van de zomer verschijnen. Daar valt meestal wel positief nieuws uit te halen. ‘Geen enkele Nederlandse universiteit buiten de top-vijfhonderd.’ ‘Wij zijn de beste van alle universiteiten jonger dan dertig jaar.’ ‘Gemeten naar het aantal onderzoekers staan we in de top-drie.’ De statistieken worden net zo lang bestudeerd totdat er iets uitkomt om goede sier mee te maken.

Voor de student is de realiteit vaak anders. Veel van de eerstejaars die de komende weken plaatsnemen in de collegebanken zullen zich afvragen of dit nu de plek is die hun in glimmende brochures wordt beloofd. Anonieme hoorcolleges, een minimum aan contacturen en een studieprogramma dat nauwelijks uitdaagt. De motivatie is navenant. Vóórdat het jaar om is heeft bijna een derde van de studenten er de brui aan gegeven. Ze wisselen van opleiding of gaan helemaal niet verder met studeren. Na zeven jaar heeft pas de helft van de studenten een masterdiploma binnengesleept – een cijfer dat al twintig jaar stabiel is.

Deze lichting studenten zal de eerste zijn die begint aan een curriculum waar het kabinet-Rutte zijn stempel op heeft gedrukt. En, zoals de universiteitskoepel vsnu in haar recente jaarverslag vaststelde, dat is goed voelbaar. De tandem Halbe Zijlstra/Maxime Verhagen, samen verantwoordelijk voor academisch onderzoek en onderwijs, heeft niet stil gezeten. Gezamenlijk duwden ze universiteiten een stukje verder richting Angelsaksisch model: korter studeren, de student zelf laten meebetalen en onderzoeksfinanciering die nauw aansluit bij de wensen van het bedrijfsleven.

Direct na zijn aantreden trok minister Verhagen de macht over het geld naar zich toe door de subsidiekraan te verleggen van het ministerie van Onderwijs naar het ministerie van Economische Zaken. Onder professoren wordt ook wel gesproken van ‘de coup van Verhagen’. Het resulteerde in het omstreden topsectoren­beleid. Bedoeld om de pijlers van de Nederlandse economie te versterken, maar in feite een verkapte bezuinigingsmaatregel waar vooral het fundamenteel onderzoek onder te lijden heeft. En ondanks alle mooie woorden kan het top­sectorenbeleid niet verhelen dat Nederland achterblijft bij zijn Europese collega’s als het gaat om investeren in onderzoek. Nu al noemt de oeso, het samenwerkingsverband van ontwikkelde economieën, de mate waarin Nederlandse universiteiten nieuwe producten of diensten de markt opbrengen ‘teleurstellend’.

Op het ministerie van Onderwijs gebeurde ook iets opvallends. Waar de portefeuille hoger onderwijs doorgaans wordt opgeëist door de minister zelf werd ditmaal de staatssecretaris met het koningsnummer belast. Veel van Zijlstra’s voorgangers – Ronald Plasterk, Jo Ritzen – draaiden al langer rondjes in de carrousel van wetenschap, politiek en academische bestuursbaantjes. Zijlstra niet. Voordat hij in 2006 tot de politiek toetrad werkte hij bij een project­managementbureau.

Aan ambitie ontbrak het niet. ‘De studie­cultuur aan hogescholen en universiteiten kenmerkt zich in 2025 door uitdaging, presteren en het maximale uit je studie en je eigen vermogens halen. De lat ligt hoger en de student die daar niet overheen kan springen, zal zijn ambities moeten bijstellen’, zo schreef het kabinet-Rutte in zijn strategische agenda Kwaliteit in verscheidenheid. Om dat doel te bereiken moeten opleidingen strenger selecteren en meer uitdagend onderwijs aanbieden. De mentaliteits­omslag werd gevat in de klinkende titel die Zijlstra aan zijn wet op het hoger onderwijs meegaf: ‘Studeren is investeren.’

Dat ‘investeren’ betreft vooral de portemonnee van de student. Er ligt een waslijst aan maatregelen die een verstandige student zal doen besluiten om een extra bijbaantje te nemen. Zo wordt de basisbeurs voor master­studenten afgeschaft ten faveure van een sociaal leenstelsel, en wordt het recht op de OV-kaart ingeperkt. Eerder was besloten dat voor tweede studies meer collegegeld moet worden betaald. Parel in de kroon was de langstudeerboete van ruim drieduizend euro per jaar voor iedere student die meer dan een jaar vertraging oploopt tijdens zijn bachelor of masteropleiding. Pogingen om uitzonderingclausules te bedingen voor bijvoorbeeld topsporters strandden. Tijdens een extra ingelast debat vorige week slaagde de Kamer er niet in een alternatieve bezuiniging te bedenken, waardoor de verguisde langstudeerboete ondanks een gebrek aan een Kamer­meerderheid alsnog doorgaat

Nu is er veel voor te zeggen om studenten te vragen een duit in het zakje te doen. Ze krijgen immers een opleiding die hen uiteindelijk aan een goed betaalde baan moet helpen. Maar dat neemt niet weg dat ook de wedervraag mag worden gesteld: wat krijg ik eigenlijk voor die investering? Steeds minder, zo lijkt het.

Want terwijl de student dieper in de buidel tast, wordt de stroom publieke investeringen in hoger onderwijs steeds smaller. Halverwege de jaren negentig gaf Nederland nog bijna 0,9 procent van het bruto nationaal inkomen uit aan universiteiten. Inmiddels is dat percentage teruggezakt tot onder de 0,7, blijkt uit cijfers van de oeso. En terwijl de uitgaven terug­lopen, stijgt het aantal studenten dat van colleges, bibliotheekboeken en scriptiebegeleiders moet worden voorzien. Alle zorgen over de toegankelijkheid van het hoger onderwijs ten spijt, de academie zuigt zich als een spons vol met studenten. In tien jaar tijd is de studentenpopulatie met bijna honderdduizend zielen gegroeid. Het gevolg: flink dalende uitgaven per student. Uit oeso-cijfers blijkt dat Nederland op dit punt een van de weinige is, samen met de Verenigde Staten.

De gevolgen van de personele onderbezetting zijn bekend: propvolle collegezalen, studenten die geen hoogleraar maar een onder­betaalde promovendus voorgeschoteld krijgen, en opleidingen die zo weinig uren vergen dat je je afvraagt waar die hele universiteit überhaupt voor nodig is.

De verschraling is een ongelukkig bijverschijnsel van de klantbenadering die de norm is in academia. Studenten zijn ‘klanten’ die op basis van het beschikbare aanbod een ‘onderwijsproduct’ kiezen. En klant, zo weet iedere koopman, is koning. ‘Nee’ wordt zelden verkocht. Het resultaat is dat de bulk van de studenten terechtkomt in massastudies, vooral op gebied van sociale wetenschappen, gedreven door de amorfe wens ‘iets met mensen’ of ‘business’ te doen. Psychologie en bedrijfseconomie zijn al jaren de meest populaire studies, wat niet wil zeggen dat er gretig gestudeerd wordt. Bijna de helft van deze studenten geeft aan dat hun studie nauwelijks iets bijdraagt aan hun persoonlijke ontwikkeling, zo constateren onderzoekers van de Europese Commissie. Ter vergelijking: bij de geesteswetenschappen is dit nog geen tien procent, in de natuurwetenschappen is het percentage verwaarloosbaar. Anders gezegd: als de spons wordt uitgeknepen kijkt de helft van de studenten terug op vier jaar studie waarin ze nagenoeg niets hebben geleerd.

Wat dat betreft is het jammer dat Zijlstra de kans niet kreeg de belangrijkste hervorming door te voeren. Nog steeds is het zo dat universiteiten worden betaald naar rato van het aantal afgestudeerden. De erfenis van het kabinet-Rutte bevat weliswaar ook een boete voor de universiteiten wanneer een student te lang blijft plakken, maar dat is geen prikkel om meer inspirerend onderwijs te bieden. Wel maakt het de verleiding groter om de beruchte ‘genade-zes’ uit te delen, of om niet zo nauw te kijken bij het beoordelen van een scriptie.

De harde wetenschappen, ondertussen, komen in de knel. Uit vrees voor een te moeilijke studie beginnen veel jongeren niet eens aan een opleiding natuurkunde of wiskunde, De exacte programma’s nemen weliswaar bijna een kwart van de studentenpopulatie voor hun rekening, maar dat is te weinig om de door Verhagen bejubelde topsectoren in de toekomst van voldoende vers bloed te voorzien. Bovendien zijn het vooral buitenlandse studenten die de bètafaculteiten vitaal houden. Ruim een vijfde van de studenten natuurwetenschappen komt van over de grens. Van alle oeso-landen leveren alleen Hongarije en Noorwegen minder exacte wetenschappers af.

Aan de overkant van de oceaan woedt een debat over de vraag hoe het toch komt dat de universiteiten in malaise verkeren. In de Verenigde Staten verschijnen maandelijks boeken met omineuze titels als Academically Adrift: Limited Learning on College Campuses en Education’s End: Why Our Colleges Have Given Up on the Meaning of Life. De meeste komen tot dezelfde conclusie: de ondernemende universiteit, zoals die overal sinds de jaren tachtig vorm heeft gekregen, is uitgelopen op een teleurstelling. De opleidingen zijn verschraald uit vrees dat de markt niet zou zitten te wachten op afgestudeerden met vooral intellectuele bagage. Professoren, ondertussen, voelen zich opgejaagd in de zoektocht naar onderzoeksfinanciering, waardoor onderwijs steeds meer op de tweede plaats komt.

‘Studeren is een symbolische exercitie geworden. Een diploma is niet zozeer een getuigschrift van kennis en kunde, maar een noodzakelijk kwaad om de volgende fase van het leven in te gaan’, zo vatte wetenschapshistoricus Anthony Grafton de academie-in-crisis-literatuur samen in een essay dat werd gepubliceerd in The New York Review of Books. En eenmaal afgestudeerd wacht debt peonage, schuldenslavernij als gevolg van studieleningen. ‘En dat voor een opleiding die steeds minder doet wat ze moet doen: de geest verrijken en jonge mensen klaarstomen voor het werkend bestaan’, aldus Grafton.

Nu heeft Grafton het over de situatie in de Verenigde Staten. Maar getuige de cijfers is Nederland hard op weg het overzeese voorbeeld te volgen. Zelfs op het punt van de schuldenslavernij kruipen we steeds verder richting de situatie in de Verenigde Staten. Een gemiddelde Amerikaanse student die een beroep doet op de leenmogelijkheden eindigt met ongeveer 33.000 dollar in het rood, omgerekend zo’n 25.000 euro. Nu al ligt de gemiddelde studieschuld van de Nederlandse studenten rond de zestienduizend euro. Tel hier een jaartje lang­studeerboete en de kosten van een master­opleiding bij op, en de ‘schuldenberg’ waar Grafton over spreekt doemt ook hier op.

De universiteiten gedragen zich te veel als bedrijven op de markt, is de kritiek die steeds luider klinkt. Het gaat ze niet om vorming en ontwikkeling, maar om rendementen en productiviteit. Met die bril op is de conclusie nog somberder: er wordt een steeds slechter product verkocht voor een steeds hogere prijs.