Nodiger dan ooit

Het publieke debat als wapen

AMSTERDAM – Na de dood van Pim Fortuyn is iedereen het over één ding roerend eens: de vrijheid van meningsuiting is zo’n beetje het belangrijkste wat we hebben. ‘Dat neemt niemand ons meer af’, sprak een Fortuyn-aanhanger snikkend. Was iemand dan van plan dat te doen? Misschien toch wel. Wie herinnert zich nog hoe Janmaat werd veroordeeld omdat hij had gezegd ‘Nederland is vol’ en ‘Als wij aan de macht komen schaffen wij de multiculturele samenleving af’? Dat was volgens de rechter in Zwolle ‘aanzetten tot discriminatie en haat’. Een van ons schreef in deze krant aan de vooravond van dat proces ‘Ook Janmaat heeft vrijheid van meningsuiting’ (in De Groene van 12 maart 1997). Daar waren destijds maar weinig mensen het mee eens. Behalve een handvol onafhankelijke journalisten en één politicus (Erik Jurgens) dorst niemand het voor de vrijheid van meningsuiting op te nemen. Er was destijds ook niemand in de Tweede Kamer die heeft geprotesteerd tegen de veroordeling van Janmaat. Ook Bolkestein niet.

De opvatting dat Nederland vol was, was tot het beruchte Volkskrant -interview met Fortuyn geen opinie. Het was racisme. Uit het vonnis van de rechter bleek onmiskenbaar dat in Nederland sprake was van een gedachtenpolitie. Wie zich daartegen verzette, werd zelf voor racist uitgemaakt.

In 1985 werd het motel in Kedichem, waar de CD en de CP een geheime fusievergadering hielden, door antifascisten in brand gestoken. De vrouw van Hans Janmaat, Wil Schuurman, ver loor toen een been. Zij was het eerste slachtoffer van de politieke terreur van de anti fascisten. Niemand kon het wat schelen. In de kranten werd aan het slachtoffer geen enkele aandacht besteed. Men wilde de antifascistische beweging niet in diskrediet brengen.

Toen in Oostenrijk een politieke partij in de regering werd opgenomen, die bij de verkiezingen bijna een kwart van de stemmen had gehaald door de immigratieproblematiek centraal te stellen, werden aan Oostenrijk door de leiders van de EU sancties opgelegd. Zonder een spoor van bewijs wisten de politieke leiders dat het hier om een racistische partij ging die zich daarmee buiten de democratische gemeenschap plaatste. Chirac en Kok liepen daarbij voorop.

De televisiejournalisten die nu zo verwonderd doen bij de emotionele ontboezemingen van de aanhangers van Fortuyn hebben in de strijd tegen het extreem rechtse gedachtegoed flink meegedaan. Bij elke anti-islami tische uitspraak werd de dader gevraagd of dat geen racisme was, of op zijn minst vreem delingenhaat. Janmaat werd door de journalisten überhaupt niet aan het woord gelaten. Daar bestonden afspraken over, maar ook zonder die afspraken zou geen enkele journalist dat in zijn hoofd halen.

Geen enkele politicus wilde met Janmaat in debat. Men discussieerde niet met extreem rechts. Extreem rechts mocht niet meedoen aan het publieke debat. De fundamentele fout van de politieke elite in Nederland is ons inziens niet geweest dat men Fortuyn heeft gedemoniseerd, maar veeleer dat men iedereen die wordt gestigmatiseerd als extreem rechts het zwijgen oplegde. En dat gebeurt niet alleen in Nederland. Een analyse van het debat in Frankrijk verschaft een heel goed beeld van de denkwijze die achter de strategie van het officiële anti racisme schuilgaat.

Na de onverwachte tweede plaats van Jean-Marie Le Pen in de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen heeft Jacques Chirac besloten om het geplande en traditionele televisiedebat tussen de twee kandidaten voor de tweede ronde af te zeggen. Waarom eigenlijk? Zijn woordvoerster zei het zo: ‘Hij heeft voor deze oplossing gekozen om de eer en de waardigheid van Frankrijk te beschermen.’ En zij voegt daaraan toe: ‘Het Front National en zijn leider mogen niet worden gebanaliseerd.’

De socialistische senator Robert Badinter steunde de beslissing van Chirac op dezelfde gronden. Hij zei: ‘Het prestige van Frankrijk zou er niets bij winnen en het democratische debat ook niet.’ De toelichting die daarop volgt is nog interessanter: ‘Een democratisch debat moet de kiezers beter informeren en moet zeker geen televisiespektakel worden. Laat staan dat het deelnemers de gelegenheid geeft om hun rancune te spuien, ja misschien zelfs haat te zaaien.’ (Le Figaro, 25 april)

Ziedaar de jakobijnse democratieopvatting in optima forma. Het publieke debat is in de ogen van Badinter een pedagogisch vertoog. Het moet rationeel en belerend zijn. Onder geen beding mag het debat ‘theater’ worden, laat staan televisietheater.

Ook in Nederland is dit een veelgehoorde opvatting. Het debat mag ook geen emoties uitdragen, laat staan zulke lage emoties als rancune en haat. In de Volkskrant van 4 mei schrijft Salman Rushie: ‘Misschien moeten de Franse kiezers aftreden, in plaats van Jospin, om ruimte te maken voor nieuwe kiezers die het wél belangrijk vinden hun verantwoordelijkheid op zich te nemen.’

Het jakobijnse discours kent twee aan elkaar verwante, maar toch te onderscheiden strategieën om de tegenstander te liquideren. De eerste is de medicalisering van de politieke strijd. Extreem rechts wordt beschouwd als een (politieke) ziekte. ‘Het zijn om zo te zeggen epidemieën van de geest die steeds meer mensen in hun greep krijgen als een soort besmetting.’ (Rousseau) In Frankrijk spreekt men thans over de ‘lepénisation des esprits’ . In Le Figaro schrijft een Franse officier, Jean-Loup Chrétien, een artikel onder de titel ‘Het virus van de angst’ waarin hij een vergelijking maakt met ‘dieren die aan de pest lijden’. Een artikel in Libération van 24 april had als titel: ‘De partijen en programma’s van traditioneel rechtse partijen raken besmet met populistische en xenofobe ideeën’. Nu wordt ook begrijpelijk waarom de anti racisten graag spreken over een ‘cordon sanitaire’ tegen extreem rechtse partijen. Gelieerd aan dit medisch denken is de biologische metafoor, die we in het Volkskrant- artikel van Salman Rushdie vinden. Hij schrijft: ‘Frankrijk, druk bezig met het bewerken van haar tuintje, is er plotseling en veel te laat achter gekomen dat er een gifslang in haar gazon huist.’ Kern van dit medisch-biologische vertoog is dat de vijand levensgevaarlijk is omdat zij ‘onschuldige’ slachtoffers maakt. ‘Gelepeniseerde’ kiezers zijn het slachtoffer van een virus of een gif waartegen geen verweer mogelijk lijkt. Zij worden niet meer beschouwd als burgers met een eigen verantwoordelijkheid en een autonome wil.

De tweede dimensie in het jakobijnse vertoog is de veronderstelling dat de tegenstander met twee tongen spreekt. Wat Le Pen op het politieke toneel zegt, is iets heel anders dan wat hij achter de coulissen zegt. Op het toneel speelt hij de democraat maar backstage is hij een racist en een fascist. Met deze redenering – die niet onwaar hoeft te zijn – hebben wij een aantal problemen. In de eerste plaats is het onderscheid tussen wat front stage en wat backstage wordt gezegd vaak een gevolg van een antiracistische wetgeving waardoor extreem rechtse politici in het publieke debat niet mogen zeggen wat zij vinden.

In de tweede plaats is de frontstage/ backstage-theorie een complottheorie die met andere complottheorieën gemeen heeft dat zij onweerlegbaar is. Men kan er nooit helemaal zeker van zijn dat de betreffende politici achter de coulissen niet iets anders zeggen dan op het politieke toneel. Sterker nog, hoe ‘erger’ hun veronderstelde gedachtegoed is, hoe beter men het zal proberen te verbergen. Ook als men in eerste instantie niets kan vinden wat op een backstage wijst, dan kan dat er immers op duiden dat de vijand zeer geslepen is en dus extra gevaarlijk. Mensen die in termen van frontstage en backstage denken, tonen soms een zekere opluchting als een extreem rechtse politicus openlijk iets zegt waarvan zij veronderstellen dat hij dat alleen backstage hoort te zeggen. Die is tenminste eerlijk. En omgekeerd hebben wij militante antiracisten horen zeggen dat Frits Bolkestein en Pim Fortuyn eigenlijk gevaarlijker waren dan Janmaat, juist omdat je ze nooit kon ‘betrappen’ op racistische uitspraken.

De jakobijnse benadering van extreem rechtse partijen is niet alleen weinig democratisch, zij is ook weinig effectief gebleken. Ten onzent sprong Pim Fortuyn als een duveltje uit een doosje op een moment dat de politieke elite meende afgerekend te hebben met extreem rechts. Hij werd een volksheld omdat hij de opvattingen waarvoor Janmaat nog was veroordeeld respectabel heeft gemaakt.

En de rollen zijn nu omgedraaid: wie nu nog vindt dat Fortuyn extreem rechts was, loopt op zijn beurt kans op een stevig pak slaag. Ook dat lijkt ons geen wenselijke situatie.

Het wordt dus tijd voor een democratische benadering van extreem rechts. Die benadering is gebaseerd op het respecteren van de regels van het democratische debat. Die regels zijn te onderscheiden in regels die de toegang tot het debat bewaken en regels die het debat zelf in goede banen moeten leiden. Als toegangsregels, die met juridische middelen moeten worden afgedwongen, beschouwen wij:

Niet aanzetten tot geweld.

Niet oproepen tot uitsluiting van burgers van het publieke debat en de publieke besluitvorming.

Het erkennen van de tegenstander als mens (iemand die homoseksuelen voor ‘erger dan varkens’ uitmaakt heeft dus geen recht van spreken en zou daarvoor moeten worden bestraft).

Iedereen die zich houdt aan deze drie regels dient toegang te hebben tot het publieke debat, of hij nu extreem links is of extreem rechts. De wetsartikelen die uitspraken over andere groepen mensen verbieden vanwege hun beledigende karakter dienen te worden afgeschaft. Deze wets artikelen leiden in de praktijk tot politieke rechtspraak. Zelfs tegen rancune en haatgevoelens is het publieke debat een beter wapen dan de gevangenis.

Meindert Fennema en Marcel Maussen zijn verbonden aan de vakgroep politicologie van de Universiteit van Amsterdam