Ulysses

Het pure vlees

In twee brieven aan zijn Engelse vriend Frank Budgen, geschreven in 1921 toen hij het slothoofdstuk van Ulysses (1922) afrondde, onthult James Joyce waarom de beroemde Penelope-episode – de erotische bedmijmeringen van Molly Bloom – ‘de clou van het boek’ is. Het laatste woord laat hij welbewust aan de wachtende en verlangende Penelope over omdat haar wellustige monoloog ‘de onmisbare bekrachtiging is van Blooms paspoort voor de eeuwigheid’.
Leopold Bloom is de joodse advertentiecolporteur die op 16 juni 1904 door het roomse Dublin dwaalt en bij toeval de ‘reddende vaderfiguur’ van Stephen Dedalus wordt. Hij vist de jonge, bezopen woordkunstenaar op uit de goot naast het bordeel van hoerenmadam Bella Cohen en neemt hem mee naar zijn huis, Eccles Street 7, waar zijn vrouw Marion (Molly) in bed ongegeneerd associaties aan elkaar rijgt over mannenlijven, vrouwenvlees, zoete zonden en mooie meesteressen.
Molly Bloom, een zangeres die haar jeugd op Gibraltar doorbracht, is voor Joyce het pure vlees dat gretig ja zegt en zich openstelt voor het ongeremde verlangen dat geen boodschap heeft aan welke moraal dan ook. ‘Hoort mij nu aan’, zegt Stephen Dedalus in de kraamkliniek waarin een vrouw een kind krijgt. ‘In een vrouwenschoot is het woord vlees geworden maar in de geest van de maker wordt alle vlees dat vergaat het woord dat niet zal vergaan.’ Ulysses gaat over de eeuwige cyclus van leven en sterven, en ook Molly’s monoloog (obsceen en pornografisch volgens de fatsoensrakkers van 1922) beweegt zich tussen schoot en dood, Eros en Thanatos. Haar woordenstroom is de meest erotische uit de wereldliteratuur. Haar schier eindeloze zin over zinnelijkheid begint met ‘Ja’ en eindigt met ‘Ja’, een vrouwelijk woord volgens Joyce. Daartussen zet de woordacrobaat nergens een punt of een komma. De lezer wordt onherroepelijk meegesleurd door Molly’s vleselijke verlangens en overspelige gedachten. Zij wil niet aan de ketting van het fatsoen liggen, zij is ontketend, taalkundig en seksueel. De 32-jarige Molly heeft de Dublinse mannen, onder wie minnaar Blazes Boylan, wel door: ‘ze willen allemaal dolgraag naar binnen waar ze uit zijn gekomen je zou denken dat ze er nooit diep genoeg in kunnen’. Ze noemt zichzelf een dolle meid en ze wil wel twintig keer per dag geknuffeld worden. Leopold Bloom, die zich die middag aan Sandymount Beach als een voyeur heeft verlustigd aan een jonge manke deerne, ligt naast haar. Voor hij in slaap viel heeft hij haar billen gekust, een gebaar dat Molly’s humor en zinnelijkheid nog meer stimuleert. Zij heeft jaren geleden gekozen voor Bloom – Don Poldo de la Flora noemt ze hem speels – omdat hij haar met woorden heeft verleid. Hij noemde haar zijn bergbloem, en Molly beaamt dat. Vrouwen zijn ‘allemaal bloemen een vrouwenlichaam ja dat was het enige juiste wat ie in zijn leven ooit gezegd heeft en vandaag schijnt de zon voor jou ja’.
Molly is niet obsceen of pornografisch, maar goudeerlijk en zuiver in haar grenzeloze verlangen. In haar narcistische taalstroom over wat vrouwen en mannen met elkaar kunnen doen echoot de biecht na van lang geleden, toen ze nog een onschuldige maagd was en een jongen avances maakte. Waar heeft hij je gekust? vroeg haar biechtvader: ‘en ik zei met mijn stomme kop bij het kanaal nee waar ergens op je lichaam mijn kind achter op mijn been was het hoog ja vrij hoog daar waar je op zit ja mijn God kon ie niet gewoon achterste zeggen’?
Ook woordkunstenaar Stephen Dedalus wantrouwt ‘waterigheid van gedachte en taal’. Deze opstandige Lucifer weet net als Molly Bloom dat er geen tussenwegen bestaan in de woordkunst, alleen compromisloos denken en schrijven voorbij alle geborneerdheid.
Wat zegt u? Molly’s eruptieve erotiek en Ulysses onleesbaar? Dan is het leven ook onleefbaar, verzuchtte Joyce bijna een eeuw geleden.

James Joyce, Ulysses, vertaald door Paul Claes en Mon Nys, De Bezige Bij, 2009