Else Barth over Vidkun Quisling

Het Quisling-enigma

De Noors-Nederlandse filosofe Else Barth bestudeerde de filosofie van Hitler-protégé Vidkun Quisling. In ‘God, dat ben ik’ maakt zij korte metten met de schijn van heiligheid waarmee die lang is omringd. Een vraaggesprek met de auteur.

Else Margarete Barth, Gud, det er meg: Vidkun Quisling som politisk filosof. Uitg. Pax Forlag


— kader —


Vidkun Quisling werd in 1887 geboren en was de oudste zoon in een vier kinderen tellend orthodox christelijk gezin. Na een succesvolle militaire studie assisteerde hij vanaf 1921 Fridtjof Nansen, die namens de Volkenbond de leiding had over een groot hulpproject ten behoeve van slachtoffers van de hongersnood in de Oek-raïne. Met dit project werden vele duizenden mensenlevens gered. In zijn jonge jaren was Quisling een bewonderaar van Lenin en zocht hij contact met Noorse socialistische groeperingen. Eenmaal terug in Noorwegen maakte Quisling in een reeks krantenartikelen gewag van zijn negatieve visie op de Sovjet-Unie en waarschuwde hij voor de gevaren van het marxisme. In mei 1933 richtte Quisling de Nasjonal Samling op (de Nationale Unie), een partij met een sterk antimarxistisch, antisemitisch en antiparlementair programma. Als partijleider verschafte hij Hitler-Duitsland strategische informatie welke van pas zou kunnen komen bij een eventuele invasie van Noorwegen, alwaar op 9 april 1940 de Duitse bezettingstroepen landden. In 1942 werd Quisling met Hitlers toestemming minister-president. Tot het eind van de oorlog voerde hij een politiek van onverdunde collaboratie. Hiervoor werd hij in 1945 ter dood veroordeeld. Quisling droomde ervan een groot, allesomvattend filosofisch werk uit te geven, maar de aantekeningen die hij achterliet zijn slechts een allereerste aanzet tot een manuscript. De vraag hoe iemand met Quislings achtergrond zich kon ontwikkelen tot een alom verachte landverrader ging de Noorse geschiedenis in als ‘het Quisling-enigma’.



— einde kader —



DE NAAM QUISLING werd wereldwijd een aanduiding voor ‘landverrader’. Een lang buiten de openbaarheid gehouden filosofisch manuscript van deze top-nazi had in nationaal-socialistische kringen de naam een intellectuele inspanning van het hoogste niveau te zijn. Aan die opvatting werd ook bijgedragen door auteurs die het manuscript nooit onder ogen hadden. Quislings vrouw Maria hield het bij zich tot ze het in 1970 aan de universiteitsbibliotheek van Oslo schonk. In Gud, det er meg (‘God, dat ben ik’) onderwerpt de Noors-Nederlandse filosofe Else M. Barth Quislings filosofie, het zogeheten universisme, aan een uitvoerige studie en maakt zij korte metten met de schijn van heiligheid waarmee die lang is omringd. De ‘monumentale verhandeling’ die Quisling zou hebben achtergelaten bestaat uit een lange reeks van in een onbeholpen stijl geschreven, losse, onaffe fragmenten. Barth analyseert Quislings ideeën over moraal, vrijheid, rassen, geslachten en God en wijst op verwant gedachtegoed in Europa en Azië. Gud, det er meg werd in de Noorse pers juichend ontvangen.



‘MIJN ONDERZOEK naar Quisling is een case-study’, zegt Else Barth. ‘Ik wilde meer inzicht krijgen in de logica die ten grondslag ligt aan extremistische denkwijzen in het algemeen en aan nazisme in het bijzonder. In studies over totalitaire denkwijzen zie je vaak een fixatie op beweringen met een morele boodschap. Die zijn uiteraard van groot belang, maar zelf ben ik op zoek naar cognitieve principes die, in samenhang, medebepalend zijn voor iemands denken en handelen. Ik maak daarbij niet alleen maar studie van de ethiek. Onderzoek van iemands natuurfilosofische of kosmologische opvattingen bijvoorbeeld kan ook van grote betekenis zijn voor het begrijpen van diens politieke moraal.’


Hoe dacht Quisling?


Bij Quisling hebben we te maken met een brein dat alles, of het nu gaat om begrippen of om verschijnselen, opdeelt in twee “tegengestelde” grootheden. Het woord “twee” komt ontzettend veel voor in het manuscript. Of hij het nu over bewustzijn, politiek, kennis, evolutie of godsdienst heeft: elk verschijnsel kent twee varianten of heeft twee kenmerken, elke theorie kent twee principes. Een voorbeeld uit Quislings politieke opvattingen: “In werkelijkheid reduceren alle opposities in de hedendaagse wereld tot een conflict tussen judaïsme en het Europese principe.” Die manie voor tweeheid wordt gecombineerd met de gedachte dat van twee dingen altijd maar één, en niet meer dan één, goed is. Het andere is abject. Dat patroon behoort tot de diepste lagen van Quislings cognitie.


Ik zou Quislings denken verder willen kenmerken als een duidelijk geval van ontkenningsdeficiëntie. Je kunt een vitaminegebrek hebben, maar ook een “ontkenningsgebrek”. Het woord niet is dan geen wezenlijk onderdeel van je cognitieve bestuurssysteem. Quislings bestuurssysteem, en daarmee de man zelf, leed aan ontkenningsdeficiëntie. Dat betekent onder meer dat feitelijk nauwelijks gebruikgemaakt wordt van de intellectuele mogelijkheid om te komen tot een afweging van verschillende alternatieven. Een afweging die maakt dat je ten opzichte van in de cultuur rondwarende beweringen kunt komen tot uitspraken als: “Nee, dat is niet zo”, of: “Nee, daar ben ik het niet mee eens.” Elke kritische discussie is daarmee uitgesloten. Dit is overigens kenmerkend voor de ruimere sfeer van wat wel de conservatieve revolutie genoemd wordt. Parlementaire waarden staan daarin niet hoog aangeschreven. Zelf beslissingen nemen daarentegen wel.’


Die ontkenningsdeficiëntie is ook te zien in Quislings opvattingen over moraal.


Ja, in de ethiek die Quisling aanhangt is een kritische houding moreel verwerpelijk. Kritiek komt voort uit ressentiment. Het is nobel en goed om dat wat er gebeurt je vertrouwen te geven. Dat is iets anders dan het in een bepaald geval ergens mee eens zijn, want dat veronderstelt dat je het ergens ook mee oneens kunt zijn. En dat is in die ethiek juist niet aan de orde. Het is een ethiek die voorschrijft dat moreel handelen bestaat in het bejahen van dat wat er gebeurt, ongeacht wát er gebeurt. In de loop der dingen laat zich, althans voor de uitverkorenen, een bepaalde richting ontwaren en die is dan ook de richting waarin het verder behoort te gaan en zal gaan. Het is een ethiek die heel functioneel is als je mensen met behoud van zelfrespect erge dingen wilt laten doen.’


Is het de ethiek die Heidegger onderschrijft als hij zegt: ‘Man muß sich einschalten’?


Wellicht. Je moet je invoegen in de zaken zoals je die ziet en kunt interpreteren of in de wil van een persoon die je tot voorbeeld dient. Een term die ik bij diverse auteurs tegenkwam is Hingabe. Die vind je veel; zowel bij Max Scheler als bij Ernst Jünger. Recentelijk ontdekte ik deze term bij Goebbels, die zelfs spreekt over inbrünstigen Hingabe, innige overgave. Het klinkt nogal erotisch natuurlijk.’

QUISLING identificeerde zich graag met God. U brengt dat in verband met de christelijke gedachte dat de mens geschapen is naar Gods beeld. Maar die totale vereenzelviging met het Hoogste Wezen zal door veel christenen als hoogmoedig worden verworpen.


Jazeker. Een bekend voorbeeld van een christen die de vereenzelviging met God resoluut heeft afgewezen is Karl Barth, die overigens geen familie van mij is. Theologen spreken wel over de grote calvinistische distantie tussen mens en God. Karl Barth meent dat mensen zich juist van God isoleren door zich met hem te vereenzelvigen. Ik ben niet gelovig, maar zoiets spreekt mij erg aan. Ook de Zwitserse filosofe Magdalena Aebi heeft gewezen op de gevaren van de neiging in de neoplatoonse traditie in Duitsland het Ik tot godheid te verheffen. Quislings denken past, als gezegd, in de lijn van die traditie. Bovendien liet hij in de loop van zijn leven zijn christelijke geloof vallen. Zo kon hij een ultra-elitair denker worden. Quisling geloofde in een elite van rassen en volkeren en in een elite van individuen. En schrijft, geïnspireerd door Louis XIV: “Dieu, c’est moi.” Niet één keer, maar verscheidene keren. Het was hem schijnbaar ernst. Eenmaal schrijft hij: “Ieder mens kan zeggen: Dieu, c’est moi.” Dat is logisch duidelijk en het oogt misschien genereus. Maar “ieder mens” is vervolgens doorgestreept en vervangen door het vage “de mens”. Later wordt duidelijk waarom. Het is weliswaar zo dat ieder mens kan zeggen dat hij God is, maar alleen de man met “inzicht” wéét dat hij God is! En die weet zich dan met recht verheven boven wat Quisling “slapende vormen” noemt. Het is net of je Orwell leest: ieder mens is gelijk aan God, maar sommige mensen zijn meer gelijk aan God dan anderen.’

Is er in deze hiërarchie een mogelijkheid om op te klimmen, zoals katholieken zich dat voorstellen?


Nauwelijks. Dat een “laagstaande” persoon zou kunnen opklimmen naar een geestelijk hogere graad van mens-zijn kan een brein als dat van Quisling niet goed verzinnen. Het veronderstelt immers dat je in staat bent in graden te denken. Quisling was principieel een plus-min-denker. Je bent uitsluitend het één, of uitsluitend het ander. Wat dat betreft is het katholicisme een aanzienlijk humanere traditie dan de negentiende-eeuwse Duitse variant van het neoplatonisme. Hoort u mij goed: ik zeg “humanér”. Want ik ben de laatste die het katholicisme warm wil aanbevelen. Maar als u mij zou verplichten om te kiezen tussen die twee tradities, dan zeg ik: doe dan in godsnaam het katholicisme maar.’

WAT IS VOLGENS u de aard van het verband tussen hoe iemand denkt en hoe hij handelt?


Ik zou niet willen verdedigen dat er een simpele oorzakelijke relatie is tussen iemands filosofische denkpatroon en zijn politieke handelwijze. Mensen willen graag enkelvoudige verbanden en eenduidige verklaringen. Men wil graag weten of je uit Quislings universisme of uit het werk van Carl Schmitt of uit het uitgebreide oeuvre van Heidegger zonder meer hun aansluiting bij het nazisme kunt afleiden. Nou, zo simpel ligt het net niet. Maar het nazisme als politieke handelwijze had nooit zoveel grip op de samenleving kunnen krijgen zonder een passende ideologie. De filosofie of ideologie kan het handelen suggereren en legitimeren, dus als excuus dienen waarmee men zich tegenover zichzelf en anderen kan rechtvaardigen. Ik zou iemands cognitieve patroon in dit verband wél als een oorzaakscomponent willen aanduiden, maar niet als de oorzaak. Het is volkomen onomstreden dat Quisling zeer machtsbelust was. Hij gebruikte het nazisme als een mogelijkheid om die macht te verwerven. Tevens was hij als politicus niet bepaald begaan met het lot van anderen. In zijn papieren kun je lezen dat hij meeleven met anderen iets verachtelijks vond. En met “anderen” doel ik niet op abstracte grootheden als volken of klassen, maar op individuen, wezens met een zenuwstelsel. Een machtsbelust iemand met de denkstructuur die ik bij Quisling heb gevonden zal zich gemakkelijker bij het nazisme aansluiten en volgens de richtlijnen van die beweging gaan handelen dan iemand die sterk empathisch of minder machtsbelust is. Er zijn dus bijna altijd nevenvoorwaarden in het spel.’

In Duitsland werden recentelijk in Die Zeit fragmenten uit Eichmanns memoires gepubliceerd. Ofschoon er, zoals Martin Van Amerongen onlangs betoogde, op grond van de Sassen-tapes op dat beeld ook wel wat valt af te dingen, belichaamt Eichmann in ons denken over de oorlog de passieve, gewetenloze volgzaamheid. Quisling was een gedreven persoonlijkheid die zichzelf een actieve leidersrol toebedeelde. Verwacht u bij iemand als Eichmann niettemin een cognitief patroon dat verwant is aan dat wat u bij Quisling heeft aangetroffen?


Ik ken die memoires niet, maar het zou me niet verbazen. Het is een onderdeel van de nazi-ideologie dat je volgeling bent of leider. Een gehoorzame Eichmann of een Führer die beslissingen neemt. Het systeem vaart daar wel bij, dat er mensen zijn die zich laten onderwerpen en mensen die anderen aan zich onderwerpen. Beiden maken deel uit van hetzelfde Deutschtum.’

U zegt ergens in uw boek dat u geen boodschap heeft aan theorieën over ‘de banaliteit van het kwaad’ en doet elders een aanbeveling om cognitieve deficiënties zoals u die bij Quisling hebt aangetroffen aan te merken als een ziekte. Wat is er de meerwaarde van het door u beschreven denkpatroon niet alleen te beschrijven maar het ook nog onder te brengen bij het abnormale en pathologische?


In onze tijd is men het er klaarblijkelijk over eens dat emotionele afwijkingen een ziektebeeld kunnen vormen. Dat roept geen verzet op. Een extreme cognitieve afwijking op die wijze aan te duiden vindt men gauw intolerant en ethisch gevaarlijk. Er bestaat wel zoiets als cognitieve psychologie en cognitieve therapie. Maar voor zover ik weet wordt daarbij nauwelijks gebruikgemaakt van door logici verworven inzichten. Terwijl een kruisbestuiving hier tot zinvolle resultaten zou kunnen leiden. Let wel: het is niet mijn bedoeling bepaalde denkvormen te verbieden, ze met wetgeving in verband te brengen. Evenmin is het mijn wens om personen te stigmatiseren of aan de paal te nagelen. De bedoeling is veeleer om tot de ontwikkeling en toepassing van nieuwe vormen van therapie aan te sporen en extreme cognitieve toestanden waar mogelijk te voorkomen. Ik vind het van het grootste belang dat mensen, bijvoorbeeld via onderwijs, geïnformeerd worden over uiteenlopende denkvormen, hoe ze van elkaar verschillen, waar en bij wie je ze aantreft en met welke, vaak dramatische, verschijnselen ze gecorreleerd zijn. Zodat meer mensen daar een bepaalde gevoeligheid voor krijgen. We moeten meer greep krijgen op wat voor soort denkstructuren er rondwaren in de Europese cultuur. Er is erg veel werk aan de winkel. Het gaat hier om een programma dat er het zijne toe moet bijdragen dat er niet weer hele bevolkingsgroepen de verdoemenis in worden gewerkt.’