Het rapport-wagenaar ‘het is aan de feitenrechter om de scheidslijn tussen waar en onwaar te leggen’

De ‘Eper incestzaak’ is uitgedraaid op een heuse mediaslag: Jolanda in de ‘populaire pers’ versus Wagenaar in de ‘kwaliteits pers’. Het rapport dat Wagenaar als getuige-deskundige aan de recht bank had overlegd, ging daarbij een eigen leven leiden. De indruk werd gewekt dat het een frontale aanval behelsde op de betrouwbaarheid van Jolanda. Het rapport was niet openbaar. Maar wie het opslaat, merkt al snel dat Wagenaar en collega Sobbe niet meer hebben gedaan dan een precieze scheidslijn trekken tussen betrouw bare en onbetrouwbare verklaringen. En wat de Wagenaar-fans nogal eens vergeten: de betrouwbare verklaringen zijn al erg genoeg.

Nog voor de uitspraak in het proces er was, zag hoogle raar psychologische functieleer te Leiden, Willem Albert Wagenaar de bui al hangen. Het rapport zou wellicht niet het gewicht krijgen dat het verdiende. Hij zocht, wel haast net zo gretig als Jolanda, en vond de publiciteit, ditmaal niet bij het Algemeen Dagblad en De Telegraaf, maar in de ‘kwaliteitspers’. Het werd hem, de zaak was im mers nog onder de rechter, niet in dank afgenomen. Toen de uitspraak er lag, alle verdachten kregen een iets mindere straf dan geeist was, brak Wagenaar los. 'Maandenlang is het land via De Telegraaf vergiftigd met de beweringen van Jolanda’, zei hij in weekblad Elsevier. 'Dat mag allemaal, maar als iemand aantoont dat die beweringen niet waar zijn, mag dat niet. Jolanda is heilig verklaard. Je mag niet meer zeggen dat een agent door dertig keer met Jolanda te praten voor ze haar aangifte heeft gedaan, die aangifte heeft verknald.
Je zou zeggen dat is goed nieuws, dat al die beschuldigingen niet meer kloppen. Ze zeggen weleens dat de brenger van slecht nieuws wordt opgehangen, maar in dit geval dreigt de brenger van goed nieuws te worden opgehangen. Men wil niet weten dat al die gruwelijke dingen niet zijn gebeurd. Jolanda heeft de musicalrechten van haar zaak aan Joop van den Ende verkocht, tegelijkertijd heeft ze laten weten dat ik mij niet over de zaak mag uitlaten.’
Op 28 juni 1993 werden W.A. Wagenaar en dr. H.J.G. Soppe, ontwikkelingspsycholoog te Dongen, benoemd tot deskundigen in de zaak tegen Arie van B., Wouter S. en Gerritdina W. De opdracht was 'een onder zoek in te stellen naar de mate van betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefsters, getuigen en verdachten, in onderlinge samenhang bezien en gelet op alle overige processtukken, inclusief audio-visueel materiaal.’ Op 25 augustus 1993 werd het duo eveneens tot deskundigen benoemd in de zaak tegen Ronald van Z. en Arend Jan H. en op 25 oktober tegen Gerrit Rein van Z. In 138 pagina’s analyseren Wagenaar en Sobbe minutieus de verklarin gen van Jolanda, haar zus Evelien, vriendin Teunie B. en die van de verdachten. Zij leggen alle uitspraken naast elkaar, maken schema’s en grafieken van handschriften uit de dagboeken van Jolanda en tijdlijnen van gebeurtenissen en zwangerschappen, en ondertussen geven zij college over geloof waardigheid, fantasie en herinnering.
Wagenaar en Sobbe beginnen omiddellijk na de inleiding al met de vinger op de wond te leggen: de stukken die hen bereiken zijn incompleet en vormen alles bij el kaar een rotzooitje. 'De onoverzichtelijke dossiervorming weerspiegelt een zekere mate van desorganisatie.’
Voor Wagenaar en Sobbe ingaan op de verklaringen van Jolanda, memoreren zij dat in het eerste Eper proces in 1991 drie verdachten reeds zijn veroordeeld voor seksueel misbruik, geweld en incest. Zij stellen dat het hun taak als deskundigen was om de betrouwbaarheid te toetsen van verklaringen over gewelddadigheden die zich verder uitstrekten en die in het tweede proces de aanklacht vormden. 'Een belangrijke consequentie van de aanvaarding van bovengenoem de feiten als vaststaand, is dat de aangeefsters (Jolanda en haar zus Evelien - tvd) als ge traumatiseerd moeten worden beschouwd. (…) De verklaringen van de aangeefsters behoeven daarom extra toetsing met behulp van verklaringen van andere getuigen en verdachten, en van andere objectief vast te stellen feiten.’
Dan gaan Wagenaar en Sobbe in op de literatuur over soortgelijke zaken van extreem seksueel misbruik, abortus, zwangerschapsonderbreking en moord op pasgeborenen, vaak in de vage context van satanische praktijken. Zij baseren zich vooral op een uitgebreid journalistiek onderzoek van Wright naar soort gelijke zaken dat in twee afleveringen verscheen in The New Yorker, 17 en 24 mei 1993. De gemeenschappelijke elementen in de door hem onderzochte zaken vertonen verbluffende overeenkomsten met het geval-Epe. De gevallen spelen zich af in relatief geisoleerde gedeelten van de samenleving. De slachtoffers beginnen met beperkte aan giften en breiden die steeds meer uit. Politie en hulpverleners verkrijgen beschuldigingen door veelvuldige verhoren met suggestieve technieken. De verdachten kunnen zich eerst weinig of niets herinneren, later is er nauwelijks een grens aan wat zij bereid zijn te bekennen. De kring van slachtoffers en daders breidt zich steeds meer uit. De overeenstemming tussen beschuldigingen en controleerbare feiten is praktisch nul. Tastbare bewijzen worden niet gevonden. De slachtoffers oefenen pressie uit op de verdachten om te bekennen, zelfs door met zelfmoord te dreigen; de verdachten hebben immers het leven van de slachtoffers geruineerd, ze zijn hun een bekentenis verplicht. De inhoud van de beschuldigingen is sterk gestereotypeerd. Het begint met mis bruik door de vader en zijn vrienden, dan volgt misbruik door anderen waarbij vader en later moeder aanwezig zijn en meedoen. Zwangerschappen worden regelmatig afgebroken. Het misbruik vindt plaats in groeps activiteiten, soms met satanisch karakter; de slachtoffers leveren de baby’s. De baby’s worden op het lichaam van het slachtoffer gelegd en in stukken gesneden. Delen moeten worden opgegeten of worden teruggeduwd. Dieren worden gedwongen tot copulatie. Dieren eten resten van pasgeboren kinderen uit de vagina van slachtoffers. Daders urineren en defaeceren, slachtoffers worden gedwongen excrementen te eten. De slachtoffers worden op gruwelijke wijze mishandeld zonder dat dit duidelijke littekens nalaat. Notabelen uit de gemeenschap zoals dokter, dominee, politie en burgemeester worden als mededaders genoemd, hetgeen zou verklaren waarom er niet al eerder actie is ondernomen. Foto’s en video-opnamen verdwijnen op mysterieuze wijze. De slachtoffers beginnen hulpgroepen om andere slachtoffers te steunen aan gifte te doen.
Wagenaar en Sobbe vragen zich op grond van die opmerkelijke eenvormigheid af of dit soort verhalen berusten op werkelijke ervaringen of uit bekendheid met dit soort verhalen. Urban legend - broodje aap dus?
Vervolgens behandelen Wagenaar en Sobbe het begrip betrouwbaarheid. Zij leggen uit dat het niet aangaat om personen be trouwbaar te vinden, het is niet zo dat mensen altijd liegen of altijd de waarheid spreken. Het gaat er om het betrouwbaarheids gehalte van verklaringen te onderzoeken. Een persoon kan op sommige punten in zijn verklaringen wel en op andere punten niet betrouwbaar zijn. De deskundigen geven de belangrijkste criteria aan: De verdachten mogen niet onder ontoelaatbare druk worden gezet, zeker niet als bekend zou zijn dat ze een ziekelijke neiging tot bekennen hebben. Voorts moet van de slachtoffers worden vastgesteld of ze wellicht motieven hebben voor valse aangiften. Een volgend criterium is de intieme kennis van een verdachte. Normaal gesproken zijn feiten en omstandighe den die alleen aan dader en slachtoffer bekend zijn, een houvast voor de geloofwaardigheid. Maar die intieme kennis kan ook op andere wijze tot de verdachte doordringen, door suggestieve verhoortechnieken bij voorbeeld of door contacten binnen de dader/slachtoffergroep. Wagenaar en Sobbe gaan verder ook op zoek naar tegenspraak, inconsistenties en onmogelijkheden.
In het derde en belangrijkste hoofdstuk gaan Wagenaar en Sobbe in op de verklaringen van Jolanda en haar zus Evelien. Het hoofdstuk begint met een weergave van de essentiele elementen uit Jolanda’s verklaringen inzake het afbreken van zwangerschappen en de zware mishandeling, en van de verklaringen over de moord op de pasgeborenen, door Jolanda afgegeven in 1984 (over de tweeling 'Sjon’ en 'Sanne’) en in 1989 (over 'Patrick’ en de gebeurtenissen rond 'Jaimy’ en 'Melanie’). Op zes pagina’s trekken in telegramstijl de gruwelijkheden voorbij. Een klein voorbeeld van zo'n opsomming:
'SM-sessie. Door Wouter vastgebonden met leren riemen aan enkels, knieen en polsen. Ik was geheel naakt. Aanvankelijk Wouter en H. in slaapkamer. Ik was niet geblinddoekt. Door Wouter en H. geslagen en verkracht. Geslagen met een plak. H. met hand in vagina zeggend dat hij de geboorte op gang zou brengen. Wouter kijkt gespannen toe. (…) Wouter komt terug en stelt voor thermometer te gebruiken. H. doet dat en veroorzaakt breken vruchtwater. Weeen komen op gang. Moeder verschijnt en roept vervolgens de anderen, zeggend: “We gaan lol maken.” H., Arie en Wouter verschijnen naakt. Moeder neemt de leiding. De geboorte vindt plaats onder leiding van moeder. Jongetje. Jolanda ziet en hoort de baby leven en bewegen. (…) Wouter doet Jolanda blinddoek om. Overleg tussen H. en Dinie (moeder - tvd) wie wat zal mogen doen. Moeder snijdt vingertje af. H. stelt voor baby op te hijsen aan touw om enkels over deur; gebeurt zo. Moeder doet blind doek af. Jolanda ziet baby dood hangend en met wondje op plaats van rechterduim. Vader kleedt zich aan en gaat messen halen. H. snijdt in baby. Wouter dwingt Jolanda te kijken. H. houdt hoofd Jolanda vast. Wouter snijdt ook. Wouter en H. dwingen Jolanda vlees en bloed te eten.’
Na de opsomming uit de verklaringen van Jolanda vangen Wagenaar en Sobbe aan met de analyse. De eerste set criteria die aan de orde komt is: ziekelijke neiging, druk, motieven, intieme kennis. 'De wijze waarop de aangifte tot stand is gekomen, kan enig inzicht geven in de mogelijke redenen voor het doen van een aangifte die niet op waarheid berust. Dit is des te belangrijker omdat moet worden vastgesteld of bepaalde informatie wellicht door anderen op de aan geefsters is overgebracht.’
Jolanda heeft bij het proces in 1990 over dit soort zaken niets verklaard. Pas in gesprekken met maatschappelijk werker Van Wegen duikt de tweeling 'Sjon-Sanne’ op. Maar dan geplaatst in 1982, terwijl dagboek fragmenten die voor die gesprekken ge schreven zouden zijn, 'Sjon-Sanne’ in 1984 of zelfs 1985 plaatsen. Hoe komt het dat in een korte periode die gebeurtenissen in de herinnering van Jolanda twee, drie jaar zijn verschoven? Maatschappelijk werker Van Wegen heeft de indruk dat Jolanda zich overgeeft aan fantasieen die ze niet kan onderscheiden van de werkelijkheid. Wage naar en Sobbe stellen ook vast dat het opsporingsonderzoek niet de mogelijkheid heeft overwogen dat veel van wat Jolanda, haar vriendin Teunie B. en zus Evelien menen te weten en verklaren, voortgekomen kan zijn uit het wederzijds overnemen of gezamenlijk bedenken van herinneringen.
Ergens anders heeft Jolanda zelfs al eens gezegd bang te zijn dat Evelien, uit jaloersheid omdat Jolanda zoveel aandacht krijgt, gaat beweren slachtoffer te zijn van misdrijven die niet zij maar Jolanda heeft meegemaakt. Volgens Wagenaar en Sobbe kan dat mogelijk zijn. Zo hebben politiemensen de drie vrouwen bij elkaar gebracht voor een verhoor om hun herinnering te stimuleren: 'Een politieman die zoiets verzint, geeft er blijk van geen begrip te hebben voor de aard van het probleem waarover het in deze rechtszaak gaat, namelijk het gevaar dat men door onderlinge beinvloeding tot ongefundeerde verklaringen wordt gebracht.’
Ook aan de methoden van hulpverleners die Jolanda onder hypnose brengen of Evelien in de derde persoon laten praten om het haar makkelijker te maken gruwelverhalen te vertellen, hechten Wagenaar en Sobbe weinig waarde. Ze vinden dat hulpverleners zich met het welzijn van de client moeten bezighouden, niet met het zoeken naar de waarheid. Dat kan leiden tot valse aangiften omdat 'door suggestie geproduceerde schijnherinneringen een groot werkelijkheidsgehalte kunnen krijgen’. Wagenaar en Sobbe vervolgen 'De beinvloeding door maatschappelijk werkenden die optreden als therapeuten, voor afgaande aan de aangifte en daarna, staat in de Eper zaak vast. Voor zover deze beinvloeding urban legends overbrengt op aangeefsters, moet ieder detail dat deel uit maakt van het door Wright beschreven pakket als niet-intieme kennis worden beschouwd.
Na de strafzaak in 1991 is Jolanda in contact gekomen met politieman Deelman, die tussen 30 en 50 gesprekken met haar heeft gevoerd. De aangifte in 1992 kan niet los worden gezien van deze invloeden, temeer waar Deelman er niet voor terugschrok om dateringen met een heel jaar te veranderen omdat dan de feiten zijns inziens beter klopten. Ook na de aangifte in 1992 is Jolanda vele malen gehoord. De wijze waarop de verslagen van die verhoren pas na lange tijd en min of meer druppelsgewijs in het ons ter beschikking gestelde dossier terecht kwamen, illustreert dat de betrokken verbalisanten niet doordrongen waren van de noodzaak om alle contacten volledig en systematisch te rapporteren. Dat leidt tot het vermoeden dat er meer contacten waren dan de thans gerapporteerde, en dat de wel beschikbare processen-verbaal mogelijk niet nauwkeurig en volledig zijn.’
Wagenaar en Sobbe vegen opnieuw, herhaaldelijk en steeds weer de vloer aan met het politieonderzoek. Er zijn geen band- of video-opnamen gemaakt van de verhoren dus zij kunnen niet nagaan of de politie te weinig kritisch is geweest of zelfs aanmoedigend suggestief. Maar, erger nog, Wagenaar en Sobbe vinden een aantal 'feiten’ die na kritisch onderzoek alsnog tot luchtbellen kunnen worden gepromoveerd. Een duidelijk geval is de bewering van Jolanda dat een klant, Van der Z., bij een SM-sessie een beroerte zou hebben gekregen waaraan hij later gestorven is. Hij blijkt echter de dag er na uit het ziekenhuis te zijn ontslagen als terminale leukemiepatient en thuis te zijn overleden. De politie trekt die feiten niet eerst na, maar confronteert de weduwe meteen met een verhoortechniek in de trant: 'Wist u dat uw man een hoerenloper was?’ Het verhaal van de aapjes die Jolanda voor haar vermoorde tweeling gekocht zou hebben, klopt niet. Als het duo specifiek om onderzoek vraagt, blijken die aapjes pas jaren na de genoemde datum in Nederland verkrijgbaar. De video-opnamen die van de orgieen gemaakt zouden zijn, worden niet gevonden. Maar dan vergeet de politie weer om na te trekken of de porno- en SM-video’s die wel gevonden worden, groepsorgieen vertonen die datgene laten zien wat zich in het geheugen van de slachtoffers en verdachten vastgezet kan hebben.
Terug naar het hoofdstuk waarin Jolanda’s verklaringen getoetst worden aan ziekelijke neiging, druk, motieven, intieme kennis 'Het opsporingsonderzoek heeft zich maar weinig bemoeid met de vraag of Jolanda’s verklaringen gebaseerd kunnen zijn op iets anders dan werkelijke ervaringen. Daar door bezat de onderzoeksmethode een aantal karakteristieken waarvan bekend is dat ze het oproepen van onware herinneringen stimuleren. De vraag of de aantoon baar onjuiste onderdelen in Jolanda’s verhaal met opzet zijn geconstrueerd, of het gevolg zijn van vergissingen of fantasieen, is niet gemakkelijk te beantwoorden. Ieder van deze verklaringen vraagt om extra ondersteuning. Opzet vraagt om een duidelijke uitleg van de motieven; vergissen vraagt om een uiteenzetting over de omvang van de vergissingen die normaliter denkbaar is; fantasie vraagt om een beschrijving van het proces dat tot zulke fantasieen leidt.
De beschuldiging van het opzettelijk af leggen van valse verklaringen is buitengewoon ernstig en mag niet lichtvaardig worden gedaan. Maar om de betrouwbaarheid van de aangifte te kunnen beoordelen is het wel degelijk nodig om na te gaan of er motieven aanwezig waren voor het afleggen van valse verklaringen. Verscheidene inconsistenties en discrepanties zijn bovendien dermate groot dat er eigenlijk geen sprake van een vergissing kan zijn. De gebeurtenissen rond de dagboeken uit de periode 1983-1989 zijn daarvan een voorbeeld: Jolanda geeft toe dat ze heeft getracht de politie te laten geloven dat het om originelen ging: “Ik wou van het gezeik af zijn” (verhoor bij de rechter-commissaris op 26 okotober 1993).
Wat kan de reden zijn van zulk bedrog? Er zijn tenminste drie motieven voor het afleggen van valse verklaringen. Het eerste motief staat bekend als het “Othello-effect”. Iemand ziet in dat het bewijs niet geleverd kan worden, hoewel het misdrijf werkelijk is gepleegd, en besluit daarom bewijs te fabriceren. De morele scrupule is af wezig omdat men immers geen bewijs tegen onschuldige verdachten construeert, maar integendeel, ertoe bijdraagt dat het recht zijn loop heeft. Het is niet ondenkbaar dat Jolanda in deze situatie was en daarom, bij voorbeeld, dagboeken heeft verzonnen waarin waar gebeurde gebeurtenissen zijn beschreven. Een aanwijzing in die richting is te vinden op blz. I.463 e.v., waar Jolanda verklaart samenvattingen van dagboeken te hebben geschreven om de aangifte te onderbouwen, uit vrees dat zij anders niet zou worden geloofd.
Het tweede motief is wraak. Op verscheidene plaatsen in het dossier doet Jolanda uitspraken over personen die niet voldoende straf hebben gehad, ware daders die de dans zijn ontsprongen, politiefunctionarissen die haar niet serieus genoeg hebben genomen. Het kan haar duidelijk zijn geworden dat beschuldigingen van seksueel misbruik niet leiden tot een vervolging van zulke personen als Jan H., Johan B., dokter W., Ronald en Gerrit Van Z., Arend Jan H. De beschuldiging van zware mishandeling, afbreking van zwangerschappen en moord kan dat effect wel hebben, zodat er althans een motief is om te beweren dat zulke gruweldaden door vele personen gezamenlijk zijn bedreven, zelfs als dat in feite niet is gebeurd.
Het derde motief is de wens om in de aandacht te staan. Ook dit motief komt in het dossier voor, zij het dat Jolanda Evelien ervan beschuldigt. Het herhaaldelijk zoeken van de publiciteit zou een aanwijzing kunnen zijn dat dit motief ook bij Jolanda speelde.
Vele discrepanties zijn te groot om aan eenvoudige vergissingen geweten te kunnen worden. Het omdateren van het dagboek is daarvan een voorbeeld. Ook de geschiedenis met Van der Z. (de leukemiepatient - tvd) en de aankoop van de aapjes vallen buiten het domein van normale vergissingen. Andere discrepanties, zoals met betrekking tot precieze data of aanwezigen bij een bepaalde gebeurtenis kunnen wel als vergissingen aanvaard worden. Maar vergissing vormt geen afdoende verklaring, zodat het genereren van fantasieen ook serieus moet worden overwogen. Het gebruik van fantasie wordt in de volgende paragrafen verder besproken. Op dit punt stellen wij vast dat er voor Jolanda plausibele redenen waren om een onjuiste aangifte te doen; dat de on derzoeksmethode dit eerder heeft aange moedigd dan ontmoedigd; en dat het onderzoek zich weinig heeft toegespitst op de vraag of de vele beweringen wel geloof waardig zijn.’
Ook bij de tweede set criteria, tegenspraak en inconsistenties, vindt het onderzoekersduo veel redenen tot twijfel. Er is sprake van enige consistentie vanaf het dagboek in 1991 als Jolanda steeds naar dezelfde gebeurtenissen verwijst, maar in detail kloppen haar diverse verklaringen niet met elkaar en niet met die van de anderen. Tijdstippen verschuiven en gedeeltelijk zijn latere verklaringen aanpassingen van eerdere verklaringen, uitgelokt doordat de eerdere verklaringen aantoonbaar niet klopten. Volgens Wagenaar en Sobbe ligt een belangrijk element van tegenspraak verborgen in het feit dat de beweringen van Jolanda met horten en stoten kwamen, waarbij ze steeds gedetailleerder en gruwelijker werden, maar ook steeds fantastischer beschuldigingen bevatten.
'Men kan zoeken naar de reden voor het steeds uitgebreider en gedetailleerder worden van Jolanda’s verklaringen en de daarbij optredende discrepanties.

  1. De politie heeft in het begin lang niet alle relevante vragen gesteld en lang niet alle vermoedens onderzocht; pas in de loop dertijd is men dieper op de zaak ingegaan zodatde geleidelijke opbouw slechts het produktis van de onderzoekstechniek.
  2. Door het traumatische karakter van deherinneringen is het moeilijk om alle herinneringen in een keer boven te laten komen;die moeilijkheid neemt af wanneer eenslachtoffer beetje bij beetje vertelt, gespreidover een redelijk lange periode.
  3. De herinneringen waren vanwege huntraumatische karakter verdrongen en daardoor ontoegankelijk; door het proces vanondervraging worden ze pas geleidelijk aan weer toegankelijk.
  4. De verklaringen zijn deels het produktvan een actieve fantasie die niet is opgehouden op het moment dat aangifte werd gedaan.
  5. De verklaringen zijn deels onder druk van de politie ontstaan; aangezien die druk niet ophield, werd Jolanda uitgenodigd of gedwongen steeds meer feiten te noemenen die in steeds grotere mate van detail te beschrijven.
  6. De verklaringen zijn het gevolg van eenwraakactie; pas na verloop van tijd is het Jolanda duidelijk geworden dat slechts eenbepaald type van beschuldiging tot een vervolging leidt. Derhalve worden de beschuldigingen geleidelijk ernstiger. De redenen 1, 2 en 3 maken wel inzichtelijk waarom de verklaringen steeds uitgebreider en gedetailleerder worden, maar niet waarom er inconsistenties ontstaan. Het relatief late moment waarop “Jaimy-Melany” en nog later “Danny” zijn gerapporteerd, laat zich niet gemakkelijk verklaren met behulp van reden 1 en 2, waar soortgelijke en ernstiger feiten al gerapporteerd waren. De mogelijkheid van reden 3 wordt in de wetenschappelijke literatuur nadrukkelijk bestreden. De beschuldigingen die Jolanda pas na lange tijd heeft geuit tegen de vier Eper politieagenten vormen mogelijk een illustratie van 6, aangezien ze moeilijk los gezien kunnen worden van de dagboeknotities van januari 1991, waarin Jolanda zegt dat de politie even erg is als haar belagers, omdat zij er niet in is geslaagd demishandelingen te stoppen. Over seksuele mishandeling door de politie staat in deze dagboeknotities niets. Het probleem van de inconsistenties tussen de verklaringen wordt nog extra gecompliceerd door de overweging dat ermeer dan een reden van toepassing kan zijn. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat het slechts geleidelijk melden van de vele zwangerschapsonderbrekingen en moorden het gevolg is van reden 2, terwijl de beschuldigingen tegen de vier agenten zijn ingegeven door reden 6, wraak. Het is evenzeer denkbaar dat de verklaringen over zwangerschapsonderbrekingen op een werkelijke herinnering berusten, terwijl de verklaringen over moorden aan reden 5, druk, moeten worden toegeschreven. Juist deze mogelijkheid dat een deel van de verklaringen waar is en een deel niet waar, maakt het van groot belang om niet uit te gaan van de vraag of personen al dan niet betrouwbaar zijn. Immers, wanneer men de betrouwbaarheid van personen beoordeelt, wordt men na een bewezen onwaarheid gedwongen alle andere verklaringen van die persoon te verwerpen. In de onderhavige zaak is het echter psychologisch verklaarbaar waarom de aangeefsters Jolanda en Evelien zowel ware als onware verklaringen zouden afleggen. Het is onze mening dat dit in feite ook is gebeurd; het is echter aan de feiten rechter om de scheidslijn tussen waar en onwaar te leggen.’ Wagenaar en Sobbe leggen uit dat fantasieen geent kunnen worden op ambigue, niet goed begrepen herinneringen. Er ontstaan dan bij verschillende personen verschillende herinneringen, zoals met Jolanda en Evelien het geval is. Ook kunnen fantasieen op grond van vage herinneringen worden gestimuleerd. Dat kan gebeurd zijn toen Evelienaan haar maatschappelijk werkster vroeg 'Misschien dat het mij helpt als ik een hint krijg over de gebeurtenissen.’ Zorgwekkend vinden de onderzoekers. Hoeveel 'hints’ zijn er gegeven en waarover? Dan kunnen de fantasieen nog zijn ontstaan en gestimuleerddoor de geruchten in Epe en door de video’s en SM-boekjes. Samenvattend concluderen Wagenaar en Sobbe dat er in aanzienlijke mate sprake is van discrepanties in Jolanda’s verklaringen. Die discrepanties zijn dermate groot en talrijk dat het duo voor het ontstaan ervan de redenen 4 (actievefantasie), 5 (druk politie) en 6 (wraak) niet willen uitsluiten. Wanneer Wagenaar en Sobbe Jolanda’s verklaringen na speuren op onmogelijkheden merken zij dat slechts weinig essentiele details objectief verifieerbaar zijn. Een aanzienlijk deel van die weinige verificaties had een negatieve uitkomst. De aapjes, het medisch dossier over mogelijke vergevorderde zwangerschappen, de onmogelijkheden in bijna alle data die Jolanda geeft, de bewuste poging om de politie te laten geloven dat zij de authentieke dagboeken had ingeleverd, de afwezigheid van de vele littekens die zij zou moeten hebben, de onvindbaarheid van seksadvertenties en een 06-lijnconnectie, het niet kloppende verhaal van de dode, de onvindbaarheid van de babygraven. Nog zorgelijker dan al die afwijkingen vinden Wagenaar en Sobbe dat het dossier zelden duidelijk is en dat een aantal punten gewoon niet is onderzocht. De satanische praktijken zouden zware verwondingen hebben veroorzaakt die op wonderbaarlijke wijze zijn genezen zonder littekens achter te laten. Een vermoeden van een dergelijk beroep op wonderbaarlijke genezingen moet zo mogelijk uit de wereld worden geholpen, vinden zij. Ook naar de zakelijke organisatie van de betaalde prostitutie en SM-praktijken is niet gezocht. Hoe kan er zoveel geld binnenkomen terwijl Wouter, de man van Jolanda, met een leugentje bij zijn baas duizend gulden moet lenen? 'Onze conclusie over de onmogelijkheden in Jolanda’s verklaringen is dat te veel feiten niet kloppen om zonder meer te kunnen aannemen dat al Jolanda’s verklaringen op waarheid berusten. De twijfel bestaat vooral ten aanzien van de ernstigste feiten zoals moord. De betrouwbaarheid van verklaringen over andere nog steeds zeer ernstige delicten zoals mishandeling en illegale abortus wordt door de geconstateerde onmogelijkheden minder aangetast. De toetsing aan de criteria demonstreert dat de betrouwbaarheid van Jolanda’s verklaringen geenszins vaststaat. De verhoor methode was ongeschikt voor een betrouwbare vaststelling van intieme kennis; integendeel zij heeft deels de mogelijkheid van mystificatie vergroot. De verklaringen vertonen belangrijke tegenspraken en inconsistenties, die deels te verklaren zijn uit de moeilijke situatie waarin Jolanda zich bevond, maar deels ook door het feit dat een gedeelte van de verklaringen niet met de werkelijkheid in overeenstemming is. De verificatie van feiten heeft op belangrijke punten een aantal onmogelijkheden aan het licht gebracht, vooral waar het de ernstigste beschuldigingen betrof. Voor die mislukking is geen plausibele psychologische verklaring te geven, anders dan dat de verklaringen, om wat voor reden dan ook, niet juist zijn. Tenslotte geeft Jolanda zelf een aantal motieven voor het afleggen van valse verklaringen. Voor wat betreft de verklaringen van Evelien: Wij concluderen dat Eveliens verklaringen het resultaat zijn van een oncontroleerbare en mogelijk suggestieve verhoormethode; dat er discrepanties in de verklaringen voorkomen; en dat Evelien volgens Jolanda een motief heeft om valse verklaringen af te leggen. Dat zijn voldoende redenen om, indien de beweringen niet op een andere wijze worden bevestigd, de verklaringen van Evelien niet als betrouwbaarte aanvaarden.’ Wagenaar en Sobbe passen in de volgende hoofdstukken dezelfde onderzoeks methoden toe op de dateringen van de gebeurtenissen en de verklaringen van de andere verdachten. De conclusies voor wat betreft de babymoorden en het gewelddadig SM-misbruik zijn gelijkluidend. In het laatste hoofdstuk onderzoeken zij wat wel gebeurd zou kunnen zijn. 'In dit hoofdstuk is getracht een reconstructie van de gebeurtenissen te maken die met zoveel mogelijk feiten in overeenstemming is. Die reconstructie is, als het ware, een samenhangende beschrijving van de betrouwbare verklaringen. De reconstructie geeft aan dat Jolanda het slachtoffer is geweest van seksueel misbruik en mishandeling; dat er zwangerschappen op illegale wijze zijn afgebroken; en dat daarbij mogelijk ook vergevorderde zwangerschappen waren, waardoor er in juridisch opzicht sprake vanmoord of doodslag zou kunnen zijn. Tegelijkertijd is het voor minder waarschijnlijk gehouden dat de uitgebreide, haast satanische moordpartijen waarover Jolanda heeft verklaard, inderdaad hebben plaatsgevonden, aangezien de verklaringen daarover als onbetrouwbaar zijn gekwalificeerd. Deze beweringen zijn veel waarschijnlijker het produkt van een fantasie die zich gedurende vele jaren heeft ontwikkeld. De vage bekentenissen van verdachten in dit opzicht zijn gemakkelijk in verband te brengen met de onprofessionele wijze waarop zij zijn verhoord. Over de daders kan gezegd worden dat er over de betrokkenheid van Dinie W.(moeder), Arie van B. en Wouter S. (ex-man) betrouwbare verklaringen voorhanden zijn. De betrokkenheid van de andere drie verdachten bij seksueel misbruik kan nog enigszins met betrouwbare verklaringen worden onderbouwd. Betrokkenheid van deze drie bij onderbreking van zwangerschappen en doodslag of moord wordt niet ondersteund door betrouwbare verklaringen.’