Essay: Vonnis op de Antillen

Het recht een zuurpruimpje te zijn

Premier Godett van de Antillen is onttroond. Om politieke redenen. Eerder dit jaar gebeurde dat al in juridische zin. De premier ging kopje onder in een geding dat de krant ‹Amigoe› had aangespannen nadat Godett een journalist de toegang tot haar persconferenties had ontzegd. Het onderstaande vonnis van de rechtbank is een alomvattend essay over de verhouding tussen macht en media.

Het was de beroemde Groucho Marx die eens, gekscherend, heeft opgemerkt dat «politics is the art of looking for trouble, finding it everywhere, diagnosing it incorrectly, and applying the wrong remedies». Een opmerking als deze zou natuurlijk door een totaal van humor gespeende persoon kunnen worden opgevat als een gebrek aan respect, doch is niettemin zo raak dat, naar het Gerecht aanneemt, zelfs een politicus een glimlach niet zal kunnen onderdrukken. Dat komt omdat er een diepe kern van waarheid in zit. Ook in dit geval, dat aan de oppervlakte niets anders is dan een aanvaring tussen twee dames die het kennelijk niet zo goed met elkaar kunnen vinden (in het Papiamento zeggen we: «nan sanger no ta sali ku otro») en de gevolgen daarvan, moet men onwillekeurig aan deze opmerking denken. Met een beetje goede wil, met een beetje wijsheid, met een beetje verzoeningsgezindheid had deze kwestie de wereld uitgeholpen kunnen worden. Het heeft echter niet zo mogen zijn. En zo mondde een strubbeling tussen een minister-president en een journaliste uit in een procedure over vrijheid van meningsuiting, persvrijheid, informatieplicht van de overheid en nog veel meer. Gezien het feit dat partijen elkaar kennelijk over en weer niet erg zien zitten, zouden zij beiden troost kunnen putten uit de woorden van één van de grote rechters van het Amerikaanse Hooggerechtshof, Felix Frankfurter: «It is a fair summary of history to say that the safeguards of liberty have frequently been forged in cases involving not very nice people.» Het is niet aan het Gerecht om te oordelen over de vraag of partijen al dan niet «very nice» zijn, maar «the safeguards of liberty» zullen in ieder geval uitgebreid aan de orde komen.

Wat is er nu eigenlijk gebeurd? Op vrijdagmiddag, 9 januari 2004, heeft de minister-president, mevrouw Mirna Louisa-Godett, in het Fort Amsterdam een persconferentie gegeven waarvoor, zoals gebruikelijk, alle op Curaçao gevestigde nieuwsmedia, waaronder de krant Amigoe, waren uitgenodigd. Amigoe-journaliste Nederlof was aanwezig bij deze persconferentie. Vast staat (de persconferentie werd nog diezelfde avond op de televisie uitgezonden) dat de minister-president tijdens de onderhavige persconferentie, met nauwelijks verholen verontwaardiging, melding heeft gemaakt van een brief van de Nederlandse minister van Justitie, mr. P.H. Donner, aan de Curaçaose luchtvaartmaatschappij DCA, waaruit zou blijken dat Donner DCA verboden had bepaalde gegevens door te geven aan de Antilliaanse regering. De litigieuze brief werd na afloop van de persconferentie, zo begrijpt het Gerecht, door de minister-president persoonlijk gefotokopieerd en uitgedeeld aan de (nog) aanwezige journalisten. Ook Nederlof ontving een kopie. Bij (nauwkeurige) lezing van deze brief blijkt duidelijk dat de minister-president een, nogal ernstige, vergissing heeft begaan: in die brief staat namelijk dat het DCA niet is toegestaan de daarin bedoelde gegevens over te dragen aan, onder andere, haar Antilliaanse vestiging, hetgeen — dat hoeft geen betoog — iets geheel anders is dan de Antilliaanse regering. Vast staat dat Nederlof de minister-president met dit feit heeft geconfronteerd. Vast staat ook dat dit de minister-president in het verkeerde keelgat schoot en dat er vervolgens tussen beide dames een handgemeen is ontstaan, waarbij de minister- president de fotokopie, welke zij kort daarvoor aan Nederlof had overhandigd, tevergeefs uit de handen van de kennelijk terecht als vasthoudend bekend staande Nederlof trachtte te trekken. Verder werd door de minister-president verbaal gereageerd met «echt Amigoe-style» (of woorden van die strekking) en door Nederlof met «echt FOL-style» (of woorden van die strekking). Het incident werd afgesloten met de mededeling van de minister-president aan Nederlof dat zij niet meer welkom was op haar persconferenties. […]

Amigoe en Nederlof beschouwen het toegangsverbod van Nederlof als een ongeoorloofde inmenging van het openbaar gezag (het Land) in de vrije en onafhankelijke nieuwsgaring, als fundamenteel onderdeel van de vrijheid van meningsuiting. Deze vrijheid kan weliswaar beperkt worden, zo erkennen ook Amigoe en Nederlof, doch deze beperking (in casu het toegangsverbod) zal dan wel voorzien moeten zijn bij wet, deze zal geboden moeten zijn door een «pressing social need» en voorts moeten voldoen aan het vereiste van de proportionaliteit. Amigoe en Nederlof voeren aan dat het gewraakte toegangsverbod aan geen van deze eisen voldoet. Zij betogen verder dat Nederlof zich nimmer «onbeschoft» of op andere wijze ontoelaatbaar heeft gedragen of uitgelaten jegens de minister-president, doch dat zij niet meer heeft gedaan dan de minister-president, wellicht soms op indringende en confronterende wijze, kritische vragen te stellen. Amigoe en Nederlof willen aannemen dat deze vragen de minister-president soms zwaar op de maag vallen, doch menen dat zij daar, kort gezegd, tegen moet kunnen, nu een persoon die een publieke functie vervult kan verwachten aan fellere kritiek te worden bloot gesteld dan een privé-persoon. […]

Het Land heeft zich op alle mogelijke wijzen verweerd. Zo acht het Land Amigoe niet ontvankelijk omdat haar de toegang tot de persconferenties van de minister-president uitdrukkelijk niet is ontzegd. Alleen Nederlof is de toegang ontzegd, doch ook haar acht het Land niet ontvankelijk omdat zij een orgaan van de Amigoe zou zijn en als zodanig slechts een afgeleid — en dus geen eigen — recht zou hebben om op de persconferenties aanwezig te zijn. Tenslotte hebben Amigoe en Nederlof geen belang bij hun vordering, aldus het Land, omdat het mevrouw Louisa-Godett in persoon zou zijn en niet mevrouw Louisa-Godett als minister-president die bepaalt wie op haar persconferenties worden toegelaten, zodat het Land niet kan bewerkstelligen dat mevrouw Louisa-Godett zich ook aan een eventuele veroordeling zal houden.

Ten gronde voert het Land aan dat de vordering van Amigoe en Nederlof veel te ruim is en bovendien een wettelijke basis ontbeert. In de eerste plaats zou over het hoofd worden gezien dat persconferenties van de minister-president geen open bare aangelegenheden zijn. Het is derhalve haar prerogatief wie zij op haar pers conferenties uitnodigt. Tot nu toe worden alle officiële nieuwsmedia op Curaçao uitgenodigd, maar dat is, zo begrijpt het Gerecht het betoog van het Land, geen wet van Meden en Perzen. […]

Los van het vorenstaande, zo meent het Land, komt ook aan de regering het recht van vrije meningsuiting toe en kan zij zelf bepalen hoe zij haar mening verspreidt. Dit behoeft niet (altijd) een voor alle media toegankelijke persconferentie te zijn. Gave toewijzing van deze vordering zou ervoor zorgen dat, zo begrijpt het Gerecht de stellingen, de minister-president niet meer baas in eigen huis is en jegens Amigoe en Nederlof tot meer gehouden zou zijn dan jegens anderen.

Het belang van een vrije en onafhankelijke pers in een democratische samenleving kan niet genoeg worden benadrukt. Democratie houdt immers niet op nadat de burger, eens in de zoveel tijd, zijn stem heeft uitgebracht. Dan begint het pas. Een vrije en democratische samenleving kan niet bestaan, kan niet opbloeien en kan niet in leven blijven zonder eerbiediging van de fundamentele vrijheden van meningsuiting en pers, zonder eerbiediging van de rechten van minderheden (waaronder de politieke oppositie) en zonder een onafhankelijke rechterlijke macht.

Dat zijn geen achterhaalde uitvindingen uit lang vervlogen tijden of uit vreemde culturen. Het zijn de elementen, welke noodzakelijk zijn om hier en nu (en morgen) in vrijheid en met wederzijds respect te kunnen leven in een land waarop al zijn burgers trots kunnen zijn. Het land de Nederlandse Antillen is zo’n land en het moet ook zo’n land blijven. Ook al liggen er zo nu en dan — de laatste tijd wellicht zelfs wel meer dan anders — constitutionele bananenschillen op de weg naar de toekomst, waarover men kan uitglijden, een bananenrepubliek zijn we niet en dat moet ook zo blijven. Vandaar dat in deze zaak de puntjes op de i moeten worden gezet.

Dit alles geldt temeer als ooit — er wordt in het voor onder door sommigen hoopvol over gefluisterd — het Schip van de Nederlands Antilliaanse of Curaçaose Staat zijn ankers zou lichten om het beschutte, zij het soms wat roerige, binnenwater van het Koninkrijk te verlaten en zich op die immense, zo betoverende doch ook zo verraderlijke, zee der onafhankelijkheid te begeven. Dan toch zal het Schip zeewaardig moeten zijn, deugdelijk geconstrueerd en uitgerust, en geleid door goed opgeleide en betrouwbare stuurlieden, die, afgaande op de fonkelende sterren van recht en wet, in de duisternis van de Grote Wereld een veilige koers weten te bepalen. Dan zal er ook een «government of laws, not men» moeten zijn, al was het maar uit het besef dat vandaag deze en morgen gene partij aan het bewind is. Machthebbers, politieke gezagsdragers dienen zich dan ook steeds voor te houden dat zij op elk moment weer in de oppositie terecht kunnen komen en dat zij dan de rechten, waarvan het nu opportuun lijkt om die in te perken, weer hard nodig kunnen hebben. Dat besef maakt bescheiden en bescheidenheid siert de mens.

De «fonkelende sterren», waarop in het onderhavige geval de juridische sextant gericht moet worden, zijn artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 10 EVRM (het Verdrag van Rome) en artikel 19 IVBPR (het Verdrag van New York). […]

Het Land heeft niet ontkend dat de hier beschreven vrijheid van meningsuiting en persvrijheid deel uitmaken van het recht hier te lande. Het Land meent echter dat het recht van vrije nieuwsgaring, dat aan een ieder toekomt, doch met name voor de pers van belang is, voor de overheid nog geen plicht met zich brengt om de pers ook voortdurend van informatie te voorzien en al helemaal niet dat dit middels een, voor alle nieuwsmedia en journalisten opengestelde, persconferentie dient te geschieden.

Het Gerecht is van oordeel dat dit standpunt niet juist is. De uitspraken welke het Land ter ondersteuning van zijn standpunt aanvoert betreffen een algemene plicht tot informatieverschaffing, welke ook voor de ene burger jegens de andere zou gelden en die zelfs zou moeten meebrengen dat auteursrechtelijk beschermde informatie, zonder vergoeding, aan derden zou moeten worden verschaft of dat door de voetbalbond georganiseerde wedstrijden (gratis) direct zouden kunnen worden uitgezonden. Een dergelijke verstrekkende plicht tot informatieverschaffing is inderdaad nooit aangenomen. Hier gaat het echter om informatieverschaffing door de overheid aan de burgers. […]

Hoewel het strikt genomen niet noodzakelijk is dat bovenbedoelde informatieverstrekking tijdens een pers conferentie plaatsvindt, is er in het huidige tijdgewricht nauwelijks een beter alternatief te vinden. De regering zou uiteraard met wekelijkse, aan alle media toe te zenden perscommuniqués kunnen werken, doch zulks kan heden ten dage eigenlijk niet als een genoegzame vorm van informatieverschaffing worden gezien, zeker niet als dit de enige manier zou zijn waarop de regering met de media communiceert. Persconferenties zijn daarom, naar het zich laat aanzien, onontkoombaar. En zodra (een lid van) de regering zo’n persconferentie houdt, zal hij of zij daartoe in principe alle nieuwsmedia moeten uitnodigen. Het standpunt dat een boom zo volbeladen (met nieuwsmedia), één, twee pruimpjes (zo men wil: zuurpruimpjes) niet zal missen, is onjuist. Het recht op vrije informatie vereist immers pluriformiteit in informatieverschaffing en deze moet dan ook door de overheid gewaarborgd worden. Zowel de Europese Commissie als het Europese Hof hebben dit meermalen uitgesproken. […]

Persconferenties zijn bij uitstek geschikt om het nieuws heet van de naald en «from the horse’s mouth» te vernemen. Omdat daarbij meestal de mogelijkheid bestaat om vragen te stellen kan de informatieverschaffing ook zo nauwkeurig mogelijk zijn (zoals ook in dit geval maar weer gebleken is). Persconferenties zijn, zoals uit het vorenstaande moge volgen, geen gunsten welke al dan niet door de autoriteiten kunnen worden verleend. De informatie die daarbij wordt onthuld is niet het eigendom van die autoriteiten, waarover zij naar believen kunnen beschikken. Die informatie en de denkbeelden welke daarover door de autoriteiten zijn ontwikkeld, behoren niet aan die autoriteiten toe, doch aan de burgers, voor wie zij geacht worden te werken. Er kan derhalve geen sprake van zijn dat het verschaffen van die informatie afhankelijk zou zijn van «the whim of authorities». […]

Is het recht van Amigoe op vrije meningsuiting en nieuwsgaring door de beslissing van de minister-president ontoelaatbaar beperkt, nu laatstgenoemde uitdrukkelijk heeft bepaald dat het toegangsverbod (voorshands) niet voor Amigoe geldt, doch slechts voor haar journaliste Nederlof? Naar dezerzijds oordeel lijdt het geen twijfel dat hier van een in beginsel ontoelaatbare inperking sprake is. Immers, waar de uitnodiging aan Amigoe is gericht, is het in beginsel aan haar om te bepalen welke van haar journalisten zij naar de persconferentie stuurt. Door de gewraakte maatregel wordt Amigoe onmiskenbaar in die vrijheid beknot. De wijze waarop het Land vervolgens tot de conclusie komt dat (in zijn visie: ook) Nederlof geen belang heeft bij het gevorderde is een prachtig sofisme, dat uiteraard tot mislukken gedoemd is. Nederlof is natuurlijk geen «orgaan» van Amigoe, doch een werkneemster. […]

Zelfs indien zou worden uitgegaan van de versie, welke de minister-president van de gebeurtenissen op 9 januari 2004 heeft gegeven, kan tot geen andere conclusie worden gekomen dan dat Amigoe en Nederlof door het toegangs verbod op onrechtmatige wijze in hun rechten zijn aan getast. Dat Nederlof zich al eerder en diverse malen arrogant en onbeschoft zou hebben gedragen jegens de minister-president wordt door geen enkel feit gestaafd. Vast staat wel dat de minister-president zich nimmer over dit gedrag heeft beklaagd, noch tegenover Nederlof, noch tegenover Amigoe. Dat de minister-president zich gebruuskeerd voelde door de indringende en confronterende wijze waarop zij mogelijk door Nederlof zal zijn bejegend, kan het Gerecht zich heel wel voorstellen, doch dit zijn zaken waar een publieke figuur als de minister-president tegen moet kunnen. Journalisten mogen, binnen zekere grenzen, overdrijven of zelfs provoceren. Niet voor niets wordt de pers wel de horzel of de luis in de pels van de macht genoemd, een beeldspraak die menig geplaagde autoriteit en wellicht ook de minister-president uit het hart gegrepen zal zijn. Daarmee wordt overigens bedoeld dat de pers niet alles wat de autoriteiten zeggen voor zoete koek moet nemen, doch dat zij daarentegen lastig (kritisch) moet zijn, teneinde te bewerkstelligen dat die autoriteiten niet zomaar wat zeggen of inslapen. […]

Ziedaar, de pers als waakhond, als «eyes and ears of the public», als Koningin der Aarde. Natuurlijk zijn er ook grenzen aan deze grote vrijheid van de pers. De talrijke rechtszaken, welke ook hier te lande over dit onderwerp zijn gevoerd en die regelmatig op rectificaties en soms op schadevergoeding uitliepen, bewijzen dat. Zoals dit Gerecht al eens in een zaak van de (toenmalige) partij combinatie fol/si tegen de Ultimo Noticia, die eerst genoemde bij voortduring aanduidde met de karikaturale naam chol/si, heeft overwogen: de persvrijheid mag niet ontaarden in pestvrijheid. Daarvan is in dit geval echter geen sprake.

Moet de minister-president zich dan maar alles laten welgevallen? Dat kan natuurlijk ook niet de bedoeling zijn. Anders dan in het Moederland aan gene zijde van de oceaan, worden bepaalde omgangsvormen tussen journalisten en autoriteiten hier te lande nog steeds in ere gehouden en natuurlijk kunnen er op dat punt enige eisen worden gesteld. Die eisen mogen echter nimmer zover gaan dat de journalisten daardoor in hun taak van kritisch volgen van en lastig zijn voor gezagsdragers wezenlijk worden gehinderd.

Het Gerecht komt tot een afronding. Voor het opgelegde toegangsverbod is geen wettelijke grondslag. Reeds daarmee valt het doek. Voorts kan hier niet gesproken worden over een maatregel die in een democratische samenleving noodzakelijk moet worden geacht, ook niet ter bescherming van de goede naam van de minister-president. Voorzover die goede naam is aangetast, is dit niet zozeer door het gedrag van Nederlof, maar, helaas, door dat van de minister- president zelf geschied. […] De maatregel van de minister-president zal dus moeten worden teruggedraaid. […]

Gevorderd is om aan een veroordeling van het Land dwangsommen te verbinden. Dat zou, mede gezien de bedenkelijke ontwikkelingen van de laatste tijd (die regelrecht op de dictatuur zouden afsteven) nodig zijn, temeer ook daar de gemachtigde van het Land heeft gesuggereerd dat de minister-president zich als privé-persoon mogelijk niet zou behoeven te storen aan een veroordeling van het Land. Het Gerecht is evenwel voorshands van oordeel dat dwangsommen niet nodig zijn, nu het Gerecht geen reden heeft om aan te nemen dat de minister-president, die orgaan is van het Land en ook alleen als zodanig de persconferenties geeft, zich niet aan een bevel van het Gerecht zou houden. De bottom line is deze: het Gerecht constateert dat de minister-president een menselijke fout heeft gemaakt en dat zij niet erg handig is geweest in het herstellen van die fout. Het Gerecht ziet thans geen reden om daar meer achter te zoeken. Hoewel het te geven bevel onvermijdelijk een zekere vaagheid heeft, heeft de minister-president geen juristen nodig om aan het bevel te voldoen; zij kan hoogstens juristen nodig hebben om zich onder dat bevel uit te wurmen, doch het Gerecht vertrouwt erop dat dat niet zal gebeuren. De minister-president zal het bevel van dit Gerecht naar de letter en vooral ook naar de geest («cabalmente») uitvoeren, al was het maar omdat dat haar constitutionele plicht is.

Het Gerecht moge in dit verband wijzen op het voorbeeldige optreden van die grote staatsman uit Zuid-Afrika: Nelson Mandela. Toen deze nog maar net president was, werd een presidentiële proclamatie waaraan hij erg gehecht was, door het Constitutionele Hof als ongrondwettelijk opzij gezet. Binnen enkele uren belegde Mandela een persconferentie en terwijl de natie de adem inhield, verklaarde de president dat «while disappointed at the ruling, he accepted it unhesitatingly and would impliment it at once». In The Sunday Times van 30 april 2000 lezen wij: «Explaining the former President’s exemplary conduct, Judge Kriegler (toen nog lid van het Constitutionele Hof) commented that Mandela had learnt the hard way that the rule of law and freedom were inseparable, and he urged his audience to ensure that this lesson never needed to be learnt again.»

Meer hoeft er niet gezegd te worden.