JOHAN SNEL, RECHT VAN SPREKEN: HET GELOOF IN DE VRIJHEID VAN MENINGSUITING

Het recht om te kwetsen

Johan Snel, Recht van spreken, € 11,90

Anno 2011 wordt in Nederland de vrijheid van meningsuiting door velen gezien als het belangrijkste grondrecht, misschien wel als onze belangrijkste ‘kernwaarde’, als het 'hoogste goed’ van de westerse, verlichte samenleving. En die vrijheid wordt bovendien in toenemende mate bedreigd, vooral door mensen die religieus zijn, en dan weer in het bijzonder door moslims. Er is sprake van een strijd tussen botsende waarden, tussen verschillende culturen, en de scheidslijn loopt via de vrijheid van meningsuiting. 'Zij’ zijn ertegen, 'wij’ zijn ervoor. De frontlinie tussen 'vriend’ en 'vijand’, om de Duitse politiek filosoof Carl Schmitt maar eens aan te halen, is overduidelijk gemarkeerd. Het is onze traditie van vrijheid versus hun traditie van onvrijheid.
Deze opvatting wordt tegenwoordig zo vaak en met zoveel vuur verwoord, dat je het bijna zou gaan geloven. En het klinkt natuurlijk ook heel aantrekkelijk, dat zoiets moois als de vrijheid van meningsuiting kenmerkend is voor ónze samenleving. Maar zoals zo vaak met mooie verhalen blijkt ook hier de werkelijkheid toch wat complexer te zijn. Want waar hebben we het eigenlijk over als we spreken over de vrijheid van meningsuiting?
In Recht van spreken analyseert historicus Johan Snel hoe in het afgelopen decennium 'vrijheid van meningsuiting’ zich ontwikkelde van een begrip dat vrijwel uitsluitend door juristen werd gehanteerd tot een sacrale waarde waarin mensen kennelijk kunnen 'geloven’. Snel wijst erop dat na 11 september 2001 vrijwel niemand die aanslagen zag als een aanval op de vrijheid van meningsuiting. Als het begrip al werd gebruikt, dan was het om aan te geven dat deze vrijheid in de islamitische wereld zeer beperkt is, zodat we niet weten wat moslims eigenlijk denken. Na de opkomst van en de moord op Pim Fortuyn begon het begrip een grotere rol in het debat te spelen, om vooral na de moord op Theo van Gogh in het centrum van het publieke debat te belanden. Opmerkelijk genoeg was het op 2 november 2004 trouwens kardinaal Simonis die de moord typeerde als een aanslag op de vrijheid van meningsuiting.
Sindsdien onderging het begrip een radicale gedaantewisseling. De afgelopen vijf jaar is vrijheid van meningsuiting voor velen synoniem geworden met religiekritiek en met het recht om te kwetsen. Het spotten met iemands religieuze overtuiging, het tot op het bot beledigen van mensen, is ineens een onvervreemdbaar grondrecht geworden, een verworvenheid van de Verlichting die wij te vuur en te zwaard dienen te verdedigen. En dit grondrecht is, samen met andere grondrechten, vastgelegd in onze grondwet, die de afgelopen jaren eveneens een steeds prominentere rol is gaan spelen. Zo wordt sinds 2006 van nieuwe staatsburgers verlangd dat ze trouw beloven aan de Nederlandse grondwet.
Terecht wijst Snel erop dat dit een hoogst merkwaardige ontwikkeling is. De grondwet is immers het huishoudelijk reglement van de staat, en de grondrechten geven aan hoe de overheid zich tegenover haar burgers dient te gedragen. Artikel 1 geeft aan dat de overheid burgers niet mag discrimineren en artikel 7 stelt dat preventieve censuur verboden is. Het gaat hier duidelijk om een verticale relatie, tussen overheid en burgers, en niet om een relatie tussen burgers onderling. In de discussie over de vrijheid van meningsuiting zoals die de afgelopen jaren gevoerd wordt, domineert echter een horizontale interpretatie van dit grondrecht. Zij die de vrijheid van meningsuiting zien als het 'hoogste goed’ van onze samenleving, denken dat dit grondrecht hun de vrijheid geeft om medeburgers de maat te nemen, te bekritiseren en te kwetsen. En zij vinden het dan ook heel normaal dat nieuwe landgenoten trouw moeten beloven aan de gedragsregels van de staat.
Het gevolg van deze omkering van begrippen is dat een grondrecht als de vrijheid van meningsuiting, dat bedoeld was om de burger te vrijwaren van willekeur en bemoeizucht van de staat, ineens is veranderd in een plicht om zich aan te passen aan de normen van de Nederlandse samenleving. In Nederland vinden we inmiddels dat we alles tegen iedereen moeten kunnen zeggen, dat we de ander mogen kwetsen door de spot te drijven met wat voor hem dierbaar of heilig is, en dat iedereen daar maar tegen moet kunnen. Terwijl de oorspronkelijke liberale grondrechten waren bedoeld om minderheden te beschermen tegen wat Tocqueville 'de dictatuur van de meerderheid’ noemde, worden ze nu ingezet om de meerderheidscultuur dwingend op te leggen.
De verdienste van dit heldere en dwarse boekje is dat het op overtuigende wijze laat zien dat in het actuele debat over de vrijheid van meningsuiting verschillende waarden met elkaar botsen en dat de vrijheid van godsdienst hierdoor flink in het gedrang dreigt te komen. Ook maakt Snel duidelijk dat het secularisme geen neutrale positie is, maar een scherp omlijnde ideologie met sterk religieuze, en dus inherent intolerante trekjes. Als de grondrechten worden gebruikt om de moraal van de meerderheid op te leggen aan minderheden, kun je natuurlijk wel volhouden dat dit 'democratisch’ is, maar dan vergeet je dat de rechtsstaat nu juist bedoeld is om minderheden, en het individu, te beschermen tegen de dictatuur van de meerderheid. Dan geldt louter nog het recht van de sterkste.

JOHAN SNEL
RECHT VAN SPREKEN: HET GELOOF IN DE VRIJHEID VAN MENINGSUITING
Boekencentrum, 112 blz., € 11,90