Essay John Stuart Mill en de vrijheid van meningsuiting

Het recht om te twijfelen

Wilders wil de Koran verbieden. Balkenende wilde Fitna tegenhouden. Beiden zeggen: hier stopt de vrijheid van meningsuiting. Maar, zoals John Stuart Mill schreef in On Liberty: wie zijn eigen waarden aanvoert als grenzen van het discours reduceert de vrijheid van meningsuiting tot nul.

DE GESCHIEDENIS van het denken kan worden beschouwd als één lange en vergeefse zoektocht naar het antwoord op de vraag: wat is goed en kwaad? De koppige volhardendheid waarmee de mens de zoektocht naar dat antwoord voortzet, hoeft geen verbazing te wekken: zijn vrijheid hangt er namelijk van af. Om vrij te zijn, en niet lethargisch, moet een mens immers een doel hebben waartoe hij zijn vrijheid kan aanwenden. En voor zo’n doel is een conceptie van goed en kwaad noodzakelijk – een idee van wat nastrevenswaardig of juist verwerpelijk is om te doen. Goed en kwaad zijn, met andere woorden, de grenzen van vrijheid die haar betekenis geven; zonder deze grenzen zou vrijheid geen vrijheid, maar doelloosheid zijn.
Vreemd is het dus niet dat ook John Stuart Mill in Over vrijheid (1859) op zoek gaat naar die grenzen; naar dat ‘enkel zeer eenvoudige principe’ op grond waarvan kan worden bepaald waar de vrijheid van het individu begint en ophoudt en welke ‘het ingrijpen van de samenleving in de vorm van dwang en toezicht (…) zonder uitzondering kan regelen’. Nu had Mill zich al vroeg voorstander verklaard van dat curieuze utilitarisme van zijn vader, dat voorschrijft dat onder ‘goed’ moet worden verstaan wat het ‘maximale nut voor het grootste aantal mensen’ heeft. Een hopeloos ontoereikend moreel fundament natuurlijk, omdat het veronderstelt wat het poogt te definiëren: wat moet immers worden verstaan onder ‘nut’? Daarvoor is een conceptie van het goede vereist. En ook het beroemde schadebeginsel, zoals geformuleerd in Over vrijheid, lijdt aan precies diezelfde circulaire tekortkoming. Dat ‘de enige reden waarom men rechtmatig macht kan uitoefenen over enig lid van de beschaafde samenleving, tegen zijn zin, de zorg is dat anderen geen schade wordt toegebracht’ zegt ons immers nog helemaal niets over wat onder ‘schade’ moet worden verstaan. Daarvoor is eerst een conceptie van het kwaad noodzakelijk.
In zowel de definitie van goed als van kwaad mag de filosofie van Mill dus als schromelijk mislukt worden beschouwd. Onder ‘nut’ en ‘schade’ kan eigenlijk alles worden geschaard wat men maar wil: berokkent iemand schade aan een ander als hij zélf geen autogordel draagt? Nee, zou je zeggen, tenzij men de verhoogde kans op ernstig letsel, en daarmee op hogere zorgkosten, in de schadecalculatie meerekent. Dan lijdt iedere premiebetaler mee via zijn portemonnee. Is het dus nuttig om een autogordel te dragen? Ja, zou je zeggen, tenzij men de duizenden verkeersdoden per jaar die ermee worden voorkomen juist weer als probleem beschouwt; wat is immers een grotere bedreiging van de vrede op aarde dan de bevolkingsgroei? En dan is de vraag op haar beurt weer: is vrede nuttig of juist niet? De wapenindustrie zal daar anders over denken dan Amnesty International.

DEZE LIJST van mitsen en maren kan oneindig worden aangevuld. Dat ligt niet zozeer aan de moraalfilosofie van Mill als wel aan de moraalfilosofie zelf. Want, zoals de filosoof Herman Philipse ooit terecht heeft opgemerkt: ‘Ieder moreel funderingsmodel is gedoemd te mislukken.’ Goed en kwaad zijn niet te definiëren, omdat het intrinsiek circulaire begrippen zijn. Ze zijn de grond waarop de mens zijn doelen stelt, maar kunnen tegelijkertijd niet worden begrepen zonder een doel te hebben. Of, anders gezegd: wat onder goed en kwaad moet worden verstaan, hangt af van wat men beoogt, maar wat men beoogt, hangt af van wat men onder goed en kwaad verstaat. Kortom, dat ‘enkel zeer eenvoudige principe’ op grond waarvan Mill de grenzen van vrijheid hoopte te kunnen bepalen, kan zelf niet worden vastgesteld.
De waarde van Over vrijheid schuilt dus ook niet in het utilitarisme dat het predikt, of het schadebeginsel dat het wereldwijd zo beroemd heeft gemaakt; als morele fundamenten voldoen zij gewoonweg niet. Maar het lijkt wel alsof Mill zich van die filosofische tekortkoming bewust was. Want nog voordat hij zijn morele wereldbeeld uiteenzet om tot een definitieve conceptie van vrijheid te komen, schrijft Mill in het eerste hoofdstuk ‘Over de vrijheid van denken en spreken’: ‘Als mijn betoog enige waarde heeft, dan moet de volste vrijheid bestaan om, als punt van ethische overtuiging, elke leerstelling te belijden en te bespreken, hoe immoreel men die ook mag vinden.’ In deze vaak onopgemerkte bijzin – het betreft een noot – openbaart zich het meest waardevolle filosofische inzicht dat Mill ons in Over vrijheid biedt, namelijk dat aan ons begrip van vrijheid eerst nog een vrijheid vooraf gaat: de vrijheid van meningsuiting.
Want, zoals ‘vrijheid’ een conceptie van goed en kwaad veronderstelt, zo is voor een conceptie van goed en kwaad het domein van vrije expressie noodzakelijk. De mens wordt namelijk niet met een wereldbeeld geboren; om een idee van goed en kwaad te hebben en met anderen te delen, is dus een discours vereist – een ‘wereld der ideeën’. Daarom stelt Mill dat zijn betoog pas waarde heeft wanneer de vrijheid om te denken en te spreken reeds verondersteld is: die vrijheid produceert namelijk de waarden waarmee we goed en kwaad van elkaar onderscheiden. Het is dus geen toeval dat de vrije expressie de eerste vrijheid is die Mill in zijn boek aan de orde stelt. Zij is namelijk – letterlijk – de meest fundamentele vrijheid; zonder die vrijheid zou de mens geen wereldbeeld hebben op grond waarvan hij de vrijheid betekenis geeft.
Dat elke leerstelling, hoe immoreel ook, ter discussie moet kunnen worden gesteld, is dan ook geen toevallige voorkeur van een liberaal die nu eenmaal waarde aan vrijheid hecht. Nee, het is de noodzakelijke consequentie van het soort vrijheid dat de vrije meningsuiting is. De core rationale van meningsvrijheid is immers het waarborgen van een vrij en open debat over goed en kwaad. Het doel daarvan is niet om uiteindelijk vast te stellen wat de ware aard van goed en kwaad werkelijk is; integendeel, meningsvrijheid dient er, als principe, juist toe nooit tot die vaststelling te komen. Want, als de vrije expressie een voorwaarde is voor het hebben van een conceptie van goed en kwaad kan diezelfde conceptie van goed en kwaad nooit tegelijkertijd de grenzen vormen van de vrije expressie. De vrijheid van meningsuiting is, kortom, een absolute vrijheid: ze vereist grenzen, gebaseerd op een bepaalde moraal, maar verwerpt zelf, als principe, de vaststelling van die grenzen. Immers: als de mens een morele waarheid tot zijn beschikking zou hebben, waarom zou hij dan nog langer goed en kwaad bediscussiëren?

DE VRAAG ‘mag je dat zeggen?’ werpt daarom niets méér op dan een oeverloze discussie. Meningsvrijheid is een principe dat de vaststelling van de eigen grenzen ondermijnt. Het mag dan ook geen verrassing heten dat Mill er zelfs zijn eigen utilitarisme ondergeschikt aan maakt. Want, zegt hij, ‘ook het nut van een opvatting is een kwestie van opvatting; even betwistbaar, even vatbaar voor twijfel en evenzeer discussie vereisend als de opvatting zelf’. Met andere woorden, om te weten of iets nuttig en goed is, of juist kwaad en schadelijk, is het vrije woord vereist. Je zou de vrije expressie in die zin een politieke variant van een kantiaanse ‘categorie’ kunnen noemen, die net als tijd en ruimte een voorwaarde voor ervaren en begrijpen is. Want, zegt Mill: ‘Men moet erover spreken om te weten hoe de ervaring moet worden uitgelegd.’ Dus, luidt de logische conclusie, ‘kunnen [wij] er nooit zeker van zijn dat een mening die wij trachten te onderdrukken onjuist is; en zelfs áls wij er zeker van waren, zou het nog heilloos zijn om haar het zwijgen op te leggen’.
Mill heeft ons hiermee wel in een volstrekt paradoxale situatie gebracht. Want als de vrijheid van meningsuiting de grenzen verwerpt die ze nodig heeft om een vrijheid te kunnen zijn, is zij niet alleen een absolute, maar ook een onmogelijke vrijheid. Door het oneindig opschorten van een morele waarheid ondermijnt de vrije expressie immers voortdurend haar eigen verwezenlijking. Nooit kunnen we stellen: ‘Dit is de vrijheid van meningsuiting’ – hier begint zij en hier houdt ze op. Wie zijn eigen morele waarden aanvoert als grenzen van het discours reduceert de vrijheid van meningsuiting automatisch tot nul.
Deze paradox kwam het duidelijkst tot uiting in het in 2007 door Geert Wilders geschreven pleidooi voor een verbod op de Koran. De reden dat een dergelijk verbod tot mislukken is gedoemd, is precies dezelfde reden waarom Wilders het pleidooi mocht houden, namelijk het recht om bepaalde waarden voor te staan en te uiten. Die waarden kunnen derhalve nooit gebruikt worden om andersoortige waarden van het discours te weren: dat argument zou als een filosofische boemerang op zichzelf terugkaatsen. Een moslim zou dan op grond van zijn waarden óók Geert Wilders het zwijgen kunnen opleggen. Mill stelt daarom vast dat de vrije expressie betekent dat niemand het recht heeft een ander het woord te ontnemen op grond van zijn morele opvatting, zelfs niet als die opvatting alom gedeeld wordt: ‘Als de gehele mensheid met één uitzondering dezelfde mening had, terwijl die ene persoon een tegengestelde opvatting koesterde, dan zou de mensheid even weinig recht hebben om die ene persoon tot zwijgen te brengen als hij zou hebben, indien hij de macht had, om de mensheid het zwijgen op te leggen.’
Politici lijken zich hier zelden van bewust, zelfs in het vrije Nederland. Doorlopend proberen zij anderen de vrijheid van spreken te ontnemen op grond van hún toevallige opvattingen – daarbij verwijzend naar de ogenschijnlijke evidentie van hun leerstellingen (‘het mag duidelijk zijn dat de holocaust ontkennen niet kan’) of naar de zogenaamde consensus die erover heerst (‘iedereen vindt seks met minderjarigen verwerpelijk’). Het CDA mag zich hierin de ongekroonde kampioen noemen, met zijn pogingen om de strafbaarstelling van godslastering aan te scherpen (vlak na de moord op Theo van Gogh en de verschijning van Wilders’ film Fitna), zijn oproep om twee programma’s van BNN te annuleren (Spuiten en slikken en De grote donorshow) en zijn steun voor het verbod van een politieke partij (de Partij voor Naastenliefde, Vrijheid en Diversiteit, beter bekend als de ‘pedopartij’).
Vooral CDA-leider Balkenende lijkt de essentie van het vrije woord, ondanks de lippendienst die hij het vrije woord dikwijls bewijst, nooit echt te hebben doorgrond. Zo stelde de premier dat Geert Wilders ‘zijn verantwoordelijkheid’ moest nemen door Fitna niet uit te brengen; een teken dat hij kennelijk niet begreep – of wilde begrijpen – dat Wilders met zijn film juist ter discussie stelt wat onder ‘verantwoordelijkheid nemen’ eigenlijk moet worden verstaan. De boodschap van Fitna was immers: de huidige politieke elite neemt haar verantwoordelijkheid niet door de islam te laten wortelen in onze maatschappij. Over wie gelijk heeft, valt te twisten – daar is het politieke debat voor uitgevonden. Dat Wilders nu vervolgd wordt voor zijn film is in potentie dan ook levensbedreigend voor dat debat: de rechter wordt nu min of meer gedwongen aan te wijzen wiens opvatting van verantwoordelijkheid de ‘ware’ of ‘meest nastrevenswaardige’ is. In een democratie is dat niet aan een rechter om te bepalen; daar hebben we iedere vier jaar verkiezingen voor.
Vrijheid van meningsuiting, zo leert Mill ons, is dus niet alleen het recht om een waarheid of wereldbeeld voor te staan en te uiten, maar bovenal het recht om waarheden en wereldbeelden ter discussie te stellen. Ze is, kortom, het recht om te twijfelen. Want, zegt Mill, ‘er bestaat het grootste verschil tussen de veronderstelling dat een mening juist is, omdat zij nooit is weerlegd, en de constatering dat zij waar is met de bedoeling om niet toe te staan dat men haar weerlegt’. Wie dus een mening uit het discours wil verwijderen, om daarmee een ander het recht te ontnemen die mening – of de opvatting die ze juist bestrijdt – in twijfel te trekken, stelt in feite zijn eigen zekerheid gelijk aan absolute zekerheid, met de goddelijke pretentie namens de gemeenschap, of zelfs de gehele mensheid, uit te kunnen maken welk wereldbeeld het juiste is en welk niet. ‘Elk stilleggen van een discussie is een aanmatiging van onfeilbaarheid’, concludeert Mill – en laten we slechts deze opvatting daarbij als zelfevident beschouwen: de mens is per definitie feilbaar.

KENT HET VRIJE WOORD dan helemaal geen grenzen? Afgaande op het vorige zou men geneigd zijn te concluderen van niet. Maar dat zou een onjuiste conclusie zijn. Want juist in het oneindige voortgaan van die discussie schuilt ook impliciet de grens die aan de vrijheid van meningsuiting kan worden gesteld. Alom bekend is dat Mill zelf wel degelijk een grens aan het vrije woord formuleert, in het beroemde voorbeeld van de graanhandelaar die zijn pakhuis bedreigd ziet door een woedende menigte. Die menigte aansporen de graanhandelaar of zijn bezittingen aan te vallen, zou zeker strafbaar moeten zijn, zegt Mill; opruiing of bedreiging valt dus niet onder de vrijheid van meningsuiting. Maar de neiging bestaat dit voorbeeld te letterlijk en bovenal te ruim te nemen.
Want Mill stelt niet voor niets dat beschuldigingen tegen de graanhandelaar in de krant zeker niet verboden zouden mogen worden, ook niet als het mogelijke gevolg is dat de bevolking zich tegen hem keert. Daar is een goede reden voor: zou dat niet worden toegestaan, dan zou dreigen met geweld immers lonen. Men zou dan slechts hoeven beweren door iemand te zijn ‘opgeruid’ om hem het zwijgen op te laten leggen. Mills voorbeeld moet dan ook vooral zo worden begrepen: de vrijheid van meningsuiting is haar eigen grens – ze ligt daar waar het vrije spreken onmogelijk wordt gemaakt. En dreigen met geweld is het spreken onmogelijk maken; twijfel kan de staat zich dan niet permitteren. Wanneer iemand wordt bedreigd, wordt de overheid, als wetshandhaver, gedwongen actie te ondernemen. Zich onttrekken aan een oordeel, zoals de staat hoort te doen, kan tot wetsovertreding leiden en bovendien desastreuze gevolgen hebben.
Niet zozeer het recht om te spreken als wel het recht om te twijfelen is dus absoluut. Maar Mills gedachtegoed is hem niet door iedereen in dank afgenomen. De psycholoog Theodore Dalrymple noemt de geestesvader van het liberalisme in zijn boek Leve het vooroordeel! (2008) zelfs ‘de onbedoelde peetvader van kwalijke ideeën’, omdat Mill ‘door het idee dat de mens alleen gemachtigd is (…) om zich met de vrijheid van wie dan ook te bemoeien wanneer hij gedrag wil voorkomen dat bedoeld is om iemand anders kwaad te berokkenen, gecombineerd met het feit dat het moeilijk is om te bepalen wat een kwaad precies inhoudt, (…) de mens heeft bevrijd van de noodzaak om zich aan gewoontes en informele regels te conformeren’. Volgens Dalrymple heeft het recht om te twijfelen de morele structuur van de samenleving vernietigd; niets wordt immers nog als ‘waar’ gezien. Radicaal individualisme, verlies van normen en waarden, gebrek aan moreel gezag en verruwing van de openbare ruimte zijn daarvan de betreurenswaardige resultaten, aldus Dalrymple. Mill heeft een twijfelepidemie veroorzaakt en de mens zo in een moraalloos postmodernisme gedompeld.
Dalrymple zou best eens gelijk kunnen hebben dat het recht om iedere ethische leerstelling ter discussie te stellen heeft geleid tot een verlies aan normbesef en daarmee aan een verharding van de maatschappij. Toch is het maar de vraag of Mill daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden. Want de vrijheid van denken en spreken is door hem expliciet nooit bedoeld als een plicht om te twijfelen. ‘Ik vind niet dat men zich onfeilbaarheid aanmatigt als men overtuigd is van een opvatting, welke dat ook is’, zegt Mill, ‘het is slechts de beslissing om die kwestie voor anderen uit te maken, zonder dat zij gelegenheid krijgen om te horen wat er tegenin kan worden gebracht.’ Oftewel, het recht om te twijfelen is een collectief recht; het recht van de samenleving als geheel om gevrijwaard te blijven van morele dogma’s – niet de plicht van het individu om al zijn dogma’s af te zweren en het vrijzinnige liberale denken te omarmen, of zelfs moreel relativist te zijn. Integendeel, het vrije woord garandeert de mens juist de vrijheid om ieder soort opvatting te koesteren, zelfs als die haaks staat op het vrijdenken zelf. Dát is de vrijheid die Mill ons heeft nagelaten: de vrijheid om van mening te verschillen.
En in die zin zijn we allemaal millianen.

Rob Wijnberg (1982), opinieredacteur en columnist van nrc.next, studeerde filosofie aan de UvA. In 2008 publiceerde hij In dubio: Vrijheid van meningsuiting als het recht om te twijfelen. Onlangs verscheen Nietzsche & Kant lezen de krant: Denkers van vroeger over dilemma’s van nu. Bovenstaand essay is een verkorte en bewerkte versie uit 150 jaar ‘Over vrijheid’ dat volgende week bij Atlas verschijnt