Charles Taylor in Scheveningen

Het recht van de krijgsheer

Na wijlen Milosevic is Charles Taylor de tweede ex-president die in de Scheveningse gevangenis wacht op berechting. Opnieuw blijkt hoe moeilijk het is om een van oorlogsmisdaden verdachte leider voor de rechter te brengen en een eerlijke rechtsgang te garanderen.

De gewezen Liberiaanse krijgsheer wordt beschuldigd van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, begaan in buurland Sierra Leone in de jaren tachtig en negentig. Charles Taylor en zijn Sierraleoonse bondgenoten ontketenden een serie opstanden, massamoorden, bendeoorlogen en amputeringscampagnes, waarvan de verontrustende verhalen en beelden de hele wereld rondgingen. Maar Taylor («Pappie» voor zijn kindsoldaten) was betrokken bij veel meer bloedige conflicten in de regio. Soms was hij de aanstichter, in veel gevallen trad hij op als genadeloos profiteur. En hij was bij lange na niet de enige.

Het is een vergissing om te denken dat met Taylors detentie het kwaad een zware slag is toegebracht en dat de hele regio nu opgelucht ademhaalt. De economische achterstand en de etnische verdeeldheid waarin hij gedijde, bestaan voort. En zijn talloze handlangers, van Moeammar Kadafi tot tv-dominee Pat Robertson, blijven buiten schot en kunnen op zoek gaan naar een nieuwe Taylor die hun belangen in het straatarme West-Afrika kan dienen.

Charles Ghankay Taylor (Monrovia, 28 januari 1948) is een geboren manipulator die, al naar gelang de situatie het vereist, de rol van berouwvol baptistisch predikant, gelouterd staatsman of vurig revolutionair kan spelen. Zelfs zijn (Afrikaanse) middelste naam getuigt van dat vermogen. Hij voegde die toe om zijn inheemse «roots» te benadrukken, hoewel zijn vader een Engelstalige, relatief welgestelde Americo-Liberiaan was, die hem in de Verenigde Staten liet studeren. Daar kwam Taylor in de jaren zeventig in aanraking met de revolutionaire denkbeelden van zwarte activisten. Hij beraamde zelfs met vrienden een overval op de Liberiaanse ambassade in Washington. Nadat de halfgeletterde sergeant Samuel Doe in 1980 de macht in Monrovia overnam, wierp Taylor zich op als diens zakelijk vertegenwoordiger in de VS. Niet veel later verzocht Monrovia om Taylors uitlevering, omdat hij bijna een miljoen dollar in eigen zak had gestoken.

Taylor ontsnapte met wonderbaarlijk gemak uit zijn Amerikaanse detentie (het gerucht ging dat Washington hem had «omgedraaid» en als inlichtingenagent in West-Afrika wilde inzetten) en ontkwam naar Libië, waar hij een guerrillatraining kreeg. Zijn doorbraak op het wereldtoneel begon met een succesvolle gewapende opstand in Liberia in 1989, georganiseerd vanuit het naburige Ivoorkust. Samuel Doe werd gevangengenomen en doodgemarteld door Taylors handlanger Prince Johnson, die vervolgens brak met Taylor, waarna het land wegzonk in een allesverwoestende burgeroorlog. In 1991 deed Taylors bondgenoot Foday Sankoh (de twee hadden elkaar leren kennen in het Libische guerrillakamp) dat kunstje nog eens over in Sierra Leone door met zijn Revolutionary United Front een burgeroorlog te ontketenen. Sankoh betrok zijn wapens van Taylor en Kadafi in ruil voor diamanten.

Toen Taylor na de beëindiging van de eerste Liberiaanse burgeroorlog in 1997 met 75 procent van de stemmen tot president werd verkozen, was dat louter en alleen omdat de bevolking doodsbang was dat hij een tweede burgeroorlog zou beginnen. Het gevolg was dat hij jarenlang niet kon worden vervolgd. Hij kon niet alleen wijzen op zijn electorale meerderheid, maar ook bogen op de (stilzwijgende) steun van West-Afrikaanse leiders, westerse regeringen en een rits internationale wapenhandelaren en diamant- en hardhoutsmokkelaars. Onder hen bevonden zich zijn Nederlandse vriend Guus van Kouwenhoven (onlangs in Rotterdam tot acht jaar cel veroordeeld) en de Amerikaanse televangelist Pat Robertson, die concessies in Liberia heeft en zijn graantje meepikte van de diamantsmokkel.

Toen Taylor in 2003 door de aanklager van het VN-hof in Sierra Leone ten langen leste van oorlogsmisdaden werd beschuldigd en Interpol hem op de internationale opsporingslijst zette, bleek hoe goed zijn protectie geregeld was. Hij trad af en nam de wijk naar Nigeria, waar de regering weigerde hem uit te leveren zonder een officieel verzoek van Monrovia, een formaliteit die gezien de onduidelijke machtsverhoudingen in Liberia jarenlang op zich kon laten wachten. Oppervlakkig gezien was de houding van Lagos gerechtvaardigd. Taylors aftreden maakte deel uit van een plan van Afrikaanse landen om een einde te maken aan de Liberiaanse burgeroorlog en daarin paste een quasi-pardon voor de belangrijkste krijgsheren. In de praktijk steunde elk Afrikaans land onverminderd zijn eigen kampioenen in de Liberiaanse jungle, zodat menige intrigant, guerrillaleider of diamantsmokkelaar vanuit een buurland kon doorgaan met interveniëren in Liberia.

Ook de Nigeriaanse president Olusegun Obasanjo betoonde zich opvallend gastvrij, vooral nadat de Verenigde Staten een bedrag van meer dan twee miljoen dollar uitloofden voor Taylors arrestatie. Die «imperialistische» inmenging had een averechts affect. Taylor en zijn entourage mochten drie jaar op kosten van de Nigeriaanse overheid verblijven in een kapitale villa in de voormalige gouverneursstad Calabar, op een cassaveworp afstand van Obasanjo’s eigen residentie. Toen het Liberiaanse uitleveringsverzoek begin dit jaar eindelijk afkwam, rekte Lagos het diplomatieke spelletje zo lang mogelijk: de Liberianen mochten hem vanzelfsprekend hebben, maar dan moesten ze hem zelf komen halen, aangezien de twee landen geen uitleveringsverdrag hadden.

Intussen had Taylor alweer een nieuwe ballingschap in Kameroen geregeld. Althans, dat dacht hij. Het bericht van zijn nachtelijke vlucht uit zijn Nigeriaanse villa op 27 maart, zonder twijfel met medeweten van Obasanjo uitgevoerd, veroorzaakte grote internationale ophef. Bovendien waren er tekenen dat zijn «Groana boys», een half uit kinderen bestaand guerrillaleger in zijn geboorteprovincie Lofa, nieuwe overvallen in Monrovia voorbereidden, wellicht als opmaat voor alweer een gewapende opstand. En zoveel risico wilde zelfs Obasanjo, die de volgende dag in Washington zijn opwachting moest maken bij George Bush, niet nemen. Volgens de versie van Lagos werd Taylor gearresteerd bij zijn poging de grens met Kameroen over te steken. Volgens andere bronnen weigerde Kameroen hem de toegang. Hoe het ook zij, een Reuters-verslaggever zag hoe Taylor op 28 maart werd afgevoerd naar een Nigeriaans militair vliegveld en op een toestel naar Monrovia werd gezet.

Eenmaal in Liberia werd Taylor door de democratisch gekozen president Ellen Johnson-Sirleaf direct uitgeleverd aan Sierra Leone. Maar ook in Freetown was zijn berechting niet zeker. Het door de Verenigde Naties opgerichte Speciale Hof voor Sierra Leone kon de zaak niet aan en op 16 juni gaf de Veiligheidsraad toestemming het proces te verplaatsen naar Scheveningen, alwaar het Sierraleoonse Hof gebruik mag maken van de faciliteiten van het Internationaal Strafhof. Toen Groot-Brittannië ook nog verklaarde dat het na een veroordeling van Taylor zorg zal dragen voor zijn detentie, zat de betrokkene binnen een paar uur in het vliegtuig naar Rotterdam Airport.

«We zijn tevreden dat hij zal worden berecht in een goed beveiligd gebied in Nederland, terwijl wij in Sierra Leone doorgaan met het consolideren van onze vrede», zei vice-president Solomon Berewa van Sierra Leone tegen de pers. Het leek wel alsof hij het Milosevic’ opvolgers in Belgrado nazei. Ook de Servische president kon niet in eigen land worden berecht, omdat een langdurig proces en de daarmee gepaard gaande agitatie van zijn aanhangers het land dreigden te destabiliseren. Het uiterst moeizaam verlopende proces tegen Saddam Hoessein in Bagdad, op touw gezet door de nieuwe Iraakse autoriteiten onder auspiciën van de Verenigde Staten, laat zien wat er kan gebeuren wanneer een grote rechtszaak tegen een voormalige leider in zijn eigen land wordt afgewerkt.

Het verplaatsen van zulke processen naar het vredige Nederland komt het recht in engere zin ongetwijfeld ten goede. Maar het heeft ook nadelen. Ten eerste wordt de beklaagde door zijn (voormalige) aanhangers niet als verdachte, maar als ontvoeringslachtoffer van buitenlandse mogendheden beschouwd. De pacificerende en verzoenende werking die het internationaal strafrecht beoogt, komt zo in het gedrang. Ten tweede wordt de verdachte, geïsoleerd in zijn antiseptische cel en glazen beklaagdenbankje te Scheveningen, al gauw gezien als de unieke belichaming van een kwaad dat zich in werkelijkheid veel verder uitstrekte dan zijn persoon. Het is een oude discussie die teruggaat tot het proces van Neurenberg (1956-’46) en het proces-Eichmann (1960-’62).

Is Taylor inderdaad «individueel verantwoordelijk voor de dood, verkrachting en/of verminking van een miljoen mensen in Sierra Leone», zoals de voormalige aanklager van het tribunaal, de Amerikaanse jurist David Crane, in zijn aanklacht van 2003 stelde? Of is hij naar Scheveningen afgevoerd omdat hij niet langer bruikbaar was? Taylor draagt ongetwijfeld een zware verantwoordelijkheid, maar hij kon zijn misdaden plegen met steun en medeweten van buitenaf, omdat hij, zoals Crane zich begin dit jaar in een juridisch gastartikel liet ontvallen, «ons beter kent dan wij onszelf kennen». In datzelfde artikel schrijft Crane dat Liberia niet kan worden gepacificeerd zolang Taylor op vrije voeten is, zodat «al die miljoenen Amerikaanse dollars weggegooid geld zijn». Een internationaal strafrecht dat er dergelijke prioriteiten op nahoudt, zal nooit recht doen aan Taylors slachtoffers, noch aan zijn medeplichtigen.