Het recht van de sterkste

Het getouwtrek om de waarheidsvinding in strafzaken heeft zich verhard. De officier van justitie en de advocaat zetten hun hakken steeds dieper in het zand. De commissie-Kalsbeek bevestigt wat menig strafadvocaat al jaren roept: niet alleen de verdachte maakt vuile handen.

STRAFRECHT IS volksvermaak geworden. Tijdens rechtszaken kijkt het publiek gespannen toe in afwachting van wie er knock-out zal gaan. ‘Vroeger konden officier en verdediging nog wel eens langs elkaar heen praten’, aldus Jan Leijten, voormalig hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en oud-advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden. 'Ze gingen soms zelfs niet op elkaars argumenten in. Nu kan dat niet meer. Als een advocaat stelt: “Meneer de officier van justitie, uw politiemensen hebben op een onfatsoenlijke manier het bewijs vergaard door iemand om te kopen”, dan kan de officier van justitie dat niet over z'n kant laten gaan.’ Gerard Spong, voor de vierde achtereenvolgende keer door vakgenoten verkozen tot beste strafadvocaat van de Lage Landen, vindt het prima dat er harder geknokt wordt in de rechtszaal. Angst dat het strafproces ontaardt in een freefight, kent hij niet. De middelen die bij het gevecht mogen worden ingezet, krijgen de spelers immers steeds door de wet aangereikt en voorgeschreven. Zo bezien spreekt hij liever niet van een verruwing, maar van een verscherping van de rechtsstrijd, die in zijn ogen een procesrechtelijke kwaliteitsverhoging oplevert. S.A.M. Stolwijk, hoogleraar strafrechtwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en rechter-plaatsvervanger in het gerechtshof te Amsterdam, ziet de verscherping niet alleen in de rechtszaal optreden, maar ook daarbuiten in het contact met journalisten. Terwijl het Openbaar Ministerie (OM) en de verdediging naar believen lekken naar de pers, probeert de rechter angstvallig zijn afstandelijkheid en onpartijdigheid te behouden. Iets wat geen sinecure is 'in een tijd waarin de interesse van het publiek voor het hondje van de rechter groter lijkt dan voor de rol van diezelfde rechter in het strafproces’. Ziehier de drie partijen: OM, verdediging en zittende magistratuur. Hoe uiteenlopend hun zienswijzen in deze ook mogen zijn, alle drie zijn ze het erover eens dat de gesignaleerde polarisatie in een specifieke groep strafzaken opgeld doet: die van de georganiseerde drugscriminaliteit, waarbij als complicerende factor doorgaans ontkennende verdachten figureren. Juist in dit soort zaken voltrekt het opsporingsonderzoek zich meer en meer in het heimelijke, zodat het op de zitting steeds moeilijker is te achterhalen onder welke omstandigheden het door het OM gepresenteerde bewijsmateriaal werd verkregen. DAT IS NIET alleen een probleem voor de verdediging, maar ook voor de rechter, die verantwoordelijkheid draagt voor het vonnis. Leijten: 'Tot voor kort ging het in de strafrechtspraak om de vraag of de verdachte gedaan had wat hem ten laste werd gelegd en zo ja: welke straf hij dan moest krijgen. Er bleek echter nog een hele marge in “heeft hij het gedaan?” te zitten, namelijk: is het bewezen dat hij het gedaan heeft? De vraag is nu centraal komen te staan of hetgeen als bewijs moet dienen, wel op een fatsoenlijke manier vergaard is.’ Met name Spong - dat mag niet verbazen - windt zich op over de oncontroleerbaarheid van het voortraject: 'De grote ellende wordt veroorzaakt doordat er onvoldoende controle en zicht is op wat infiltranten en informanten zoal uitspoken, al dan niet tezamen met de Criminele Inlichtingendienst. Dat er dubieuze dingen gebeuren in de opsporingsfase heeft de parlementaire enquêtecommissie onder leiding van Van Traa aan het licht gebracht. De commissie-Kalsbeek bevestigt nu wat wij strafadvocaten al langer riepen. Maar men geloofde ons niet.’ Bedoelde commissie onder voorzitterschap van PvdA-kamerlid Kalsbeek heeft gedurende een half jaar onderzocht of de in 1996 door Van Traa gesignaleerde crisis in de opsporing inmiddels is opgelost. Kalsbeeks antwoord op die vraag luidde begin deze maand 'ja’, al klonk dat niet geheel ondubbelzinnig. Het rapport bracht immers eveneens het door kamerleden als schokkend ervaren nieuws dat naast de door Van Traa becijferde doorlating van 285 duizend kilo cannabis onder regie van politie en justitie ook nog eens vijftienduizend kilo cocaïne door parallelimport het land werd binnengeloodst. 'Als dat waar is’, zegt Leijten, 'is er iets heel anders aan de hand dan bij Van Traa. Wat toen gebeurde, was het doorlaten van softdrugs met als doel een grote vis te vangen. Dat kun je verkeerd beleid noemen, dat kun je dom noemen, maar het was niet vals. Wat er met de bevindingen van Kalsbeek aan de hand is, is dat het nu om corruptie van politie- of douaneambtenaren zou gaan. Dat is onvergelijkbaar veel ernstiger. Dat heeft als enig doel er zelf beter van te worden. In een boekje van mij heb ik ooit geschreven dat een rechter beter een moord kan begaan dan corrupt zijn. Een moord is zeer verkeerd, maar iets algemeen menselijks. Corruptie daarentegen tast het systeem, de werkelijkheid, aan. Dan krijg je als gevolg - en terecht - dat er geen vertrouwen meer bestaat in de rechterlijke macht of wie dan ook. Dan loopt de hele boel spaak. Maar dat is godzijdank nog niet gebeurd.’ DE IF YOU can’t beat them, join them-mentaliteit die kennelijk onder een selecte groep opsporingsambtenaren in zwang is, vormt voor advocaten als Spong inmiddels reden genoeg om op ieder verdacht bewijsrechtelijk slakje zout te leggen. Want, zo vatte hoogleraar strafrecht Naeyé het onlangs in Trema, het tijdschrift voor de rechterlijke macht, samen: 'Voor zover de politie geheime voortrajecten organiseert, ontlastend bewijs wegmoffelt, de zaaksofficier niet informeert over strafvorderlijke uitglijders, bewijsmateriaal laat lekken, CID-informatie verkoopt, wonderbaarlijk geheugenverlies lijdt, CID-tips verzint en dergelijke, wordt daarmee de kiem gelegd voor institutioneel wantrouwen bij de deelnemers in het strafproces en daarmee voor polarisatie in de strafzaal.’ Leijten: 'Die ene verdachte staat in de rechtszaal volstrekt alleen. De advocaat moet op dat moment alleen maar aan die ene verdachte die hij verdedigt denken, en niet, zoals sommigen wel betogen, ook nog eens aan het belang van het slachtoffer. Mensen denken vaak aan hun eigen belang, noemen dat vervolgens “het algemeen belang” en roepen dan woedend: “Hij moet hangen!” Op het moment dat hij gevangen wordt, heeft een verdachte maar één steun, tegen geldelijke beloning weliswaar; dat is z'n advocaat.’ Dat kan dus maar beter een goede advocaat zijn vandaag de dag. Maar hoe weet je als verdachte wat een goede advocaat is? Is een advocaat goed als hij bekend is? 'Welnee’, zeggen zowel Leijten als Spong en Stolwijk. De laatste heeft uit de pers bekende advocaten naar eigen zeggen wel 'fantastische flaters zien slaan waar iedere eerstejaars rechtenstudent zich voor zou schamen. Bekendheid zegt hooguit iets over de kwaliteiten om zichzelf te verkopen.’ Bovendien wordt volgens Stolwijk de rol van de advocaat in strafzaken zwaar overschat waar het gaat om diens invloed op de uitkomst van het geding. 'Natuurlijk, de één is capabeler in de presentatie van zijn zaak, slimmer, en wat beter gebekt dan de ander. Die verschillen zijn er altijd, maar doen eigenlijk, anders dan de advocaat zelf wil doen denken, niet zo veel ter zake. Als een advocaat de deur uitwandelt met een vrijgesproken verdachte, zal hij zijn rol daarin altijd overdrijven. Daar trekt hij weer nieuwe cliënten mee. Succes heeft nu eenmaal vele vaders en de mislukking is altijd een eenzame wees. Het kan best zijn dat die vrijspraak ondanks die advocaat is geschied. De kracht of de zwakte van de zaak zelf dicteert wat de mogelijkheden voor de advocaat zijn. De marges worden daarnaast ook nog eens bepaald door de wet. En door de rechter die beslist.’ 'Onzin’, zegt Leijten. 'Achter dat feitencomplex zit ergens een waarheid die niet valt te achterhalen. Niet door opsporingsambtenaren, niet door officieren van justitie en niet door de rechter. En er zijn wel degelijk advocaten die door hun manier van optreden, door hun retorische gaven, rechters aan het twijfelen kunnen brengen die door een droog, dor of zinloos betoog niet aan het twijfelen zouden zijn gebracht. Aangezien we geen van allen precies weten hoe de werkelijkheid is, is dat altijd mogelijk.’ 'Onzin’, vindt ook Spong. vind het een te simpele opvatting over wat een strafadvocaat allemaal doet. In georganiseerde criminaliteitszaken, met al die indrukwekkende meters dossier, staan paradoxaal genoeg steeds vaker dingen niet in een proces-verbaal vermeld. Als advocaat moet je dan over een flinke dosis creativiteit beschikken om er met een flinterdunne aanwijzing in te slagen de deur tot achterliggende onrechtmatigheden open te breken. De ontwikkeling van leerstukken als het onrechtmatig verkregen bewijs en de beginselen van een behoorlijke procesorde hebben het strafproces fundamenteel veranderd en dat is uitsluitend te danken aan een scherp opererende strafadvocatuur.’ SPONG BLADERT DOOR het Kalsbeek-rapport dat voorbeelden geeft van de 'creatieve oplossingen’ die rechercheurs hanteren om het gebrek aan controle over hun informanten te camoufleren. 'Hier’, zegt Spong, 'pagina zesenveertig.’ Hardop leest hij: 'Zo geeft een aantal respondenten aan dat zij niet altijd “doorvragen” naar het (mogelijk) plegen van strafbare feiten door informanten of dat zij informanten duidelijk maken dat zij niet alles moeten vertellen aan de CID.’ Hij voegt daaraan toe: 'Want wat niet weet, wat niet deert. Die mentaliteit wijst op een gebrek aan integriteit. De verscherpte houding van advocaten in de rechtszaal dient dus ook om de rechter wakker te schudden. Dat hopen we althans te doen, want er zijn nog een boel rechters die een attitude hebben van nou ja, die advocaten blaffen voor de bühne. Er zijn zaken waar de verdediging ware veldslagen moet voeren om een getuige op de zitting te kunnen krijgen. Terwijl die van cruciaal belang zijn om praktijken als beschreven in het rapport Kalsbeek aan het licht te kunnen brengen. De waarheidsvinder die de rechter bij uitstek zou moeten zijn, blijkt in de rechtszaal nog te vaak een bijna dood paard te zijn! Dat je haast niet vooruit kunt trekken op zoek naar die waarheid!’ Leijten: 'Ja luister eens, de rechter is geen detective! Bij opsporingsambtenaren waarvan op geen enkele manier blijkt, en waarvan ook niet gezegd wordt dat ze iets verkeerds gedaan hebben, mag je uitgaan van hun integriteit. Als een timmerman iets timmert en een metselaar iets metselt, moet je ook veronderstellen dat het gebouwde blijft staan als het gaat waaien. We moeten er nog steeds vanuit gaan dat iemand te goeder trouw is, tenzij het tegendeel blijkt. Anders krijg je helemaal geen zaak meer klaar. Het is niet alleen het recht, maar ook de plicht van een advocaat om een verweer te voeren ten aanzien van eventuele onfatsoenlijke opsporingsmethoden.’ Als Leijten en Spong gelijk hebben, zou het door de verruiming van opsporingsmethoden, waarvan de controle problematisch is, uitmaken welke advocaat de belangen van een verdachte in de rechtszaal bevecht. Ervan uitgaande dat goede advocaten schaars zijn en zich dus duur laten betalen, zou de betere advocaat voor de minder vermogende verdachte wel eens buiten bereik kunnen vallen. Riekt dat niet naar klassejustitie? LEIJTEN MAAKT ZICH daarover niet zo veel zorgen: 'Tien procent van de advocatuur is slecht, zeventig procent is middelmatig, tien procent is redelijk goed en een paar procent is ontzettend goed. Zo is het bij alle beroepsgroepen. Gelukkig is het merendeel van de strafzaken ook middelmatig en weinig ingewikkeld. Een inbraak verdedigen kan een middelmatige advocaat bijna net zo goed als een geweldige collega. Maar als het om een moeilijke moord- of drugszaak gaat zal het iets meer uitmaken. Strafzaken bestaan nog steeds voor ongeveer negentig procent uit “toevoegingen”. Dat er tegenwoordig toch advocaten zijn die iets aan het strafrecht weten te verdienen, komt door die tien procent grotere drugszaken. Juist in dat soort zaken heb je doorgaans met rijke verdachten te maken.’ Spong: 'Mijn hoogleraar in het strafrecht destijds, professor Enschedé, leerde mij eens een wijze les. “Gerard”, zegt-ie, “elke trein heeft een laatste wagon.” Dat geldt voor rechters, officieren van justitie, maar ook voor advocaten. Het komt voor dat een advocaat zegt: dit is een toevoeging, dus laat ik mijn cliënt maar adviseren te bekennen, dan ben ik er vlot vanaf. Dat is een schandelijke manier van opereren. Maar dat toevoegingstarief is een vast bedrag, onafhankelijk van het aantal uren dat je in een zaak steekt. Als mindervermogende cliënt loop je wel degelijk een groter risico om in de laatste wagon bij dat soort advocaten terecht te komen. Dat zit ingebakken in het systeem, maar ook in de mens zelf.’ Stolwijk, die in de verharding van de rechtsstrijd tussen OM en advocaten niet meer dan een stijlverandering ziet, vindt dat het aan de rechter is om eventuele verschillen recht te trekken. Met de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten, Von Schmidt auf Altenstadt, vindt hij dat de rechter de overdreven vechtlust, voortkomend uit scoringsdrift aan beide zijden, zou moeten temperen. Stolwijk: 'Het is niet zozeer de rol van het OM of de advocaat die aan importantie wint, maar die van de rechter. Ook gezien de toenemende publicitaire druk wordt zijn rol steeds zwaarder. De enige waarborg dat in ons recht het recht van de sterkste nooit zal komen te gelden, ligt in de persoon en het optreden van de rechter.’ Het laatste woord in deze gaat niet, zoals gebruikelijk, naar de verdediging, maar naar Leijten, de éminence grise van de rechtsvindingspraktijk, die relativeert en voorspelt: 'Het is ooit allemaal begonnen met onze volksvertegenwoordiging, die het nodig vond de handel in drugs strafbaar te stellen. Maar waarom zou je iets dat twee volwassen mensen kennelijk willen - in dit geval de verkoper en de gebruiker van drugs - verbieden? U zult het nog wel meemaken. Kijk maar naar de mislukte drooglegging van de VS, kijk maar naar de acceptatie van homoseksualiteit. Dat gevecht kun je niet winnen.’