Taxischuaffeurs en Hell’s Angels bedreigen de rechtsstaat

Het recht van de sterkste

De rebellerende taxichauffeurs van Amsterdam en de Hell’s angels van Barend en Van Dorp vormen een aanzienlijk grotere bedreiging van de rechtsorde dan de krakers van de jaren tachtig ooit zijn geweest. Maar waarom kunnen zij keer op keer rekenen op bestuurlijke coulantheid?

Bij mij op de hoek in Amsterdam-West werd onlangs een kraakpand ontruimd. Een paar weken eerder had een handjevol piepjonge krakers — een paar blozende jongens en tienermeisjes met het babyvet nog op de wangen, plus een schurftige herdershond — de voormalige behangwinkel opengebroken en er een «kraakspreekuur» gevestigd. Daar kwam nooit iemand, zoals er in de regel sowieso nooit een teken van leven vanuit het nieuwe krakersbolwerk mocht worden opgetekend. De politie was die ochtend met groot materieel uitgereden. Ik telde vijf grote blauwe ME-bussen. Men was duidelijk voorbereid op een grote veldslag, maar het kwam niet verder dan een soort vlootschouw. Het groepje krakers had de nacht ervoor wijselijk het hazenpad gekozen. Dus moest een heel ME-peloton werkloos toekijken hoe de ijzerschaar in het slot werd gezet. De massaal toegestroomde toeschouwers stonden er vol leedvermaak bij te kijken.
Dit staaltje politionele overkill staat zeker niet op zichzelf. Amsterdam heeft zich onder de regie van Schelto Patijn misschien nog niet ontwikkeld tot een politiestaat, het heeft er af en toe flink de schijn van, zeker als er krakers aan te pas komen. De angst voor een reprise van de jaren tachtig, toen onder de strijdkreet «Jullie orde is de onze niet» hele autonomenwijken konden ontstaan, compleet met eigen ordedienst, zit er kennelijk diep in. In werkelijkheid is de hedendaagse kraakscene natuurlijk geen schim van de vroe gere. De autonome oudgedienden die begin jaren tachtig over de kraak reservaten heersten, hebben het bijltje er reeds lang geleden bij neergegooid en maakten een ontwikkeling door die nog het meest doet denken aan het carrièreverloop van Joschka Fischer, van rebel tot regent. Sommigen van hen hebben zich ontwikkeld tot precies dezelfde huisjesmelkers die ze vroeger te vuur en te zwaard bestreden, of, nog erger, slijten hun dagen in de bestuurlijke inkapseling van het ooit zo vermaledijde gemeentelijke apparaat. Wat resteert is een hoogst nostalgische sentimental journey van een handjevol jeugd uit de provincie of zelfs het verre buitenland, die eerder als een anachronistisch curiosum zou moeten worden gekoesterd, als levende herinnering aan een reeds lang vervlogen tijd.


De echte gevaren voor de rechtsstaat komen anno 2001 uit een geheel andere hoek, uit de Amsterdamse taxi wereld bijvoorbeeld. Het is verbazingwekkend te constateren hoe grimmig de gelijkenissen zijn in de retoriek van de vroegere krakers en de rebellerende taxichauffeurs onder leiding van directeur mr. H.J. Grijpink van Taxi Centrale Amsterdam (TCA). In hun keiharde strijd tegen de nieuwe antimonopoliewetgeving vanuit Den Haag laten Grijpink en zijn mannen geen methode onbeproefd. Ook zij verzetten zich met alle middelen tegen de rechtsmacht. Ook voor hen luidt de leuze: «Jullie orde is de onze niet». Een fraaie illustratie daarvan gaf Grijpink toen hij onlangs president Gisolf van het Amsterdamse gerechtshof wraakte: volgens de taxibaas is de rechter niet gemachtigd een uitspraak te doen in het hoog oplopende taxiconflict. Oorzaak: Grijpink zag de president tijdens de afscheidsreceptie van burgemeester Patijn genoegzaam keuvelen met de hoofdofficier van justitie. Op die manier zou men natuurlijk de gehele rechterlijke macht als onbevoegd terzijde kunnen schuiven en breekt er een bang tijdperk aan waarin helemaal geen recht gesproken kan worden. En dat is waarschijnlijk ook de bedoeling.
Het gaat hier om een geheel nieuw soort verzetsbeweging, aanzienlijk beter georganiseerd dan de oude krakers, en ook aanzienlijk beter toegerust op het gebruik van «zinvol» geweld. De taxichauffeurs verstaan de kunst van de stadsguerrilla, zijn uiterst bedreven in het zaaien van terreur en willen boven alles van geen wijken weten. Bovendien legt het Amsterdamse gemeentebestuur ten aanzien van de taxichauffeurs een supercoulante houding aan de dag. Men leurt met het ene compromisvoorstel na het andere, telkens tevergeefs, want Grijpinks TCA wil van geen compromis weten. Af en toe klinkt vanuit het stadhuis een manmoedig geluid dat de maat nu toch echt vol is, maar telkens weer gaat men een daadwerkelijke confrontatie uit de weg, en krijgt de hybris van taxikoning Grijpink weer een flink shot extra toegediend.
Het meest beangstigende is dat Grijpink bovendien heel goed weet met wat voor tegenstander hij van doen heeft. In een vorig leven was hij werkzaam op het roemruchte bureau Warmoesstraat, alwaar hij fungeerde als contactman van de Politieke Inlichtingendienst (PID). In de praktijk komt dat werk neer op dossiertjes bijhouden van eenieder die de attentie van de Binnenlandse Veiligheidsdienst op zich heeft gevestigd. Ook onderhield Grijpink namens de politie de contacten met de taxi wereld, die hij beschouwde als een soort vijfde colonne van het politionele apparaat. Dat was een opstapje naar de nieuwe carrière die hij startte na voltooiing van zijn studie rechten.
Grijpink weet met andere woorden precies met wat voor tegenstander hij te maken heeft, heeft de nodige persoonlijke contacten — volgens Panorama houdt hij spreekuur in Yab Yum — en beschikt als voormalig PID’er bovendien over allerlei gevoelige informatie, wellicht ook over de politici die hij nu tegenover zich treft. Hier staat kortom een tegenstander van de rechtsstaat van formaat, heel wat gevaarlijker dan de romantische revolutionairen van het kraaktijdperk. De strijd tegen de rechtsmacht komt niet langer vanuit de autonome schemerzone van de samenleving, maar uit het hart ervan. Grijpink is uitgegroeid tot een soort monster van Frankenstein, gefabriceerd in het epicentrum van de politionele macht, maar inmiddels bezig aan een geheel autonoom leven, waarin hij zich keert tegen zijn scheppers.


Tot op heden lijkt Grijpinks campagne te slagen. Een van de eerste bestuurlijke besluiten van Schelto Patijns opvolger Job Cohen was de zoveelste knieval maken voor TCA. De telefoonpalen bij de taxistandplaatsen — zeg maar de totempalen van het afgeschafte TCA-monopolie — zouden volgens een eerdere aankondiging van het gemeentebestuur komende week verwijderd moeten worden. Maar, aansluitend bij de nu al jaren gevolgde traditie van pappen en nathouden, koos ook Cohen op het laatste moment weer voor uitstel en bezorgde hij Grijpink zijn zoveelste morele overwinning waarmee hij het voorzichtige gemor in zijn eigen achterban kon doen verstommen. Ook Cohen, de onverschrokken saneerder van de Vreemdelingenwet, blijkt een stuk minder doortastend als hij oog in oog staat met Grijpinks ambulante troepenmacht.
Al even comfortabel moet Grijpink zich voelen ten aanzien van het onderzoek naar de misstanden in de Amsterdamse taxibranche dat heden door de commissie-Koning wordt uitgevoerd. Al jaren circuleren er schrikbarende verhalen over het financieel uitzuigen van taxichauffeurs door veel te dure vergunningen, afgegeven door het Openbaar Lichaam Amsterdam-Zaanstreek en Amstelland-Meerlanden (Azam), de organisatie waar dezelfde Grijpink in 1991 secretaris van werd. Dat controlerende orgaan, bestaand uit vertegenwoordigers van diverse gemeentebesturen in de regio, ging onder meer over het verstrekken van taxivergunningen. Aangezien de Amsterdamse taximarkt toen nog als gesloten werd beschouwd, moesten nieuwe chauffeurs steeds hogere bedragen neertellen om aan vergunningen te komen. Op het laatst waren bedragen van 300.000 gulden geen uitzondering.
De nieuwe taxichauffeurs staken zich diep in de schulden, en kwamen van een koude kermis thuis toen bleek dat die peperdure vergunningen met ingang van 1 januari 2000 opeens niets meer waard waren, aangezien de taximarkt toen voor iedereen open werd verklaard. Grijpink zelf was sinds 1997 directeur van de Taxi Centrale Amsterdam geworden en voerde in die functie een ramkoers. Het kabinet kon besluiten wat het wilde, Grijpink duldde geen nieuwe spelers in de branche, onder het adagium: «De minister bekijkt het maar».
Het Amsterdamse gemeentebestuur, dat eerder al tevergeefs bij Den Haag had aangedrongen op een «gefaseerde deregulering», deed de ene concessie na de andere. Zo bood verkeerswethouder Köhler geheel in tegenspraak met de nieuwe taxiwet aan dat driekwart van de Amsterdamse standplaatsen exclusief TCA-terrein zou blijven. Maar ook dat was Grijpink niet genoeg. Eerder wees hij ook al een voorstel af van ex-minister prof. mr. M. Rood, die als speciaal bemiddelaar namens de gemeente had aangeboden de financieel zwaar gedupeerde TCA-rijders, die indertijd de peperdure vergunningen van Grijpinks Openbaar Lichaam Azam hadden afgenomen, via een speciaal noodfonds schadeloos te stellen. Kennelijk gaat mr. Grijpink uit van een soort Ver elendungs-theorie: hoe groter de misère onder zijn achterban, des te groter ook hun strijdlust.
De commissie-Koning zou de koehandel met die even dure als waardeloze taxivergunningen tot op de bodem moeten uitzoeken, maar kampt daarbij met grote problemen. Een belangrijke hindernis is dat betrokken politici weigeren te getuigen. Vorige week liet Rick ten Have, gewezen wethouder namens D66 in het Amsterdamse college van b. en w., weten dat hij geen gehoor zal geven aan de oproep van de commissie-Koning. Diverse andere betrokken ex-wethouders zouden er volgens Ten Have ook niet over peinzen een openbare getuigenis af te leggen over de beerput van de taxiwereld. Dit soort weigeringen is bepaald geen usance in de bestuurlijke cultuur van Nederland, en de vraag dient zich dan ook aan waar Ten Have bang voor is.


De bereidheid geweld in te zetten is in Nederland anno 2001 een lonende zaak geworden. Niet alleen de ontwikkelingen in de Amsterdamse taxiwereld bewijzen dat, ook de Amsterdamse Hell’s angels lieten kort geleden zien dat het recht van de sterkste nog lang niet is bedwongen in het poldermodel. Integendeel, het is aan een geheel nieuw hoogseizoen bezig. Nadat zij eerder de begrafenis van de geliquideerde topcrimineel Sam Klepper hadden opgevrolijkt met een imposante ere-parade, namen de heren van de motorclub het journalistenduo Frits Barend en Henk van Dorp, die het hadden gewaagd een observatie van de commissie-Van Traa over het reilen en zeilen van het gezelschap te herhalen, zwaar te grazen. Enkele uren later rectificeerde Van Dorp met een blauw oog voor de camera de eerdere opmerkingen over het dubieuze gehalte van enige segmenten binnen de motorclub. «Ik zit niet in het verzet», verklaarde de aangeslagen presentator nog. Aangifte werd niet gedaan. Barend en Van Dorp zijn vervolgens vaak gekritiseerd voor hun knieval, maar er was geen journalist die hun beschuldiging durfde te herhalen. Het geweld werd beloond. De vraag is wat de volgende stap is: zouden Barend en Van Dorp ook tot rectificatie overgaan als in de naaste toekomst een gezelschap bruinhemden in de studio neerstrijkt om op hardhandige wijze «rectificatie» te eisen van opmerkingen over de oorzaak van de dood van Anne Frank? Waar eindigt de — overigens volkomen invoelbare — zorg voor het persoonlijk lijfsbehoud en waar begint het behoud van de rechtsstaat in het algemeen een factor te worden?
Het Hell’s angels-incident heeft, heel voorzichtig, een debat in gang gezet over het verval van de Nederlandse rechtsstaat. Voor de gereformeerde dominee K. van den Berg van de Samen op Weg-gemeente van Watergraafs meer in Amsterdam was het zelfs aanleiding voor een lutheriaanse preek vanaf de kansel waarin het einde der tijden van de openbare veiligheid werd aangekondigd. Naar aanleiding van het bezoek van de Hell’s angels aan de studio van RTL4 verklaarde de dominee in zijn spraakmakende kerstrede: « De terreur is begonnen. Het begint met de verovering van de openbare ruimte, het publieke domein. Daarna, als dat gelukt is, dringen ze ook de huizen binnen.»
Zou het inderdaad zo zijn dat «de lafheid regeert», zoals Van den Berg zijn gemeente voorhield in zijn veelgeciteerde kerstpreek? En is er, zoals hij suggereert, inderdaad sprake van een fundamentele crisis in het publiek domein, waar het gezag wijkt als de tegenstander maar bereid is geen enkel middel te schuwen, en ook de pers als «waakhond van de democratie» met de staart tussen de benen vertrekt? Als deze gereformeerde onheilsprofeet gelijk heeft, ziet de situatie er heel wat gevaarlijker uit dan in de jaren tachtig, toen het verzet tegen de maatschappelijke orde in elk geval nog moreel werd gerechtvaardigd in naam van de strijd tegen het mondiale onrecht. De huidige strijders tegen het establishment dienen geen enkele andere zaak dan hun eigenbelang. Is het daarom dat politie en justitie hen niet werkelijk als een gevaar zien en toch liever die laatste krakers in Amsterdam-West met alle beschikbare middelen te lijf gaan? Dezelfde discrepantie is zichtbaar in het gemak waarmee de politie heden op grond van een fractie van een half vermoeden instellingen van allochtonen binnenvalt, op zoek naar «staatsgevaarlijke activiteiten». Juist dat meten met twee maten maakt de huidige crisis van het gezag zo onverteerbaar.