DE RECHTSSTAATINDUSTRIE

Het recht van de wereld

De bevordering van de internationale rechtsorde is speerpunt van het Nederlandse buitenlandbeleid. Maar de organisatie die zich om die juridische ontwikkelingssamenwerking bekommert, het CILC, dreigt ten onder te gaan.

OP EEN SEMINAR TER GELEGENHEID van het afscheid van Kees Kouwenaar als directeur van het Center for International Legal Cooperation (CILC), eind maart, verzamelde zich de complete vaderland-se juridische elite voor de openingstoespraak van minister van Justitie Hirsch Ballin. De minister roemde de inspanningen van het CILC, een organisatie die zich ervoor beijvert de verworvenheden van de Ne-derlandse rechtsstaat uit te dragen in landen die ‘in rechtsstatelijke transitie’ verkeren.
Wereldwijd zijn dat er nogal wat. Van Rusland tot Tadzjikistan, van Turkije tot Rwanda worden CILC-experts ingehuurd om te assisteren bij het schrijven van nieuwe wetgeving of het opzetten van juridische instanties. Grote delen van het Russische burgerlijk wetboek en dat van voormalige sovjetsatellieten zijn op Nederlandse wetgeving gebaseerd. CILC-juristen hielpen in voormalige Oostbloklanden bij het schrij-ven van nieuwe wetgeving op het gebied van burgerlijk recht, strafrecht en bestuursrecht, bij het opzet-ten van rechtbanken en gerechtshoven in Turkije en Jemen, en ze trainden Marokkaanse juristen en paralegals in de toepassing van de nieuwe mudawwana, de Marokkaanse familiewet die de rechtsposi-tie van vrouwen revolutionair verbeterde. ‘Het CILC is’, zei de minister, ‘de primus inter pares van de organisaties die zich in Nederland bezighouden met het bevorderen van de rechtsstaat in den vreemde.’ De minister kan het weten: Hirsch Ballin was meer dan vijf jaar bestuursvoorzitter van het CILC.
Deze vorm van ontwikkelingssamenwerking is niet uniek. Wereldwijd houden ruim vijfhonderd internati-onale organisaties, ngo’s, beroepsorganisaties en private fondsen zich bezig met het bevorderen van de rechtsstaat. Naast het CILC zijn dat in Nederland het Asser Instituut voor Internationaal Recht en het Hague Forum for Judicial Expertise, dat zich richt op training van rechters in internationaal recht, en het Nederlands Helsinki Committee, dat zich beijvert om de mensenrechten in OVSE-landen op de agenda te houden. Volgens ramingen van de International Development Law Organization gaan er wereldwijd miljarden dollars om in de rechtsstaatindustrie. Maar waar organisaties als USAID of de Wereldbank geneigd zijn hun visie aan de ontvangende landen op te leggen, of legal reform zelfs als voorwaarde stellen bij hulp op ander (militair) gebied, stellen de Nederlandse juristen zich vooral op als sparring partner bij het wetgevingsproces in de ontvangende landen. Daarbij kan Nederland bogen op een van de nieuwste civil codes in de westerse wereld, het Nieuw Burgerlijk Wetboek, dat in 1992 in Nederland werd ingevoerd.
‘Nederland geniet internationaal enorm respect op het gebied van recht’, zegt Marten Oosting, sinds 2004 bestuursvoorzitter van het CILC: ‘Sinds Hugo de Groot, de grondlegger van het internationale recht, heeft Nederland een naam als land dat goed over rechtsverhoudingen nadenkt. Men ziet ons als een ervaren, uitgebalanceerde rechtsstaat. We hebben onze zaakjes goed voor elkaar, maar zijn niet wijsneuzerig. We komen niet met een zak geld, we zeggen niet: zó moet je het doen. Bovendien zijn we als klein land niet bedreigend. In de praktijk betekent het dat als je eenmaal meedenkt over wetgeving je op een gegeven moment ook andere onderwerpen, zoals mensenrechten, ter sprake kunt brengen. Het werk van het CILC is een intelligente manier om de opvattingen die wij belangrijk vinden met anderen te delen.’

Het CILC houdt zich, waar mogelijk, verre van politieke verwikkelingen in ontvangende landen. Toch pakt het wel eens verkeerd uit. Scheidend directeur Kees Kouwenaar: ‘Je peutert wel aan de grondves-ten van de rechtsstaat. We deden een project met lokale rechtbanken in Jemen, waarbij Nederlandse rechters een week meeliepen met de dossiers. Daar kwamen behoorlijk zinvolle dingen uit, zoals: we maken één kamer waar alle administratieve handelingen worden verricht. Vroeger moesten cliënten langs vijf vertrekken op de eerste en tweede verdieping, liep iedereen dus door het hele gebouw, en glipte overal binnen voor een praatje of dingen onder de tafel. Controle was nauwelijks mogelijk. Nu werd het geconcentreerd in die ene kamer waar iedereen kon zien wat er gebeurde. Iedereen was laai-end enthousiast, de advocaten ook. Maar een nieuw aangetreden minister van Justitie vond het niet leuk dat het project buiten hem om ging, en heeft min of meer gezegd: je moet stoppen, want we willen dat het langs ons gaat. Anders raken we onze grip op die rechters kwijt. Dat project was dus zo effectief dat het veel weerstand opriep.’
Een van de lopende projecten is de vertaling van delen van het Nederlands Burgerlijk Wetboek in het Chinees, en enkele academische beschouwingen daarover. ‘Je kunt je afvragen wat de gemiddelde Chinees eraan heeft dat het Nederlandse Burgerlijk Wetboek in het Mandarijn wordt vertaald’, zegt jurist en sinoloog Benjamin van Rooij van het Van Vollenhoven Instituut in Leiden. ‘Kijk eens, zegt men hier, óns Burgerlijk Wetboek wordt in het Mandarijn vertaald. Terwijl ons BW al in het Engels is vertaald, en de Chinezen die ons BW bestuderen prima Engels kunnen lezen. Je kunt je afvragen: is dit nodig, ook gezien het feit dat veel normen in het Nederlands recht uit de jurisprudentie komen. Dat maakt het verta-len van een wetboek een beetje een holle exercitie. Er zit, als je het mij vraagt, een beetje flag planting achter.’
De Nederlandse overheid, maar ook de BV Nederland, maakt inderdaad goede sier met de inspannin-gen van het CILC. ‘Wij hebben natuurlijk niet voor niets de vertaling van het BW naar het Russisch be-kostigd’, zegt secretaris-generaal van het ministerie van Justitie Joris Demmink. ‘In meer algemene zin vinden wij het van groot belang een bijdrage te leveren aan de rechtsontwikkeling in bevriende landen. We doen het om die landen te helpen, maar als we het nou op zo’n manier doen dat het ook de bilatera-le relaties ten goede komt, is dat mooi meegenomen.’ Ook premier Balkenende liet zich in november lovend uit over CILC-projecten tijdens zijn bezoek aan president Poetin.

Maar ondanks de brede steun onder de Nederlandse bestuurlijke, juridische en politieke elites verkeert het CILC al een tijdje in financiële problemen. Zo liep het in 2006 een belangrijke pot met geld mis toen een subsidieaanvraag in het kader van het Medefinancieringsstelsel (MFS) door de toenmalige minister van Ontwikkelingssamenwerking werd afgewezen. Het CILC voldoet niet aan de eis die aan MFS-projectorganisaties wordt gesteld dat ontvangende landen in het bestuur van de organisatie vertegen-woordigd zijn. Kees Kouwenaar: ‘Het is een van de paradoxen van ontwikkelingssamenwerking. Men wil niet dat het geld teruggaat naar Nederland. Dat snap ik wel; als je een brug bouwt is het logisch dat je een lokale aannemer inhuurt. Maar als het gaat om institutionele maatschappij-opbouw ligt dat anders. Donoren weten dat ook wel. Maar het is aan de politiek slecht te verkopen.’
Ook het ministerie van Justitie is niet bereid de kosten van de organisatie structureel te dragen. In zijn toespraak refereerde minister Hirsch Ballin aan de penibele financiële situatie van het CILC, en advi-seerde zijn opvolger, Oosting, om eens op zijn ministerie langs te komen: ‘Je zou eens met mijn secreta-ris-generaal moeten gaan praten – kijk, daar zit-ie.’ Joris Demmink: ‘Ik heb Oosting gezegd dat hij eerst maar eens met Koenders moet gaan praten.’ Maar volgens Oosting zijn de handen van minister Koen-ders gebonden, omdat de gelden voor deze periode al zijn verdeeld.
In een uiterste poging het belang van het CILC onder de aandacht te brengen stuurde Oosting vorige herfst samen met Kouwenaar een brandbrief rond. ‘Met slechts een bescheiden bedrag – slechts enkele tonnen per jaar – kan de Nederlandse bijdrage aan de rechtsorde in de wereld via CILC worden ge-waarborgd en versterkt.’ Tot nog toe haalde het weinig uit. Oosting: ‘Onbegrijpelijk. Lieve broodjes wor-den natuurlijk niet gebakken. Maar als je ziet hoeveel de CILC-experts in het buitenland bereiken, is het een zeer kosteneffectieve manier om onze morele en handelsbelangen uit te dragen. Dan zit je als overheid toch voor een dubbeltje op de eerste rang.’