Profiel: Anwar al-Bunni

‘Het regime wil dat we in monsters veranderen’

Volgens mensenrechten-advocaat Anwar al-Bunni herbergt Europa zeker duizend Syriërs die misdaden tegen de menselijkheid begingen. In Duitsland getuigt hij tegen Anwar R., hooggeplaatste in Assads inlichtingendienst en waarschijnlijk ook degene die hem in 2006 arresteerde.

Anwar al-Bunni in zijn kantoor in Berlijn, 9 april. ‘We moeten die martelmachine stoppen’ © John MacDougall / AFP / ANP

Anwar al-Bunni geeft, tegen alle coronaregels in, een ferme handdruk. Hij is zojuist met een fiks vertraagde trein in een zonnig Koblenz gearriveerd. ‘Kom mee, we gaan Syrisch eten’, zegt de mensenrechtenadvocaat die in Syrië grote bekendheid verwierf vanwege zijn inzet voor gerechtigheid. Hij slaat in het centrum van de Duitse stad een steegje in, waar eettentje Jasmin Alsham is gevestigd. Jonge Syriërs springen op om hem te begroeten.

Plots is het terrasje vol leven. Met de gedreven Al-Bunni (61) – opmerkzame ogen, wallen, bleek gelaat, een zwart-met-grijze snor en baardje – als middelpunt. Zijn haar vertoont diepe inhammen. Hij draagt een eenvoudig zwart pak en een grijs overhemd, met de twee bovenste knoopjes los. Op het terrasje worden in het Arabisch nieuwtjes uitgewisseld en meningen verkondigd. Ons gesprek slalomt om de discussies heen en zet zich bij stukjes en beetjes verspreid over diverse dagen en later via de telefoon en mail voort. ‘Het is een uniek proces’, zegt Al-Bunni over de rechtszaak die de reden is voor zijn komst. De volgende dagen, 4 en 5 juni, zal hij tegenover het Oberlandesgericht als deskundige een verklaring afleggen in het proces tegen twee Syriërs die bij de geheime dienst werkten en terecht staan wegens misdrijven tegen de menselijkheid.

Het is wereldwijd het eerste proces tegen folterpraktijken door de Syrische staat. Ook bijzonder is dat de hoofdverdachte een vrij hoge functie binnen het regime had. ‘Hij is geen kleine vis’, stelt Al-Bunni. De aangeklaagde Anwar R. (57), herkenbaar aan de grote moedervlek onder zijn linkeroog, was hoofd onderzoek bij afdeling 251 van de inlichtingendienst in Damascus, bijgenaamd Al-Khatib, waartoe ook een gevangenis behoort. Hij gaf leiding aan ondervragers en was de militair overste van het gevangenispersoneel.

De zaak handelt over de gewelddadige reactie van het regime op de Syrische lente, toen de bevolking in 2011 de straat op ging om democratie te eisen. Het land belandde in een draaikolk van conflicten. Volgens het Syrian Observatory for Human Rights zijn sindsdien 586.100 personen gedood en miljoenen Syriërs ontheemd en gewond geraakt. Anwar R. wordt verantwoordelijk gehouden voor de marteling van vierduizend gedetineerden, die bij 58 gevangenen tot de dood leidde, en seksueel geweld. Ondergeschikte Eyad A. (44) speurde straten af om vluchtende demonstranten op te pakken. Hij staat terecht voor zijn betrokkenheid bij de arrestatie van minstens dertig mensen die in de bus naar de gevangenis afgeranseld werden. Hij wist dat ze in detentie gefolterd zouden worden.

Al-Bunni’s smartphone gaat. ‘I am so excited’, zegt hij tegen een journalist die hem belt voor een reactie op het proces, dat op 23 april dit jaar begon. ‘Ik heb niets tegen hem persoonlijk. Maar hij is een crimineel die terecht moet staan’, zegt hij over de hoofdverdachte. ‘Hij werkte in een duivelse machine die mensen martelt. We moeten die machine stoppen.’ Het hele terras luistert mee.

Al-Bunni werd in 1959 geboren in Hama, een stad ruim tweehonderd kilometer ten noorden van Damascus, in een christelijk gezin. Zijn vader werkte om zijn magere salaris aan te vullen ook als edelsmid. ‘Hij stond ’s ochtends om drie of vier uur op om sieraden als oorbellen en kettingen te maken die net antiek leken. Ik hielp hem, stond tegelijk met hem op. Toen hij aan een hartaanval stierf, was ik twaalf jaar oud. Ik nam mijn verantwoordelijkheid en zette zijn werk als edelsmid voort’, zou Al-Bunni later in de week vertellen.

Het was ook een politiek actieve familie. Zijn broers, zus en schoonzus waren betrokken bij de oprichting van de communistische partij – ‘die eigenlijk meer socialistisch was’. Vanaf 1977 werden de eerste familieleden opgepakt. ‘Ze belandden zonder eerlijk proces in de gevangenis. Toen besloot ik dat ik advocaat wilde worden om hen te kunnen verdedigen’, zegt hij. Een jaar later, in 1978, was hij zelf slachtoffer. ‘Ik woonde bij mijn zus. Ze wilden eigenlijk haar arresteren, maar ze was niet thuis en daarom namen ze mij mee.’ Hij werd een week vastgehouden door afdeling 251, waar jaren later Anwar R. de ondervragingen zou leiden. ‘Ik ben gemarteld’, zegt Al-Bunni. ‘Ze hebben me geslagen en elektrische schokken gegeven. En ze deden het wiel’, waarbij het slachtoffer dubbel gevouwen in een autoband wordt geperst en weerloos wordt afgeranseld.

Toch volgde eerst nog een opmerkelijke baan als assistent-ingenieur voor een militair bedrijf dat een ‘goede en gezonde’ gevangenis in Saydnaya zou bouwen. ‘Ik was opgetogen, want gevangenen zouden het beter hebben. Het had geen ondergrondse cellen zoals die andere afschuwelijke detentiecentra, maar cellen met licht, voetbalfaciliteiten en een bioscoop. Het was een humane gevangenis. Moderne Duitse stijl, zeg maar’, legt hij met gevoel voor macabere absurditeit uit. In 2017 beschreef Amnesty International hoe de gevangenis tijdens de Syrische lente ‘a human slaughterhouse’ werd.

Het moment dat Al-Bunni alles doorzag was in 1981, toen hij voor vakantie naar Hama ging, waar het regime en soennitische moslims in een strijd waren verwikkeld. ‘Ik zag zoveel misdrijven. Ik zag zoveel lichamen in de straat. Vanaf dat moment wist ik waar het regime toe in staat was. Niets zou mij meer verbazen.’ Een jaar later vond het bloedbad van Hama plaats, waarbij mogelijk tienduizenden slachtoffers vielen.

Al-Bunni studeerde rechten in Damascus. ‘Ik ben een advocaat, geen activist’, benadrukt hij. Altijd zat er wel een bekende in de gevangenis. ‘Alle straffen opgeteld zaten mijn naaste familieleden 73 jaar vast. Ik kon niet een echte verdediging voeren, maar ik probeerde de omstandigheden voor mijn cliënt te verbeteren, of dat ze een lagere straf kregen. Het ging erom dat ik er was en hen kon steunen.’ Hij gaf ook informatie door aan internationale mensenrechtenorganisaties.

Al-Bunni verdedigde Moslimbroeders, Koerden en oppositieleden als Riad Seif, Riad al-Turk van de communistische partij, de eigenaar van een satirisch tijdschrift, en Aref Dalila, hoofd van de economische faculteit die actief was in de Damascener lente, het debat dat na de dood van de Syrische leider Hafez al-Assad in 2000 onder dissidenten losbarstte en meteen werd onderdrukt.

Was hij nooit moedeloos? ‘Nee, nooit’, antwoordt Al-Bunni. Pas na aandringen zegt hij: ‘Natuurlijk zijn er moeilijke momenten. Iedereen heeft dat. Soms voel ik me verdrietig, boos, machteloos of verlies ik de hoop. Ik ben ook maar een mens.’ Hij haalde kracht uit de mensen om zich heen en de overtuiging dat zijn inzet zinvol was. ‘Het is niet mijn werk. Het is niet mijn baan. Het is mijn leven’, zegt Al-Bunni gepassioneerd. ‘Het is 24/7. Ik neem nooit vrij. Mijn vrouw is er niet altijd gelukkig mee. Ze heeft gelijk. Zij voedde voor het grootste deel de kinderen op. Maar het is wie ik ben.’ Zijn keuze betekende ook financieel een eenvoudig bestaan. ‘Ik had een oude auto uit 1962. Als die kapot was, repareerde ik ’m zelf, gewoon in de straat.’

Bij het gerechtsgebouw in Koblenz zitten filmmaker Feras Fayyad (l), Wafa Mustafa met een foto van haar vermiste vader en Anwar al-Bunni voor portretten van slachtoffers van het Syrische regime, 4 juni © Thomas Lohnes / AFP / ANP

Op het terras wordt het eten gebracht. Kip met friet voor Al-Bunni. Als de bestelling voor journaliste Soumaia ‘Luna’ Alolabi er nog niet is, staat hij galant op om de Syrische shoarma voor haar te halen. ‘Ik heb in dezelfde afdeling 251 vastgezeten’, zegt ze. Ze had bewijs van chemische aanvallen op de bevolking uit het land gesmokkeld en werd opgepakt. Ze zat een maand in Al-Khatib, waar ze haar martelden door op haar voeten te slaan. Ze kon dagen niet lopen. ‘Maar het ergste was dat ze dreigden mijn twee kinderen te halen en hen voor mijn ogen te martelen als ik niet vertelde wat ze wilden horen.’ Het was begin 2014, toen Anwar R. al het land uit was. ‘Daarom valt mijn zaak buiten dit proces. Maar we moeten over deze misdrijven blijven spreken, voor al die mensen die tot de dag van vandaag worden gemarteld.’

‘Nee’, antwoordt Al-Bunni met jongensachtige bravoure op de vraag of zijn mensenrechtenwerk in Syrië niet gevaarlijk was. ‘Zíj moesten oppassen!’ roept hij uit, verwijzend naar het regime. Hij werd diverse malen opgepakt en zat dan een paar dagen vast. ‘No big deal.’ Maar als hij op 17 mei 2006 laat in de middag zijn huis verlaat, komt er opeens een wagen aanrijden. Mannen grijpen hem beet, duwen hem geblinddoekt in de wagen en nemen zijn telefoon, trouwring en identiteitsbewijs in beslag. Al-Bunni kreeg twee klappen toen hij antwoordde dat zijn ontvoering bewijs was dat mensenrechten in Syrië werden geschonden. Hij werd een nacht vastgehouden in een kleine cel met vijftig mannen. ‘Ik hoorde het afgrijselijke geschreeuw van gevangenen die werden gefolterd.’

De volgende dag werd hij naar de politie gebracht, waar zijn blinddoek af ging. ‘Ik zag hem, want hij gaf me mijn spullen terug’, vertelt Al-Bunni. Anwar R., de man die nu terechtstaat in Koblenz, gaf leiding aan zijn arrestatie. ‘Ze vervolgden me omdat ik sprak over martelingen en andere mensenrechtenschendingen. Maar de werkelijke reden was dat ik een centrum voor mensenrechtentrainingen had opgericht dat door de EU werd gefinancierd. Dat maakte hen razend.’ Al-Bunni ging voor vijf jaar de cel in.

‘Ik denk aan de 130.000 mensen die door het regime en rebellen-groepen werden opgepakt. Ik vrees dat de helft dood is. Ik spreek voor hen’

Hij zat met gewone criminelen als moordenaars in de dodencel. Hij werd niet gemarteld. ‘Tweemaal hebben ze getracht mij te vermoorden, waarvoor de opdracht beslist van de veiligheidsdienst kwam. Ze wilden me van de tweede verdieping gooien. Andere gevangenen hebben mij gered.’ Hij kwam de lange jaren door met het schrijven van voorstellen voor een nieuw Syrië, overgangsrecht en wetsvoorstellen. Internationaal werd actie voor Al-Bunni gevoerd. Frontline Defenders onderscheidde hem in 2008 met de Award for Human Rights Defenders at Risk. Een jaar later kreeg hij de mensenrechtenprijs van de Deutscher Richterbund.

Op 22 mei 2011 kwam hij vrij, twee maanden na het begin van de Syrische lente. ‘Mijn droom was uitgekomen. Vanuit de gevangenis had ik al een steunverklaring voor de vreedzame demonstraties uit doen gaan’, zegt hij. Meteen besloot Al-Bunni demonstranten te verdedigen die met duizenden werden opgepakt. Het gaf hem bekendheid bij het grote publiek. Tot het voor hem en zijn familie levensgevaarlijk werd. Eerst zorgde hij ervoor dat zijn vrouw en kinderen veilig in Libanon waren. ‘Ik schoor mijn baard af. Ik verfde mijn haar en snor blond. Ook deed ik blauwe contactlenzen in’, vertelt hij. ‘Dat is eens maar nooit meer’, roept hij opeens uit, alsof contactlenzen het ergste waren wat hem ooit was overkomen. Met een vals paspoort verliet hij in 2014, geholpen door kameraden, zijn vaderland. Hij bereikte Beiroet, waar een Duits visum klaar lag.

Eerst moest hij in Berlijn een huurappartement voor hem en zijn gezin vinden. Het werd hem duidelijk dat hij niet de diploma’s had om in Duitsland als advocaat te werken. In 2015 richtte hij het Syrian Center for Legal Researches & Studies op. Hij sprak zich uit over mensenrechtenschendingen in Syrië. Teleurgesteld zag hij dat het Internationaal Strafhof in Den Haag (icc) niets kon betekenen. Omdat Syrië geen lid is heeft het hof er geen automatische jurisdictie. Rusland en China vetoden in 2014 de resolutie in de VN-Veiligheidsraad om het icc toestemming te geven onderzoek te doen naar internationale misdrijven in Syrië en hoofddaders te vervolgen.

De route naar gerechtigheid zou anders lopen. Al-Bunni vond een bondgenoot in het European Center for Constitutional and Human Rights (ecchr) in Berlijn, dat inzet op juridische interventies. ‘Ik zei tegen hen: jullie moeten werken aan concrete zaken tegen verdachten en deze aan de Duitse aanklager presenteren’, vertelt hij. Sinds 2011 liep bij de Duitse justitie al het ‘Strukturermittlungsverfahren’ – een breed onderzoek, niet gericht op specifieke daders maar op structuren waarbinnen het regime en oppositie misdrijven begaan. ‘We zijn in 2016 echt van start gegaan met het verzamelen van bewijs en getuigenverklaringen’, vertelt Al-Bunni. ‘Ik ken de mensen die ik in Syrië heb verdedigd en weet wat ze hebben doorstaan. Ook weet ik waar ze zich bevinden in Duitsland en andere landen.’

Het ecchr, Al-Bunni en mensenrechtenactivist Mazen Darwish, die tijdens zijn gevangenschap in Syrië bijna werd doodgemarteld en ook naar Duitsland vluchtte, besloten zich te richten op het bewind. ‘Het overgrote deel van de misdrijven is door het regime gepleegd’, stelt Al-Bunni. Binnen een jaar, in maart 2017, deden ze, samen met Syrische getuigen en slachtoffers, aangifte bij de Duitse federale aanklager tegen zes hoge functionarissen van de Syrische militaire geheime dienst. Ze beschreven de onmenselijke behandeling en de verschrikkelijke martelingen die ze in de gevangenissen ondergingen of waarvan ze getuige waren geweest. De Duitse aanklager kwam meteen in actie. Begin mei werden mensen gehoord. Nieuwe aangiftes volgden, zoals tegen de top van de beruchte inlichtingendienst van de luchtmacht en de militaire Saydnaya-gevangenis. Ook spanden ze procedures aan in Oostenrijk, Zweden en Noorwegen.

In juni 2018 boekten ze een enorme overwinning toen bekend werd dat het Duitse Bundesgerichtshof de internationale opsporing gelaste van Jamil Hassan, het toenmalige hoofd van de inlichtingendienst van de Syrische luchtmacht. Hij is voortvluchtig.

Duitsland behoort tot de groeiende groep landen die zaken voert op basis van ‘universal jurisdiction’, universele rechtsmacht. Als misdrijven zo ernstig, schokkend en bedreigend voor de mensheid zijn, kunnen verdachten worden vervolgd, ook al hebben zij hun wreedheden in het buitenland gepleegd. Het gaat om ‘internationale misdrijven’ zoals genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven. Duitsland heeft de ruimste interpretatie in de wetgeving opgenomen, waardoor er geen relatie met Duitsland hoeft te zijn. (Voor Nederland geldt dat in het buitenland gepleegde internationale misdrijven pas kunnen worden vervolgd als de verdachte een Nederlander is of in Nederland verblijft, of als het slachtoffer een Nederlander is.)

Al-Bunni schat dat er zeker duizend Syrische daders in Europa zijn. ‘Als we bewijs tegen hen hebben, informeren we de politie.’ Onlangs werd de arts Alaa M. in Duitsland gearresteerd op verdenking van marteling in een detentiecentrum van de geheime dienst in Homs. Er zullen meer arrestaties volgen, zegt Al-Bunni. Volgens het overzicht dat de ngo Trial International elk jaar van deze universal-jurisdiction-zaken maakt, liepen er vorig jaar in Europese landen en de VS 26 procedures tegen Syrische functionarissen, rebellen, islamitische terroristen en westerse bedrijven die sancties overtraden. Duitsland neemt met dertien zaken het leeuwendeel voor zijn rekening, waarna Frankrijk met vier zaken volgt. Nederland heeft drie van zulke zaken.

Hoe liepen de Koblenz-verdachten tegen de lamp? Toen het regime op vallen stond, besloot Anwar R. in 2012 over te lopen naar de oppositie en vertrok hij naar Jordanië. In 2014 maakte hij zelfs deel uit van de delegatie die in Genève vredesonderhandelingen voerde. Zijn nieuwe rol verschafte hem het perfecte profiel voor het Duitse vluchtelingenopvangprogramma. In 2014 kreeg Anwar R. een Duits visum en vloog hij naar Duitsland. Maar dan maakt hij een fout. In februari 2015 meldt hij zich bij een politiebureau in Berlijn en vraagt hij om bescherming omdat hij het gevoel heeft achtervolgd te worden, mogelijk door de Syrische geheime dienst, zijn voormalige werkgever. En zo ontmaskert Anwar R. zichzelf als voormalige kolonel bij afdeling 251 van de inlichtingendienst. In februari 2019 pakt de Duitse justitie hem op.

Juist het feit dat hij was overgelopen naar de oppositie zorgt voor discussies binnen de Syrische gemeenschap. Als je afstand van het regime neemt, moet je dan wel worden vervolgd voor misdrijven waar je voorheen als functionaris bij betrokken was? Maar Al-Bunni stelt: misdrijf is misdrijf. Toen de Duitse autoriteiten een strafrechtelijk onderzoek tegen Anwar R. opstartten, benaderden ze ook Al-Bunni. ‘Ze weten dat ik honderden mensen heb verdedigd en veel slachtoffers persoonlijk ken.’ Hij vroeg zijn oude cliënten mee te werken. In oktober 2018 werden de eerste verklaringen tegen de hoofdverdachte opgenomen. ‘Later brachten we nog meer slachtoffers in contact met de aanklager.’ Sinds het proces begon, hebben zich nog eens ‘meer dan honderd’ getuigen gemeld.

Eyad A. kreeg geen visum. Hij zou er ruim vijf jaar over doen om via Turkije en Griekenland de barre tocht naar Duitsland af te leggen, waar hij asiel aanvroeg. Nadat de Duitse autoriteiten hem in 2018 in het kader van het ‘structuuronderzoek’ opriepen om te vertellen over Syrië veranderde hij tijdens de gesprekken van getuige in verdachte.

Is hij er klaar voor? Morgen zal Al-Bunni beginnen met zijn verklaring voor de rechtbank. ‘Ik ben er altijd klaar voor’, grijnst hij. ‘Ik ben overtuigd van wat ik doe’, vervolgt hij op serieuze toon. ‘Ik denk aan de 130.000 mensen die door het regime en rebellengroepen werden opgepakt. Mensen weten niet wat er met hen is gebeurd, maar ik vrees dat de helft dood is. Het is niet mijn stem die spreekt. Ik spreek voor hen. Ook de overlevenden lijden. Zij willen gerechtigheid. Ik hoor al deze stemmen. Het is mijn plicht om iets voor hen te doen.’

Het weer is omgeslagen. De lucht is grijs en het motregent. In alle vroegte, om kwart voor zeven, staan de eerste bezoekers met slaapgezichten al te wachten voor het gerechtsgebouw in Koblenz. Het proces biedt Syrische en internationale mensenrechtenactivisten, gelijkgestemde zielen, journalisten, juristen en waarnemers ook een gelegenheid elkaar te ontmoeten. Om zeker te zijn van een plekje moeten bezoekers uren van tevoren aanwezig zijn; vanwege de coronacrisis heeft de publieke tribune slechts 29 zitplaatsen.

‘Daar komt Mazen aan’, wijst iemand naar de oude donkere auto die in de straat stopt. Mensenrechtenactivist Mazen Darwish volgt het proces als waarnemer. ‘Het is ook een test voor ons, als Syriërs’, glimlacht hij terwijl hij het plein voor de rechtbank oploopt, ‘om te zien of we echt voor een eerlijk proces zijn, als het om onze tegenstanders gaat.’ Zijn Syrian Center for Media and Freedom of Expression deed in 2019 samen met andere mensenrechtenorganisaties aangifte bij de Franse justitie tegen Islam Alloush, de voormalige woordvoerder van Jaysh al-Islam, die in 2013 vier bevriende activisten ontvoerde. Alloush werd op 29 januari 2020 in Marseille gearresteerd.

Bij de beveiligde ingang moeten bezoekers hun paspoort tonen, waarna ze door een beveiligingspoortje lopen. Op de eerste verdieping is nog een security check voor de immense rechtszaal. Rechts zitten de twee verdachten en hun advocaten, allen gescheiden door plexiglas. Links hebben de aanklagers plaatsgenomen. In het midden staan plexiglas-hokjes voor de slachtoffers en hun advocaten. Aan het andere eind van de rechtszaal nemen de vijf rechters plaats. Tv-ploegen hebben hun camera’s op hoge statieven geplaatst.

Al-Bunni is er nog niet. Hij overlegt met zijn Duitse advocaat over zijn verklaring straks. Deze ochtend zal een van zijn vroegere cliënten, de inmiddels wereldberoemde filmmaker Feras Fayyad, zijn hartbrekende verklaring afronden. Toen Fayyad in 2012 in Syrië werd voorgeleid, was Al-Bunni zijn raadsman. ‘Hij was psychologisch totaal kapot’, herinnert de mensenrechtenadvocaat zich. Tijdens de Syrische lente filmde Fayyad de protesten en het gewelddadige antwoord van het regime. Na zijn tweede arrestatie werd hij overgebracht naar Al Khatib, waar Anwar R. hoofd ondervragingen was. Nooit eerder vertelde de filmmaker publiekelijk over wat er daar met hem gebeurde. Zelfs zijn familie had hij niet alles kunnen vertellen.

‘Toen we begonnen geloofde niemand dat er een arrestatiebevel zou komen tegen een Syrische functionaris. Nu hebben we een echte rechtszaak’

Iedereen valt stil als Fayyad (36), gekleed in een olijfgroen shirt en een spijkerbroek, de zaal binnenstapt. Donkere ogen, een innemend gezicht, een volle haardos die voortijdig grijs is. Fayyad maakte aangrijpende documentaires over Syrië, waarvoor hij tweemaal voor een Oscar is genomineerd. Dit jaar nog voor zijn diepmenselijke film The Cave, over het ondergrondse ziekenhuis in Ghouta waar artsen en verplegers met gevaar voor eigen leven slachtoffers en patiënten behandelen.

Fayyad loopt langs de publieke tribune met Syriërs die zoals hij de gruweldaden van het Syrische regime ondervonden. Net als gisteren zal hij vandaag de pijnlijke vragen van de rechters beantwoorden. Voor in de rechtszaal neemt de filmmaker plaats naast zijn advocaat en vertaler. Telkens als hij een zin in het Arabisch heeft uitgesproken, volgt een vertaling in het Duits. Na zijn arrestatie moest hij zich uitkleden en zat hij naakt met andere gevangenen in een cel waar het zo vol was dat mensen staand probeerden te slapen. In de grote cellen was het doodstil. De gevangenen durfden alleen te fluisteren. Degenen die er al langer zaten vertelden de nieuwelingen wat ze konden doen om het slaan beter te ondergaan. In ieder geval geen weerstand bieden, ‘want dan ga je dood’. Fayyad zag lichamen liggen, maar wist niet of de slachtoffers dood waren.

Zeker driemaal werd hij, geblinddoekt, ondervraagd. Hij werd aan zijn polsen opgehangen en afgeranseld, of op de grond gefolterd. Mannen sprongen op zijn lichaam. Ook kreeg hij koud water over zich heen en werd hij met kabels en stokken op zijn voeten en rug geslagen. ‘Elke persoon wist dat er werd gefolterd en seksueel geweld werd gepleegd’, zegt de filmmaker, die de rechters had verteld dat hij met een houten stok was verkracht. Fayyad herinnert zich de ondervrager, een kleine man gekleed in wit overhemd met stropdas. Hij is er ‘zestig tot zeventig procent’ zeker van dat het Anwar R. was.

Na tweeënhalve maand werd hij opeens vrijgelaten. Het toegebrachte letsel bleek zo ernstig dat hij geopereerd moest worden. Hij vluchtte naar Turkije maar keerde in het geheim terug en maakte de gelauwerde documentaire Last Men in Aleppo, over het leven in de belegerde stad en de reddingsacties van de White Helmets, burgers die uitrukken om mensen in nood te helpen. Nog altijd heeft hij pijn in zijn handen en benen als gevolg van de martelingen. Hij slaapt slecht en lijdt aan depressies.

Feras Fayyad en Anwar al-Bunni voor het gerechtsgebouw © Thomas Lohnes / AFP / ANP

Het is middagpauze. Al-Bunni is zojuist gearriveerd. Op het plein voor het gerechtsgebouw omhelst hij vrienden. Filmmaker Fayyad wijkt niet van zijn zijde. ‘Ik heb nooit geweten dat hij in detentie was verkracht. Dat hoorde ik pas tijdens dit proces’, zal Al-Bunni later vertellen. De twee lopen naar de stoep, waar de jonge Wafa Mustafa 61 portretten heeft uitgestald van Syrische kinderen, mannen en vrouwen die worden vermist, vastzitten of zijn vermoord. Met beide armen houdt zij een foto vast van een man met een zonnebril op. ‘Mijn vader Ali werd in juli 2013 meegenomen. We hebben nooit meer iets van hem vernomen’, zegt ze met trieste ogen.

Met rustige tred loopt Al-Bunni door de rechtszaal. Als hij plaatsneemt, zitten rechts de verdachten, vlakbij. De rechters vragen naar zijn leven, zijn werk, de structuur van inlichtingendiensten, zijn gevangenschap en de arrestatie in 2006, waarbij de hoofdverdachte direct betrokken blijkt te zijn. Al-Bunni ziet hoe Anwar R. telkens ‘nee’ schudt. De rechtbank vraagt hoe de mensenrechtenadvocaat kon weten dat het Anwar R. was die hem oppakte, want hij was immers geblinddoekt. ‘Toen ik werd overgedragen aan de politie vroeg ik wie deze mannen waren. Ze zeiden dat het om Anwar R. ging.’ Al-Bunni twijfelt niet. ‘Natuurlijk ziet hij er nu wat anders uit. Hij is wat corpulenter. Maar ik ben er zeker van dat hij het is.’

Het geweld werd na het uitbreken van de Syrische lente zoveel extremer, legt hij uit. Voor 2011 had het regime het gemunt op de oppositie, maar daarna richtte het zich tegen het volk. ‘Het doel van de foltering was wraak. Het ging niet meer om het verkrijgen van informatie, want daar had men weinig interesse voor. Men zei: “Willen jullie vrijheid, dan worden jullie gefolterd, tot de dood erop volgt.”’

De cellen waren overvol. ‘Mensen konden niet meer denken. Ze hallucineerden. Ze kregen geen lucht en raakten in ademnood. Een klein wondje werd al snel een grote infectie.’ Als bewakers brood in zakjes brachten, gebruikten sommige gevangenen het plastic om de wonden te verbinden. ‘Het is onmogelijk te beschrijven hoe hun huid eruitzag’, vertelt Al-Bunni. Gevangenen verloren de helft van hun gewicht. Hoe weet hij dit, heeft hij dit met eigen ogen gezien? blijven de rechters aandringen. Het zijn deze momenten waarop Syrische bezoekers het gevoel hebben dat de rechtbank niet echt begrijpt wat zich in hun land afspeelt.

Maar het doorvragen ziet Al-Bunni als teken dat de rechters het écht willen weten. Dan verklaart hij over die curieuze ontmoetingen in Duitsland. Al-Bunni was met zijn vrouw op stap. ‘En toen zag ik een persoon van wie ik het gevoel had dat ik hem kende’, zegt hij. Een week later vertelden vrienden dat Anwar R. in Berlijn was. ‘Toen zei ik tegen mijn vrouw: dat is ’m!’ Al-Bunni zou de hoofdverdachte nog een keer bij een bouwmarkt tegenkomen. Hij maakte er nog een grap over tegen zijn vrouw: ‘Volgt hij ons zelfs tot hier?’

De volgende ochtend staat Al-Bunni met zijn Duitse advocaat buiten bij het bakkertje in de straat van het gerechtsgebouw een e-sigaret te roken. Hij haalt geanimeerd herinneringen op. Het was ergens rond 2002 toen hij aan tafel zat bij een diner ter gelegenheid van het bezoek aan Syrië van een delegatie van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken. Een van de echtgenotes vertelde dat ze een antieke ketting had geërfd van haar moeder, die tien jaar in Damascus had gewoond. Al-Bunni noemde de naam van een winkel en vroeg of haar moeder het juweel daar had gekocht. Hoe weet je dat, vroeg de verbaasde vrouw. ‘Ik heb die ketting gemaakt!’ herhaalt Al-Bunni zijn antwoord van toen en hij lacht breeduit.

Hij neemt nog een trekje van zijn e-sigaret, pakt zijn smartphone en laat een oude foto zien, waarop hij met zijn vrouw, twee zoons en dochter thuis in Syrië op de bank zit. Bij een volgend kiekje heeft hij een meisje met wijduitstaand haar, gekleed in een stoere trui, op zijn schouders. ‘Mijn dochter! Mijn zoons zijn rustig, maar zij is zo druk! Net een jongen. Sorry, dat is traditioneel denken’, grijnst hij.

Uiteindelijk heeft Al-Bunni toch zijn familie opgetrommeld om zijn historische rechtbankverklaring mee te maken. Zijn dochter helpt Wafa Mustafa om witte tulpen bij de portretten op de stoep te leggen. Zijn zoon staat in de rij voor het gerechtsgebouw. Terwijl Al-Bunni de laatste vragen van de rechters beantwoordt, neemt op de publieke tribune een echtpaar plaats: zijn broer – de dissident en schrijver Akram Al-Bunni, die meer dan twintig jaar vastzat – en zijn schoonzus.

‘Het was geweldig’, vat Al-Bunni zijn ervaring later samen. ‘Voor het eerst loop ik een rechtszaal binnen om een bijdrage te leveren aan een zaak waarbij iemand is aangeklaagd voor zulke misdrijven.’ Wat is het grote verschil met Syrië? ‘Hier respecteren ze de verdachte als mens. In Syrië hebben ze nergens respect voor.’ Het is belangrijk om menselijk te blijven. ‘Ik ben trots dat ik niet ben geworden zoals zij. Het regime wil dat we in monsters veranderen, zoals zij zijn. Maar als we zo worden, hebben ze gewonnen.’ Hij vervolgt: ‘Als ik slaap, slaap ik heel diep, want er is niets dat me dwars zit. Als ik in de spiegel kijk, zie ik iemand die ik in ieder geval niet haat.’ Al-Bunni begrijpt dat andere Syriërs wraakgevoelens hebben, maar zelf kent hij die niet. Hij verwijst naar Feras Fayyad, die tot verbazing van velen in de rechtszaal zei dat hij Anwar R. kon vergeven als hij zijn excuses zou aanbieden.

Ook al is het maar één proces tegenover een niet te bevatten omvang van misdrijven, het is een bijzondere overwinning. ‘Toen we begonnen, geloofde niemand dat er een arrestatiebevel zou komen tegen een Syrische functionaris. Nu hebben we een echte rechtszaak’, legt Al-Bunni uit. Hij geeft de voorkeur aan concrete strafprocessen boven het initiatief van de Nederlandse regering, die op 18 september aankondigde het Syrische regime verantwoordelijk te houden voor mensenrechtenschendingen. Nederland, dat zich inzet voor gerechtigheid voor slachtoffers en een einde aan de straffeloosheid, zal eerst proberen te onderhandelen met Syrië. Als dat niet lukt kan Nederland de zaak voordragen voor arbitrage of naar een internationaal hof stappen. Ondanks veel positieve reacties zegt Al-Bunni: ‘Dat gaat vele jaren duren, en wat zal het opleveren?’

Het proces in Koblenz is een belangrijke stap op de lange weg naar gerechtigheid voor Syriërs. ‘Je ziet het aan Feras. Hij voelt hoe het hem verandert. Nu besloot hij zijn vrouw en familie te vertellen wat er met hem is gebeurd.’

Ook voor Syrië heeft het betekenis. ‘Met deze zaak zijn functionarissen van het regime gelabeld als criminelen. Het is ontzettend belangrijk dat we al die misdadigers achter de tralies krijgen zodat ze in de toekomst geen rol meer kunnen spelen. Zodat niemand kan zeggen: we gooien het met hen op een akkoordje, laat hen maar een leidende rol spelen in Syrië, want vrede is belangrijker dan gerechtigheid.’

Op het plein voor de rechtbank omhelst Al-Bunni zijn Duitse advocaat en zwaait hij naar de twee officieren van justitie die het gebouw verlaten. Met zijn familie en vrienden gaat hij in Koblenz lunchen voordat ze weer uiteen gaan. Het groepje wandelt de straat uit, terwijl het geratel van Al-Bunni’s rolkoffertje nagalmt.