Tulsa & Teenage Lust

Het reservoir van tragisch besef

De alomtegenwoordigheid van pornografie stompt af, maar de klassieke fotoseries van Larry Clark blijven aandoenlijk, hartverscheurend en schokkend.

Medium new york city 1968 speedy  barb 1968 c larry clark  courtesy of the artist and luhring augustine new york

Het is de achtergrond die de foto vult: een onscherp mengsel van een truck op een stoffige weg en een paar bomen. David Roper – roepnaam ‘Ripper’ of ‘Roper’ – zit rechtsonder in het beeld. Hij heeft zijn armen over elkaar geslagen en door de kadrering lijkt het een beetje alsof hij ze laat rusten op het onbelichte fotopapier onder hem. Zijn gezicht heeft iets muizigs, een beetje zoals het gezicht van Kafka iets muizigs had, maar tegelijkertijd is hij onmiskenbaar knap. Knap en jong. Je zou aan Kit, het getroubleerde personage van Martin Sheen in Terrence Malicks Badlands kunnen denken, maar dit hier is het niksige Tulsa, Oklahoma, in plaats van het uitgestrekte niets van het twee rechthoekige staten en drie horizonstrakke grenzen noordelijker gelegen South Dakota. Roper kijkt niet in de lens. Hij staart in de diepte achter ons en achter de fotograaf. Wat hij daar ziet? Ongetwijfeld een stoffige weg, waarschijnlijk een paar bomen en misschien ook een truck.

Het Amsterdamse fotografiemuseum Foam toont twee klassieke fotoseries van de Amerikaanse fotograaf en filmmaker Larry Clark: Tulsa (1971) en Teenage Lust (1983). Wie de foto’s in de eerste zaal met de klok mee afloopt, stuit direct op dit beeld van Roper. Je kunt er zo een paar minuten blijven staan. De compositie is wat vreemd maar de afdruk zelf duidelijk vakkundig. Hij is op een witte achtergrond geplakt en zonder passe-partout in een kleine zwarte lijst opgeborgen, achter glas. De hoeken van de afdruk komen een beetje los, alsof hij zich probeert los te weken; alsof hij niet door heeft dat hij, eenmaal verlost van de lijm, niets anders zou kunnen doen dan naar de bodem van het platte terrarium zakken. Inhoud en vorm vallen op een prettige manier samen: alles aan het beeld en de fysieke afdruk straalt een soort diepe hopeloosheid uit, een vastzitten dat met geen mogelijkheid kan worden overwonnen.

De volgende foto, een jongen met een ontbloot bovenlijf achter het stuur van een auto, zijn elleboog nonchalant uit het raam, versterkt dat gevoel. Een mooie jongen in een klassieke auto, gefotografeerd in korrelig zwart-wit: eigenlijk zou dit beeld vooral associaties met Levi’s-reclames moeten oproepen, maar één blik in de ogen van de bestuurder is genoeg om te zien dat hij onrustig is, genoeg om te zien dat zijn gejaagdheid grenst aan angst, aan beginnende paranoia. Er schuin tegenover een foto van een stuk karton. Van een afstandje zou je kunnen denken dat het vod een meelijwekkende boodschap van een bedelaar moet bevatten, maar het blijkt een bericht aan het adres van de sterke arm: ‘Police (the ones that tore this house up) 2/11/70. If you dick-sucking mother fuckers come back today Don’t get mad if you find your mother + wife’s inside sucking nigger dicks.’ Was getekend: David Roper, 2/12/70.

Het verhaal van Larry Clark (1943) laat zich gemakkelijk navertellen noch samenvatten. Een zeer kort essay dat hij in 1971 schreef, in aanloop naar de publicatie van zijn eerste boek, begon met de gortdroge zinnen: ‘Ik werd geboren in Tulsa, Oklahoma, in januari 1943. Toen ik zestien was, begon ik valo te injecteren. Valo was een nasal inhaler, met een enorme hoeveelheid amfetamine, die je voor een dollar bij de drogist kon kopen.’ Op zijn achttiende vertrok hij naar New York om fotografie te studeren, maar al na een jaar of twee keerde hij terug naar Tulsa en terug naar de valo. Hij begon zijn vrienden te fotograferen maar moest al snel het leger in. Toen hij zijn vrijheid terugkreeg, pendelde hij tussen New York en zijn oude leven in Tulsa. In 1968 bleef hij de hele zomer, met het plan om foto’s en filmbeelden te schieten. ‘Ik schoot niet veel foto’s, er was te veel drugs. We hadden meer dan we konden gebruiken.’

Uiteindelijk verscheen Tulsa dan toch en het boek sloeg in als een bom. Zo scherp waren de rafelige randen van de American Dream zelden in beeld gebracht. Hunter S. Thompsons Fear and Loathing in Las Vegas verscheen in hetzelfde jaar en is thematisch sterk verwant aan Clarks beeldverhaal, maar wie nu aan Terry Gilliams verfilming met Johnny Depp denkt, zit met z’n gedachten dichter bij de Teletubbies dan bij de grauwe zelfkant van late sixties Tulsa.

Clark zat enige tijd vast en het duurde een decennium voordat een vervolg zich aandiende. De centrale rol die drugs en geweld speelden in het eerdere werk is nu weggelegd voor seks en verlangen. Teenage Lust, die titel is prachtig, een gedicht in twee woorden eigenlijk. Net zoals de titels van sommige foto’s in deze serie ultrakorte verhalen lijken: Playing kung fu in the park is een six word story. En een foto uit 1974: Prostitute gives teenager his first blow job.

‘Ik schoot niet veel foto’s, er was te veel drugs. We hadden meer dan we konden gebruiken’

Dat zo’n beeld ooit schokte is niet moeilijk voor te stellen, het is pornografisch. En hoewel het dat op een, in retrospectief, onschuldige manier is – het behoort zo ontzettend duidelijk tot een tijdperk dat je als het pre-omniporn zou kunnen omschrijven – helemaal vergeten wat aanstootgevend, gewaagd, of, in artistiekere termen, subversief is, doen we toch niet: de alomtegenwoordigheid van pornografie stompt af, maar wat je hier ziet is op hetzelfde moment toch aandoenlijk, hartverscheurend en schokkend. Teenage Lust bevat allerlei schijnbaar tegenstrijdige sentimenten: er zijn beelden om vrolijk van te worden, grofkorrelige vierinkjes van het leven en van de oneindigheid van de menselijke begeerte – een heuse l’origin du monde – maar ook beelden waarin hopeloosheid weer de boventoon voert. De hopeloosheid in de stad is harder, die daarbuiten doffer. Clark is ouder geworden, maar wat hem interesseert blijft gelijk: hij richt zijn camera op outcasts, jongeren in kleine subculturen; veel skateboarders en prostituees. In die zin verschilt Teenage Lust weinig van Tulsa, maar het net is nu wijder uitgeworpen. Je ziet bijna hoe Clark toegroeit naar wat waarschijnlijk zijn bekendste werk is, de speelfilm Kids, uit 1995. Niet groeien in de zin dat dat zijn beste werk is, het is vooral dat je ziet hoe en wanneer hij zijn bagage opdoet. Wat zich voor je ogen lijkt te vormen is een soort reservoir van tragisch besef.

Toen Harmony Korine’s Spring Breakers (2012) uitkwam, werd de film hier en daar aangekondigd als ‘van de maker van Kids’. Het scenario van de cultfilm werd weliswaar geschreven door de toen negentienjarige Korine, hij deed dat op basis van een verhaal van Clark. En het was Clark die de film regisseerde. Spring Breakers bewees nog maar eens wie wat bijdroeg aan Kids: het contrast tussen de aan joligheid grenzende en in black light en bikini’s gedrenkte gewelddadigheid van Korine’s Florida-orgie en het van pijn vergeven New York van Clarks Kids kon bijna niet groter zijn. Ook Kids was op het eerste gezicht een film met een dun verhaaltje: skateboarders, blowen, seks en – vooruit, iets zwaarder – aids. Maar wat de film zijn gewicht verleende, was alles wat je niet zag. Alles wat nu in Foam te zien is. Niet toevallig had zelfs Tulsa aanvankelijk een film moeten zijn.

In het museum is een klein filmzaaltje ingericht. Er wordt 58 minuten aan ruw 16-millimetermateriaal afgespeeld. Een man zit op de rand van een bed, in de vensterbank staat een tv. De man balt zijn vuist totdat de aderen in zijn onderarm opwellen; kleine riviertjes met de vergeefse wil om buiten hun oevers te treden. Zijn kaakspieren spannen zich terwijl hij een naald naar binnen schuift. Als hij het ding er weer uit haalt, geeft hij het aan een meisje dat naast hem op bed zit. Ze kijkt hem een beetje beteuterd aan. Of eigenlijk kijkt ze zijn rug beteuterd aan. In zijn elleboogholte vormt zich een donker meertje van bloed. Het meisje staat op en trekt een jurk aan over haar witte ondergoed. Ze kijkt wat minder bedrukt dan zo even. Het is deze scène die zich op verschillende manier blijft herhalen. Jongens, meisjes, half ontblote lijven en serieuze blikken, drugs en bedden die baden in zonlicht dat door grote ramen binnen valt. Het is een één uur durende stilte: de beelden tonen het zwijgen in het hart van iedere tragedie: het tragische en het hopeloze vallen uiteindelijk niet te verwoorden.

Hopeloos dus, maar toch een poging: die jongen op de rand van het bed, die jongen die eindeloos naalden in zijn arm blijft steken, die jongen stond ook op veel van de foto’s in Tulsa. Nee, niet Roper. Dit is Billy Mann. Mann staat ook op het meest sprekende beeld uit de serie, een soort op fotopapier afgedrukte ballad. Zoals in de film zit hij ook hier op bed. De foto is een soort leegte, want ook al vult Mann bijna het hele beeld, er staat verder bijna niets op. Een horloge en een pakje Marlboro; een broek en een paar sokken; een naakt bovenlijf en een revolver. Wie niet aan James Dean denkt, is gek. Alles schreeuwt: ‘Rebel without a cause’; alles fluistert: ‘Live fast, die young and leave a good looking corpse.’ Hoe waar die clichés zijn? ‘Billy overdosed on morphine and died’, schrijft Clark in het eerder genoemde essay.

Die nuchtere woorden verhullen de omvang van de tragedie. Maar hoewel je de feiten nooit zou kunnen aflezen uit het beeld, de rest van het verhaal voel je wel. Het zal toevallig zijn, maar door de inrichting van de tentoonstelling lijkt Billy vanachter zijn revolver naar twee andere foto’s te kijken. Op een daarvan is hijzelf te zien. Hij ligt op zijn rug te roken en vanaf zijn buik staart een baby recht in de camera. Daarnaast hangt een foto van een meisje, begin twintig. Ze heeft donker haar en Mexicaans bloed. Ze heet Deanna en kijkt vanaf haar eigen foto naar die van Billy en de baby. Haar Billy en haar baby. Het verhaal is groter, maar de feiten zijn klein en simpel: Deanna zou een jaar of wat later worden gevonden in de keuken, een revolver in haar hand en een schotwond in haar hoofd. Billy leeft daarna een paar jaar met een andere vriendin, aan gene zijde van de wet. Wanneer de twee samen besluiten clean te worden, gaan ze zoals het verslaafden betaamt nog één keer de woods in om high te worden. Billy’s vriendin vindt geen goede ader en uiteindelijk neemt hij haar morfine-shot ook maar. En dat is het einde van de geschiedenis van Billy Mann.


Larry Clark, Tulsa Teenage Lust, t/m 12 september in Foam, Amsterdam

Beeld: New York City, 1968, Speedy & Barb (Larry Clark/Courtesy of the Artist and Luhring Augustine, New York).