De troeven van Geert Wilders

Het ressentiment regeert

Sinds Pim Fortuyn is morele verontwaardiging de dominante emotie in het Nederlandse publieke debat. ‘De wraak der machtelozen’ (Nietzsche) is aanstaande. We moeten Geert Wilders daarom serieus nemen, want wie het ressentiment de mond wil snoeren, wakkert het juist aan.

DE ONTSNAPPING van de van mensenhandel en zware mishandeling verdachte Saban B. deed onlangs een golf van verontwaardiging over Nederland trekken. De Turks-Duitse bendeleider, die volgens het Openbaar Ministerie meer dan honderd vrouwen dwong tot prostitutie, was al veroordeeld tot 7,5 jaar gevangenisstraf, maar mocht in afwachting van het hoger beroep van de Arnhemse rechtbank toch een week met onbegeleid verlof om – naar verluidt – zijn pasgeboren kind te bezoeken. Daarop nam Saban B., die bekendstond als vluchtgevaarlijk, de benen.
Het oordeel van de kranten was unaniem: hoe wereldvreemd is de rechtspraak geworden dat zij uitgerekend deze man op verlof heeft laten gaan? Kan de burger überhaupt vertrouwen op een dergelijk systeem? Zelfs minister Ernst Hirsch Ballin (Justitie, CDA), die doorgaans de rust zelve is, zei ‘onthutst’ te zijn. Tweede-Kamerlid Fred Teeven (VVD) noemde de voorlopige vrijlating ‘van de zotte’ en kwam onmiddellijk met een wetsvoorstel om de verlofregeling te beperken.
Diezelfde avond was advocate Britta Böhler te gast bij Pauw & Witteman. Zij noemde de verbijstering invoelbaar, maar benadrukte dat de hoon die de rechters ten deel viel voorbarig en ongestaafd was. Terecht merkte Böhler op dat de gronden waarop in totaal zes rechters hadden besloten om verlof te geven tot op heden niet bekend waren en voegde daaraan toe dat Saban B. nog niet definitief was veroordeeld. Dat betekende dat hij, zoals het grondbeginsel van onze rechtsstaat voorschrijft, beschouwd moest worden als verdachte, niet als dader – hetgeen het recht op verlof zwaarder doet wegen. Dat zijn ontsnapping het resultaat was, is wijsheid achteraf, aldus Böhler: dat doet niets af aan de overwegingen die een neutrale rechter vóóraf heeft te maken.
Niemand aan tafel wenste naar Böhler te luisteren. Telegraaf-hoofdredacteur Sjuul Paradijs, die tegenover haar zat, sneerde doodleuk: ‘U leeft op een andere planeet, mevrouw.’ Feitelijk had hij nog gelijk ook: Böhler leeft op een planeet waar verdachten worden beschouwd als mensen met rechten. Paradijs woont daarentegen in de wereld van de publieke emotie, waar het oordeel al lang geveld was: deze man had opgeknoopt moeten worden. Terwijl Paradijs Saban B. een ‘monster’ bleef noemen, probeerde Böhler vergeefs duidelijk te maken dat niemand in een rechtsstaat een ‘monster’ was zolang zijn schuld niet onomstotelijk vaststond. Het mocht niet baten: de verbijstering won het met gemak van de redelijkheid.

NU GAAT het mij niet om wie er gelijk heeft, maar om die explosie van verontwaardiging die op het nieuws volgde. Die staat namelijk niet op zichzelf. Morele verontwaardiging is sinds de Fortuyn-revolte zelfs een van de meest dominante emoties in het Nederlandse publieke debat. Eén blik op de meest populaire weblogs spreekt wat dat betreft boekdelen. Zodra een rechter ergens een milde straf uitdeelt, een bestuurder boven de Balkenende-norm blijkt te verdienen of een overheidsproject toch niet zo succesvol uitpakt als was beloofd, stromen de fora vol met mensen die ‘schande!’ roepen, een publieke terechtstelling eisen of het hele land voor ‘gek’ verklaren.
Het internet is niet het enige speelveld waar de verontwaardiging heer en meester is: ook in de politiek valt dezelfde emotie voortdurend te ontwaren. Op nagenoeg ieder incident volgt tegenwoordig eerst Haagse verbijstering, dan een spoeddebat en ten slotte een in alle haast aangekondigd ‘pakket maatregelen’ – om vervolgens in de vergetelheid te raken of plaats te maken voor de volgende rel. PVV-leider Geert Wilders heeft dit stramien inmiddels tot kunst verheven: geen enkele politicus speelt zo vaak de troef van morele verbolgenheid als hij.
Herinnert u zich bijvoorbeeld dat incident met een door de Taliban verkrachte vrouw die begrip voor haar verkrachter toonde? Wilders was er als de kippen bij om er zijn politieke voordeel mee te doen: door enorme verontwaardiging te tonen. Met minister Vogelaar, die de islam zag ‘wortelen’ in Nederland, ging het ook zo: verbijsterd was Wilders. En toen bleek dat het kabinet geen nieuwe cijfers omtrent de kosten van allochtonen wilde vrijgeven, reageerde Wilders wederom als vanouds: totáál verontwaardigd. Hij voelde zich ‘geschoffeerd’ en eiste op hoge poten een ‘onafhankelijk onderzoek’.

DAT IS geen toeval, maar een strategie. Wilders imiteert namelijk op deze manier, oprecht of niet, de belangrijkste emotie die onder een aanzienlijk deel van de bevolking leeft. Eindelijk iemand die dezelfde verontwaardiging voelt over hoe dit land eraan toe is als ik, moet ongeveer de gedachte zijn die Wilders’ achterban ervaart als ze hem weer tekeer zien gaan. Wát de PVV-leider zegt doet daarbij niet eens zo veel ter zake: het is vooral de emotie waarmee men zich identificeert.
Problematisch is dat, anders dan Wilders, de zittende machten dit gevoel niet lijken te begrijpen – en het daardoor volledig onderschatten. Zij zijn eerder zélf verontwaardigd over de voortdurende verontwaardiging en doen politici die daarop inspelen af als populisten: voeders van de onderbuik. Ze tonen daarmee weinig inlevingsvermogen – alsof de verontwaardiging een overdreven klaagzang is. Minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PVDA), die onlangs in Vrij Nederland ‘de elite’ opriep in opstand te komen tegen het populisme, is daar een voorbeeld van. Ze verraadde haar onbegrip door te zeggen: ‘Je zou verwachten dat mensen het heerlijk vinden om anno 2009 in Nederland te mogen leven.’
Nee, blijkbaar niet – en daar is een verklaring voor. Wie de literatuur over de aard van morele verontwaardiging uitpluist, ontdekt namelijk dat deze emotie vaak, zo niet altijd, samengaat met afgunst. Een groot deel van het volk voelt die afgunst. Zij zijn de ‘verliezers’ van de globaliserende economie: mensen die hun baan naar lagelonenlanden zagen afvloeien, terwijl hun baas een miljoenenbonus opstreek. Mensen die hun buren naar huizen aan de gracht zagen verhuizen, terwijl zij achterbleven met de nieuwe bewoners – laagopgeleide immigranten. Mensen die hun belastinggeld naar omvallende banken zagen gaan, terwijl de verantwoordelijke managers werden beloond met een jaarsalaris waar zij slechts van kunnen dromen. Mensen die zich jarenlang gehoord noch vertegenwoordigd hebben gevoeld door bestuurders die deze ‘marktwerking’ als onvermijdelijk propageerden.
Het resultaat: een wrok die zich uit in structurele verontwaardiging. Dat alleen al is een reden om deze emotie serieus te nemen. Want, zoals de Duits-Amerikaanse psycholoog Erich Fromm eens constateerde: ‘Er is geen fenomeen dat zo destructief kan zijn als morele verontwaardiging: ze maakt wraak acceptabel door het voor te doen als deugd.’ Daarmee bedoelt Fromm dat verontwaardiging het onmiddellijke gevoel geeft aan de ‘juiste’ kant van de moraal te staan (ook wel de ‘onderbuik’ genoemd) en zo de indruk wekt dat wraak nemen op zijn plaats is – zoals de meeste mensen het ‘monster’ Saban B. het liefst aan de boom geknoopt hadden gezien.
Hoe die wraakzucht zich in politieke zin manifesteert, is door niemand beter beschreven dan door de Duitse denker Friedrich Nietzsche. De naam die hij eraan gaf, speelt zelfs een centrale rol in zijn filosofie: ressentiment. Met die term doelde hij op het complexe sociale proces waarmee de ‘slaven’ (lees: het gewone volk) zich uit wrok tegen hun ‘meesters’ (lees: de bestuurlijke elite) keren, in een poging de macht over te nemen – door Nietzsche ook wel ‘de wraak der machtelozen’ genoemd. Dat ressentiment uit zich kort samengevat op twee manieren.
Ten eerste, zegt Nietzsche, creëren de machtelozen een ‘denkbeeldige vijand’ die als zondebok kan fungeren. Op dit vijandbeeld projecteren zij hun eigen ondergeschikte positie: niet zij zelf, maar de vijand is debet aan hun falen. Ten tweede, stelt Nietzsche, keren de machtelozen de waarden van hun onderdrukkers om: alles wat ‘zwak’ is wordt tot ‘deugd’ verheven en alles wat door de machthebbers als ‘deugd’ is bestempeld, wordt gedegradeerd tot ‘zwakte’. Hiermee wordt als het ware de overheveling van macht in gang gezet: door enerzijds de verantwoordelijkheid voor de eigen machteloosheid af te schuiven en anderzijds de waarden van de macht te ontmantelen.

HET LIJKT erop dat Nietzsche de Nederlandse politiek anno 2009 had voorzien, want een treffender omschrijving van de inhoudelijke strategie van Wilders is nauwelijks denkbaar. Ten eerste beroept hij zich onophoudelijk op ‘denkbeeldige vijanden’, die de cultuur en het welzijn van de gewone man bedreigen. De islam – en de ‘straatterroristen’ en ‘moslimkolonisten’ die zij voortbrengt – is daarvan het vaakst gebezigde voorbeeld, maar ook de ‘superstaat Europa’ (die onze nationale autonomie bedreigt) en de ‘linkse elite’ (die als een ware Chamberlain heult met de vijand) vallen eronder. Zij vormen de zondebok die de PVV-leider nodig heeft om de gevoelde machteloosheid en de daaruit voortvloeiende wraakzucht op te richten.
Ten tweede draait Wilders ook de waarden van de machthebbers om: al hun deugden zijn opeens ‘zwaktes’. De vrijheid, gelijkheid en tolerantie die de elite hoog in het vaandel draagt, schildert hij af als onze kwetsbaarste eigenschappen. Zo wordt onze vrijheid, zegt hij, door religieuze fundamentalisten misbruikt om hun totalitaire ideologie te belijden en te verspreiden. Hij propageert daarom niet langer de vrijheid van de elite om met verschillende culturen naast elkaar te leven, maar andersom: de vrijheid om je aan te passen aan de dominante cultuur van het volk.
Met de waarde ‘gelijkheid’ doet hij hetzelfde. Wilders strijdt niet, uit naam van gelijke rechten, voor de emancipatie van moslima’s en moslimhomo’s – zoals de elite dat graag had gezien. Au contraire: hij wil andersdenkenden, uit naam van die gelijkheid, hun burgerrechten ontnemen (zoals het dragen van hoofddoekjes).
Tolerantie ten slotte ondergaat dezelfde omkering: tolereren is niet langer accepteren wat men eigenlijk verwerpelijk vindt, zoals de elite het bedoelt, maar een waarde uit naam waarvan de ‘intoleranten’ worden bestreden.
Met deze ‘Umwertung der Werte’ spreekt Wilders als het ware voor dat deel van de bevolking dat zichzelf als slaven van de politieke heersers ziet. Dat hij daarmee virtueel op dertig zetels staat, moet te denken geven. Dat is niet iets wat zomaar overwaait. Integendeel, je kunt veilig concluderen dat het ressentiment regeert. Fromms waarschuwing dat morele verontwaardiging wraakzucht deugdelijk doet lijken, is dan ook prangend actueel – en niet iets wat je met twintig ambtelijke werkgroepen voor je uit moet schuiven.
Het grote probleem voor de zittende machten is echter dat tegen de strategie van de PVV nauwelijks een passend verweer bestaat. Negeren ze Wilders, dan zal ze arrogantie worden verweten: ze nemen de onvrede die leeft onder het volk niet serieus. Weerleggen ze Wilders met argumenten, dan zal hun een staat van ontkenning worden aangerekend: ze willen de vijanden blijkbaar niet zien. Bestrijden ze Wilders met eigen middelen, dan ligt het verwijt van demonisering op de loer: ze vallen de ‘boodschapper’ aan. En reageren ze met even grote verontwaardiging (zoals bij de hoofddoekentaks), dan heeft Wilders ze precies waar hij ze hebben wil: in de gordijnen.
De beste optie die voorhanden is, is Wilders dus zo serieus mogelijk nemen. De PVV bij voorbaat uitsluiten voor een regering is dan het laatste wat je moet doen, zoals ook de aanstaande rechtszaak tegen de PVV-leider de politieke stabiliteit van het land zeker niet ten goede kan komen. Want één ding is zeker: wie het ressentiment de mond probeert te snoeren, zal het slechts aanwakkeren. Laat dat een wijze les voor dit kabinet zijn.