China en de EU-schuld

Het Rijk van de Middelen

China heeft belang bij een welvarend Europa dat investeringskansen biedt en graag Chinese producten aanschaft. Daarom koopt het fors Europese schulden op. En natuurlijk rekent Peking op tegenprestaties.

IN PEKING wordt deze dagen nauwelijks ingehouden gejubeld. Hetzelfde Amerika dat tot voor kort China nog in alles de les meende te moeten lezen, is na zijn financiële debacle nog afhankelijker geworden van zijn grootfinancier in Peking. En hetzelfde Europa dat in de negentiende en twintigste eeuw het trotse Rijk van het Midden degradeerde tot een semikolonie verwacht nu van China redding van zijn financiële ondergang. De ultieme genoegdoening voor China’s Eeuw der Vernedering lijkt een feit. Zal China met zijn financiële soft power het Oude Continent veroveren? Is de degradatie van Europa tot een Chinese vazalstaat nog slechts een kwestie van tijd?
Het spilzieke Westen zwemt in zijn schuld, het zuinige China zwemt in zijn geld. In het Westen hebben de regeringen en de huishoudens jarenlang boven hun stand geleefd. Voor China geldt het tegenovergestelde. Sinds Deng Xiaoping eind jaren zeventig het ‘socialisme met Chinese karakteristieken’ ontdekte, heeft China geëxporteerd zoals een land nog nooit geëxporteerd heeft. Aan kopers geen gebrek, want het 'made in China’ kostte bijna niets. Dat kwam door de lage productiekosten, waarvan de lonen de sluitpost vormden, en maatregelen van de Chinese overheid, die de koers van de yuan onweerstaanbaar laag hield. Het Westen beschuldigde China van oneerlijke concurrentie, maar China gaf geen krimp. Vooral na de toetreding in 2001 tot de Wereldhandelsorganisatie, waarvan de Volksrepubliek als geen ander land heeft geprofiteerd, begonnen de deviezenreserves zich op te hopen dankzij enorme handelsoverschotten en buitenlandse investeringen. China heeft nu 3,2 biljoen dollar aan reserves in kas, bijna tweeduizend keer zo veel als de karige 1,6 miljard dollar van 1978. Ondanks de wereldcrisis komen er nog iedere dag bijna twee miljard bij.

WAT DOE JE met zulke bergen geld? In een land met zoveel megavraagstukken zou dat een miniprobleem moeten zijn. Met al zijn rijkdom is China immers in veel opzichten nog altijd een onderontwikkeld land, dat wat gemiddeld inkomen betreft nummer honderd van de wereld is. De uitdagingen liggen voor het grijpen: sterke sociale discriminatie met ruim een miljard armen en een gezondheidsstelsel, onderwijssysteem en oudedagsvoorzieningen voor de rijken, veel te weinig sociale woningbouw, een tekort aan energie, een verwoest milieu en razendsnelle vergrijzing.
Toch gaan de leiders die uitdagingen uit de weg. Misschien waren ze bang dat door grote binnenlandse investeringen in de sociale infrastructuur de lonen zo zouden stijgen dat de Chinese export te duur zou worden, waardoor ze de kip met de gouden eieren zouden slachten. Ze gaven er de voorkeur aan het geld te stoppen in bedrijven en infrastructurele werken in het buitenland en vooral in Amerikaanse treasuries, obligaties van de Amerikaanse staatsschuld die sinds mensenheugenis golden als de veiligste investering ter wereld. Daardoor raakten Amerika en China, die in veel opzichten elkaars vijanden zijn maar op het gebied van handel, investeringen en technologie al met elkaar verknoopt waren, nog verder op elkaar aangewezen. Amerika ging vrolijk door met geld uitgeven, want China - en in mindere mate Japan, Groot-Brittannië en Brazilië - leende wel. Daarmee draagt China medeverantwoordelijkheid voor de Amerikaanse financiële catastrofe. Een groot deel van het geleende Chinese geld is opgegaan aan zinloze Amerikaanse oorlogen. De Amerikanen werden dusdanig in beslag genomen door hun dure antiterroristische obsessies in Irak, Afghanistan en Pakistan dat ze nauwelijks oog hadden voor wat de Chinezen hun 'vreedzame ontwikkeling’ noemen: de snelle uitgroei van het Rijk van het Midden tot wereldmacht.
Het uitbreken van de kredietcrisis in 2008 werd in China gezien als de bezegeling van het failliet van het westerse kapitalisme en de triomf van China’s 'socialistische’ variant daarop. Ineens waren de bordjes verhangen. Washington moest tegenover China een toontje lager zingen. De Amerikaanse pressie op China om de yuan te revalueren maakte plaats voor Chinese pressie op de VS om de dollar op koers te houden. De Chinese vermaning dat de Amerikanen hun huis op orde moesten brengen, was natuurlijk welbegrepen Chinees eigenbelang. Van de Amerikaanse staatsschuld van 14,3 biljoen dollar bezit China immers bijna twee biljoen, waarvan 1,2 biljoen in treasuries. Als de dollar onderuitgaat, krijgt ook China een zware financiële klap. De VS zouden in de greep komen van een recessie waardoor ook de Amerikaanse import uit China zou inzakken. De kettingreactie die dat in China zou veroorzaken, is voor de communistische partij een schrikbeeld: stijging van de yuan, verdere daling van de export, massale bedrijfssluitingen en ontslagen, sociale beroeringen - precies de instabiliteit die de partij koste wat het kost probeert te vermijden.
Geregeld laten de Chinese leiders weten dat ze met de gedachte spelen om de dollar de dollar te laten en in andere munten te gaan beleggen. Als dat zou gebeuren, zou alleen God de VS nog kunnen redden. Betekent dat dat Amerika aan China is overgeleverd? Ja, maar omgekeerd is dat ook zo. De financieel-economische symbiose tussen de tanende en de opkomende wereldmacht is al in een zo ver gevorderd stadium dat als de een de ander laat schieten in beide landen de Kladderadatsch uitbreekt.
Deze zomer leek het er heel even op dat de siamese tweeling zou worden gescheiden. Na de beschamende vertoning over de verhoging van het Amerikaanse schuldenplafond en de daarop volgende afwaardering van Amerika’s kredietwaardigheid door Standard & Poor’s moet menige Chinese leider de angst om het hart zijn geslagen. Ze vreesden dat China het slachtoffer zou worden van het Amerikaanse politieke gesteggel, waarin de partijbelangen zwaarder wogen dan het nationale belang. Zoiets zou in een eenpartijstaat als China ondenkbaar zijn geweest. De conclusie dat de Amerikaanse democratie niet deugde ging gepaard met bijtende commentaren die duidelijk maakten hoezeer de rollen waren omgekeerd. Zoals deze tekst van het officiële persbureau Nieuw China: 'China, de grootste schuldeiser van ’s werelds enige supermacht heeft nu het volste recht aan de Verenigde Staten te vragen dat ze hun structurele schuldenproblemen aanpakken en de veiligheid garanderen van China’s activa in dollars. Om van hun schuldenverslaving af te komen dienen de Verenigde Staten zich opnieuw te gaan houden aan het gezond-verstand-principe dat je niet boven je stand moet leven.’
Ferme taal, die ongetwijfeld ook bedoeld was om de scherpe kritiek te pareren die internetactivisten afvuurden op de regering. Die vonden dat de door miljoenen arbeiders zuur verdiende exportdeviezen lichtzinnig waren verkwanseld. Deze beschuldiging van gebrek aan patriottisme moet bij een partij die het nationalisme tot leidende ideologie heeft verheven keihard zijn aangekomen. Opnieuw klonk de roep om de Amerikaanse schatkistpapieren te dumpen en in ieder geval geen nieuwe meer te kopen. Gemakkelijker geroepen dan gedaan. Door de verkoop van grote hoeveelheden treasuries daalt immers de waarde van de Amerikaanse schuldpapieren die nog in Chinese handen blijven, en voor de kolossale hoeveelheden geld waar China een bestemming voor zoekt is eigenlijk geen alternatief dat voor het moment meer zekerheid biedt. Zodat na alle aanmaningen en dreigementen China toch weer braaf treasuries inslaat. Tegen 2015 zal China naar schatting drie biljoen dollar hebben belegd in Amerikaanse schuld.

OOK DE EUROCRISIS wekt in China grote bezorgdheid. Een economische crisis in Europa, China’s grootste handelspartner, met alles wat dat aan inkrimpende handelsrelaties met zich meebrengt, is wel het laatste wat China wenst. Peking heeft juist belang bij een welvarend Europa, dat graag Chinese producten koopt, China van hoogwaardige technologie voorziet, investeringskansen biedt voor Chinese bedrijven en eventueel, in het orwelliaanse spel van de wisselende bondgenootschappen, samen met China een vuist kan maken tegen de Verenigde Staten.
Sinds eind 2010 zijn president Hu Jintao, premier Wen Jiabao en diens beoogde opvolger Li Keqiang afzonderlijk op bezoek geweest in Europa, waar ze verzekerden dat China graag wil bijdragen aan een sterke euro. In de schuldencrisislanden Griekenland, Italië, Spanje en Portugal werden ze ongeveer gevierd als de nationale redders - in Rome werd zelfs het Colosseum in communistisch rood floodlight gezet - hoewel concrete toezeggingen uitbleven. China investeert nu maandelijks een kleine tien miljard euro in Europese schuld. Verreweg het grootste deel van de Chinese euroreserves is veilig ondergebracht in de schuld van Duitsland.
Intussen tikt de tijdbom van de Europese schuldencrisis door en modderen de Europese politici machteloos voort. Het enige wat ze hebben kunnen bedenken is bezuinigen en nog eens bezuinigen, met als resultaat nog minder groei, nog meer werkloosheid en nog grotere onvrede, en ten slotte waarschijnlijk toch de dubbele recessie die iedereen vreest. Een testimonium paupertatis dat de Chinese leiders vervult met ontzetting. Hoe kan China van deze hoge nood in zijn grootste exportmarkt een deugd maken? Sinds op 12 september de Financial Times meldde dat Italië met China in onderhandeling was over 'aanzienlijke’ aankopen van Italiaanse schuldenpapieren is een kakofonie van tegenstrijdige verklaringen uitgebroken. Sommigen beweren al dat dankzij China de redding van Europa nabij is, anderen houden het erop dat China wel gek zal zijn om dubieuze schulden als die van Italië te kopen. Ook uit China zelf komen tegenstrijdige meningen. Volgens een topambtenaar van het ministerie van Handel en de tweede man van de nationale commissie voor economische planning is het China’s verantwoordelijkheid om Europa te helpen, een verantwoordelijkheid die enkele industriële tycoons in het geheel niet zien zitten.
Premier Wen Jiabao speelt de sfinx: enerzijds zegt hij dat China bereid is het in zijn schulden bijkans stikkende Europa te hulp te komen, anderzijds hamert hij erop dat de financiële sanering van de Oude Wereld alleen maar kan komen van zichzelf. China kan volgens Wen de beste bijdrage leveren aan de genezing van de wereldeconomie door zelf uitbundig te blijven groeien en zijn binnenlandse markt te ontwikkelen, met kapitaalkrachtige consumenten die dan graag importproducten uit het Westen willen kopen. Met de ontwikkeling van de binnenlandse markt, het alternatief voor het exportmodel dat te kwetsbaar is gebleken, wil het overigens maar niet vlotten. Het aandeel van de consumptie in het Chinese bruto binnenlands product is zelfs gedaald tot 34 procent, een historisch minimum. Zo gemakkelijk laat de exportindustrie zich niet een ander ontwikkelingsmodel opleggen.
Hoewel de hulp nog niet duidelijk is toegezegd, heeft Wen Jiabao al wel gezegd welke prijs China ervoor vraagt: erkenning door de EU als volledige markteconomie - wat China vanwege de economische ingrepen van de overheid duidelijk niet is. Daardoor zouden op Chinese producten die tegen afbraakprijzen op de Europese markt worden gedumpt, geen invoerheffingen meer kunnen worden toegepast. Er zullen zeker ook andere tegenprestaties worden gevraagd. Bijvoorbeeld de opheffing van het Europese wapenembargo, van kracht sinds het bloedbad van Tiananmen van 1989, matiging van de kritiek op de schending van mensenrechten in China, de belofte om mee te werken aan de benoeming van Chinezen aan de top van internationale organisaties.
Wat heeft de Volksrepubliek met Europa voor? Alles wijst erop dat China zijn economische offensief in Afrika wil uitbreiden tot Europa. Met enkele schuldaankopen zal China Europese goodwill winnen. Die aankopen moeten als glijmiddel dienen voor waar het de Chinezen werkelijk om gaat: investeringen in bedrijven en infrastructuur. Zo kwam in 2009 na de Chinese belofte om Griekse staatsschuld te kopen, de containerhaven van Piraeus voor een miljard dollar in Chinese handen, en kocht China begin dit jaar Spaanse schuldpapieren en vervolgens voor zeven miljard dollar de Spaanse oliebelangen in Brazilië. Win-win? Of het begin van een vorst-vazal-relatie?