Hoe slim is China? Hoger onderwijs

Het Rijk Zonder Nobelprijs

China telt tweeduizend universiteiten en jaarlijks melden zich tien miljoen jongeren aan de poorten. Maar dat is kwantiteit. Geen enkele Chinese universiteit staat in de mondiale top-honderd.

KENT U OOK dat verhaal over het fabuleuze aantal Chinese studenten dat jaarlijks afstudeert als ingenieur? Er worden getallen genoemd van vierhonderdduizend tot een miljoen. Hoeveel het er precies zijn doet er niet veel toe: vergeleken bij hun leeftijd- en vakgenoten in het Westen zijn de jonge Chinese techneuten overdonderend in de meerderheid. China kampt niet met een bèta-probleem, integendeel. De onheilstijding die deze informatie wil uitdragen is duidelijk: nog even en het Westen is niet alleen economisch maar ook wetenschappelijk en technologisch door de Chinezen overvleugeld.
Andere feiten wijzen in dezelfde richting. Het aantal patenten dat door Chinezen is aangevraagd overtreft waarschijnlijk dit jaar voor het eerst het aantal Amerikaanse patenten. China’s uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling nemen razendsnel toe: sinds 2000 met gemiddeld 23 procent per jaar. En nergens ter wereld worden tegenwoordig zoveel wetenschappelijke artikelen gepubliceerd als in China. De conclusie lijkt onontkoombaar. China, dat nog maar één generatie geleden economisch niet meetelde, is niet alleen de motor van de wereldeconomie geworden, maar het is ook hard op weg naar de status waarover in Nederland zo veel wordt gepraat maar waaraan zo weinig wordt gedaan: een kenniseconomie. Zal het land dat de wereld heeft veroverd als fabrikant van inferieur lowtech-spul en een reputatie te verliezen heeft als dief van andermans uitvindingen, nu wereldleider worden op het gebied van innovatie? Gaat de wereldeconomie, die nu nog afhankelijk is van de Chinese arbeiders, afhangen van de Chinese uitvinders?
In drie decennia heeft China zich vrijwel vanuit het niets opgewerkt tot de op één na grootste economie van de wereld. Dat is te danken aan een massale export, mega-investeringen van de overheid, goedkope arbeid, goedkoop kapitaal, goedkope grond en de meest drastische geboortebeperkingspolitiek die de wereld ooit heeft gekend. Maar dat model dreigt nu stuk te lopen op zichzelf. De hoogste leiders hebben zelf toegegeven dat de economie buitengewoon onevenwichtig is: lage consumptie, hoge investeringen, overproductie, een bouwwoede buiten alle proporties, een almaar groeiend gat tussen rijk en arm en neveneffecten zoals de infame milieuverwoesting, tomeloze corruptie, grootschalige psychische ontwrichting en, als protest tegen lokale wantoestanden en schandalen, een onafgebroken reeks opstandjes met een frequentie van één per drie minuten.
Al sinds een paar jaar wordt er gepraat over de noodzaak dat het economisch model op de schop moet. Er moet minder geëxporteerd en geïnvesteerd worden, en in plaats daarvan moet de binnenlandse consumptie worden aangejaagd door maatregelen die de grote massa van de bevolking koopkracht moeten geven. In de economie moet het niet meer gaan om blinde groei maar om duurzaamheid, niet meer om het stelen van andermans technologie maar om eigen innovatie. De werkplaats van de wereld moet veranderen in het mondiale laboratorium.
Dat wordt wel hard geroepen, maar aan de uitvoering blijft het flink schorten. De economie is nog altijd afhankelijk van export en investeringen, het aandeel van de binnenlandse consumptie in het bruto binnenlands product is nog verder afgenomen, de welvaartskloof en bijgevolg ook het aantal volksrebellieën is groter geworden. De in 2008 begonnen financieel-economische wereldcrisis bracht de kwetsbaarheid van het Chinese exportmodel duidelijk aan het licht. De hoop dat die crisis snel voorbij zou zijn, is vervlogen. Dat maakt een radicale koerswijziging nog urgenter. Het jongste Vijfjarenplan - een residu uit de oude communistische tijd - weidt daar uitvoerig over uit. Investeren in onderwijs wordt, gezien de vergrijzing en het nieuwe economische model, een levensnoodzaak. Innoveren is vitaal geworden voor China.

NU WORDEN innovatoren doorgaans niet geboren maar gemaakt. Dat begint bij onderwijs dat bij de leerlingen het onderste uit de kan haalt en hun creativiteit stimuleert. Nu heeft China vele tradities, maar creatief onderwijs hoort daar niet bij. Dat kan ook niet in een maatschappij die sinds ruim twee millennia wordt gedomineerd door Confucius. In het denken van deze wijze (551-479 voor Christus, drie generaties vóór onze eigen Socrates) is de verhouding leraar-leerling een van de hiërarchische relaties die bepalend zijn voor de plaats van het individu in de maatschappij. Als iedereen zijn plaats kent en zich dienovereenkomstig gedraagt, bereikt de samenleving haar ideale toestand: harmonie.
In elk van de relaties is de lager geplaatste respect en gehoorzaamheid verschuldigd aan degene die boven hem of haar is gesteld, terwijl deze laatste zijn ondergeschikten rechtvaardig en menselijk moet behandelen. Leerlingen plaatsen daarom hun leraar op een voetstuk. Hem tegenspreken of hem een kritische vraag stellen is haast ondenkbaar. Zo'n ongehoorde brutaliteit zou immers inhouden dat de leerling zijn plaats niet kent. Leerlingen moeten nimmer vergeten dat ze hun meester nooit zullen kunnen overtreffen. Het hoogste waarnaar ze kunnen streven is zijn niveau zo dicht mogelijk te benaderen. Daartoe moeten ze zo veel mogelijk kennis van hun leraar pasklaar overnemen. Dat betekent drie dingen: uit je hoofd leren, uit je hoofd leren en nog eens uit je hoofd leren.
Onderwijs wordt in China - en daar zouden wij veel van kunnen leren - vanouds buitengewoon belangrijk gevonden. Het had niet alleen tot doel om kennis over te brengen, maar vooral om de leerlingen te doordrenken van de confucianistische deugden en daardoor de bestaande orde te continueren. Dat gebeurde sinds de Tang-dynastie (618-907) vooral via de keizerlijke examens, waarin de toekomstige mandarijnen werden geselecteerd. Het waren buitengewoon strenge examens op vier steeds moeilijker wordende niveaus: lokaal, per district, provinciaal en landelijk. De eerste en tweede ronde waren voor verreweg de meeste kandidaten al te zwaar. De belangrijkste examenonderdelen waren het schrijven van een achtdelig opstel volgens een rigide patroon en het afleggen van een test over de kennis van de confucianistische klassieke boeken, die de kandidaten geheel uit hun hoofd dienden te kennen.
Iedereen kon aan de examens meedoen, behalve vrouwen (tenzij als man vermomd), toneelspelers en slaven. Adellijke jongeren hadden veel meer kans om te slagen dan kandidaten van niet-aristocratische komaf. Niettemin had China, een land dat nooit democratie heeft gekend, het eerste min of meer democratische en meritocratische onderwijssysteem ter wereld. Overal elders bereikte je de top door veldslagen te winnen, rijkdom te verwerven of in de juiste familie te zijn geboren, in China deed je dat door de confucianistische klassieke teksten met hun ruim vierhonderdduizend karakters feilloos uit je hoofd te leren. Daarmee was China waarschijnlijk het enige land op de wereld dat, althans in theorie, niet geregeerd werd door geweld, maar door wijsheid.

DE ONWAARSCHIJNLIJKE continuïteit van het Chinese politieke systeem, over alle dynastieke wisselingen heen, is voor een groot deel te danken aan deze bestuurlijke kaste van intellectuele bureaucraten. Geslaagden drongen vaak pas na lange tijd tot de hoogste bestuursfuncties door: minister, rechter, of vertegenwoordiger van de keizer in de provincie. Waar deze mandarijnen ook terechtkwamen in het rijk, dankzij hun uniforme opleiding bleven ze een sterke band houden met de centrale overheid, waardoor ze veel bijdroegen aan de nationale eenheid. Het keizerrijk heeft de afschaffing van de keizerlijke examens in 1905 slechts zes jaar overleefd.
China’s dreigende teloorgang liet van de reputatie van Confucius weinig heel. Veel intellectuelen zagen in de schutspatroon van leraren en leerlingen een van de belangrijkste aanstichters van de nationale aderverkalking. Terwijl de westerse mogendheden en Japan zich snel hadden gemoderniseerd - wat ze met oorlogen, rooftochten, strafacties en allerlei andere vormen van agressie tegen China tijdens de Eeuw der Vernedering uitvoerig onderstreepten - was het Hemelse Rijk blijven steken in de eindeloze herhaling van de confucianistische wijsheden, die geen antwoord gaven op de eisen van de moderne tijd. China, dat altijd prat was gegaan op zijn Vier Grote Uitvindingen (kompas, buskruit, papier, boekdrukkunst), waarmee het de rest van de wereld ver vooruit was geweest, had zijn creativiteit laten doodbloeden in rituelen.
De eerste Chinese universiteiten werden naar westers model gesticht tegen het eind van de negentiende eeuw. Maar studeren aan een universiteit in het Westen of Japan was chiquer. Veel communistische leiders van het eerste uur hebben hun universitaire opleiding in Europa gehad, vooral in Frankrijk, zoals Zhou Enlai en Deng Xiaoping. Mao niet, die is China nooit uit geweest, behalve voor een bezoek aan Stalin vlak na de communistische machtsovername in 1949. Eenmaal aan de macht reorganiseerde de partij het hoger onderwijs naar sovjetmodel, met een sterke centralisering en een grote nadruk op natuurkunde en techniek. Veelbelovende jongeren werden naar Moskou gestuurd om er voor ingenieur te leren. Dat heeft nog lang doorgewerkt. De ‘derde generatie’ van partijleiders (de eerste twee waren die van Mao en Deng) bestond voor een groot deel uit in de Sovjet-Unie opgeleide ingenieurs.

MAO HAD WEINIG op met intellectuelen. In de Honderd Bloemen Campagne van 1957 lokte hij hen uit de tent door ze aan te moedigen kritiek te leveren op het jonge communistische regime. Even leek er een liberale wind te zijn opgestoken. Na zes weken was de vrijheid voorbij. De critici werden opgesloten, waarna Mao de Anti-Rechtse Campagne startte. Sindsdien bedenken intellectuelen zich wel drie keer voordat ze hun pijlen op de partij richten. De meesten van hen kiezen eieren voor hun geld. Hun onafhankelijkheid houdt op bij de door de partij gestelde grenzen.
Na de ontketening in 1966 van de Culturele Revolutie sloot de Grote Roerganger de universiteiten en veel middelbare scholen en bombardeerde hij studenten en scholieren tot Rode Wachters. Die maakten zo veel mogelijk kapot van wat aan het verleden herinnerde. Mao’s haat tegen Confucius vierden ze vaak dodelijk bot op hun eigen leraren. Toen Mao de controle over deze furie dreigde te verliezen verbande hij de studenten naar het platteland. Daar moesten ze in de leer bij de boeren, vermeende dragers van de ware revolutionaire geest. En zo verloor China een hele generatie intellectuelen. De gevolgen zijn nog steeds te merken.
Na het maoïstische debacle gooide Deng Xiaoping eind 1978 onder het motto 'rijk worden is glorieus’ het roer om, teneinde China en vooral de communistische partij te redden van de ondergang. Zijn 'vier moderniseringen’ betroffen landbouw, industrie, defensie en wetenschappelijke en technologische ontwikkeling. Deze laatste was hard nodig om China economisch te laten groeien en daardoor de communistische partij na de rampjaren onder Mao een nieuwe legitimiteit te geven. De 'vier moderniseringen’ markeerden het begin van China’s materiële wederopstanding. De ontwikkeling van wetenschap en technologie heeft daaraan veel bijgedragen: het hoger onderwijs heeft een enorme vlucht genomen, de jongeren zijn massaal exacte vakken gaan studeren, het wetenschappelijk onderzoek heeft grote vorderingen gemaakt, de uitgaven voor research & development hebben zich vermenigvuldigd, Chinese geleerden begonnen een stortvloed van wetenschappelijke artikelen te produceren, terwijl Chinese uitvinders een stormloop op de patentbureaus inzetten. Wat er in drie decennia is bereikt, grenst aan het ongelooflijke.
Het aantal universiteiten is explosief gestegen tot tweeduizend, waarvan er vele in grote financiële problemen zijn gekomen omdat ze de afgelopen jaren veel te sterk hebben uitgebreid. In 1998 namen een miljoen jongeren deel aan het universitair toelatingsexamen, tien jaar later waren het er 10,5 miljoen (waarna de gevolgen van de eenkindpolitiek zich lieten voelen en het aantal aanmeldingen begon terug te lopen tot 9,3 miljoen dit jaar, van wie er wegens plaatsgebrek toch nog altijd drie miljoen moesten worden afgewezen). Wereldwijd is China de Verenigde Staten numeriek snel aan het inhalen. Weliswaar is nog 25 procent van alle academici op de wereld Amerikaan en twaalf procent Chinees, maar in de jongste leeftijdsgroep heeft China die kloof al bijna overbrugd: in de groep academici van 25 tot 34 jaar is het Chinese contingent 18,3 procent en het Amerikaanse 20,5 procent. Tot zo ver de kwantiteit.

KWALITATIEF is het een heel ander verhaal. De onderwijsbureaucratie is nog altijd geschoeid op de sovjetleest. Iedereen zegt dat hervormingen dringend nodig zijn, al was het alleen maar om de lesprogramma’s beter af te stemmen op de eisen van de moderne tijd, maar de werkelijkheid is weerbarstig. Zodat er steeds meer jongeren afstuderen met een waardeloos diploma en een onzekere toekomst. Vaak nemen ze om te overleven een baantje waarvoor ze niet of nauwelijks beter worden betaald dan een ongeschoolde arbeider. De universiteiten ressorteren voor het overgrote deel onder de centrale of provinciale overheid. Ze zijn georganiseerd als onderafdelingen van de communistische partij en worden gefinancierd door de belastingbetalers en de studenten. De leiders zijn partijbazen, die hun baan zien als een stap in hun politieke carrière en meer geïnteresseerd zijn in politieke dan in wetenschappelijke macht. Net als in alle andere partijstructuren is anciënniteit belangrijker dan kwaliteit. Een pleidooi van premier Wen Jiabao om de universiteiten om te vormen van bureaucratische regeringsinstanties tot wetenschappelijke onderzoekscentra ketste af op het argument van een groep rectoren dat het onderwijs erop achteruit zou gaan als het werd losgekoppeld van de overheid. Ze bedoelden dat ze er dan zelf op achteruit zouden gaan, omdat ze hun rang van minister zouden verliezen.
De universiteit rekent het zich nog altijd tot taak de studenten 'liefde voor de partij en het land’ en een 'correcte politieke visie’ bij te brengen, dat wil zeggen die van de partij. In het nationaal toelatingsexamen 2011 voor de masterstudie ging twintig procent van de multiple-choicevragen over ideologische kwesties. Van de kandidaten werd niet verwacht dat ze hun mening gaven, maar het 'correcte’ antwoord aankruisten. In zo'n klimaat heeft een academisch debat zijn beperkingen zodra kwesties worden aangesneden die politiek gevoelig liggen. Sommige jongere onderzoekers klagen over de zelfcensuur die ze zich moeten opleggen, maar de meeste klagen niet en wachten op het moment dat ze zelf in de leidende posities komen.
De universiteit is niet immuun voor corruptie, want er gaat veel geld om. Vooral verontrustend is een vorm van corruptie die fnuikend is voor iedere wetenschapsbeoefening: intellectuele diefstal. Dat begint al op het universitaire toelatingsexamen, waar de modernste hightech-spiektechnieken worden uitgeprobeerd. Papers en scripties kunnen op bestelling geleverd worden, en ook academische bullen zijn te koop. Menige partijbaas en captain of industry heeft zijn masters- of doctorstitel aan een dubieus of niet-bestaand opleidingsinstituut te danken. Onder professoren is plagiaat volgens ingewijden courante praktijk, die slechts zelden wordt bestraft. Dat mag dan in het confucianistische gedachtegoed acceptabel zijn - het is eigenlijk een hommage van de plagiator aan de meester, auteur van het overgeschreven artikel - het is niet de manier om de wetenschap vooruit te helpen.
Over het algemeen laat de kwaliteit van de vele wetenschappelijke artikelen van Chinese onderzoekers veel te wensen over. Ze worden internationaal dan ook weinig geciteerd. Ook de explosief gestegen hoeveelheid Chinese patenten is voornamelijk een kwestie van kwantiteit. En die cohorten van afgestudeerde ingenieurs? Slechts tien procent van hen is voldoende gekwalificeerd om te kunnen werken voor een multinational of een gekwalificeerd onderzoeksinstituut in China. Dat zegt veel over een van de grootste tekortkomingen van het Chinese onderwijssysteem: het is er niet op gericht om te leren problemen op te lossen, maar om het geleerde feilloos te reproduceren. Onafhankelijk werken, in teamverband opereren, buiten de gebaande paden treden: het wordt de Chinese student in de regel niet aangeleerd.

IN DIT EXAMENGERICHTE systeem doen Chinese jongeren het heel goed. In de internationale Pisa-test haalden vijftienjarigen uit Shanghai dit jaar de hoogste score van de 65 deelnemende landen in wiskunde, natuurkunde en leesvaardigheid. Hun Amerikaanse leeftijdgenoten kwamen niet hoger dan een vijftiende plaats. Maar Chinese onderwijsdeskundigen zelf geven toe dat die eerste plaats weinig zegt over de kwaliteit van de studenten. Het kan geen toeval zijn dat geen enkele Chinese universiteit tot de honderd beste van de wereld behoort, ook niet de universiteiten die in eigen land als wereldberoemd gelden zoals de Universiteit van Peking, de Tsinghua Universiteit, de Fudan Universiteit en de Jiaotong Universiteit van Shanghai. Niet voor niets sturen rijke Chinezen hun kinderen liefst naar een buitenlandse, bij voorkeur Amerikaanse universiteit, en na hun studie blijven ze er vaak. De Chinezen vormen verreweg het grootste contingent van de buitenlandse studenten in de VS. De dochter van de man die volgend jaar China’s hoogste leider wordt, Xi Jinping, studeert op Harvard. Veelzeggend is ook dat talentvolle wetenschappers zo dun zijn gezaaid dat ze voor veel geld worden ingevlogen en dat een in China wonende Chinees nog nooit een Nobelprijs heeft gekregen - met uitzondering van Liu Xiaobo, die vorig jaar de vredesprijs won en nog altijd gevangen zit.
Qian Xuesen, de twee jaar geleden overleden vader van het Chinese ruimtevaartprogramma en van de Chinese atoombom, klaagde niet lang voor zijn dood tegenover premier Wen Jiabao dat geen enkele Chinese universiteit creativiteit of innovatie stimuleerde. Sindsdien zijn er hier en daar wel experimenten met nieuwe vormen van onderwijs aan de gang, zelfs op de Centrale Partijschool waar het hoogste partijkader wordt opgeleid, maar een millennia oude traditie laat zich niet zo gemakkelijk ombuigen naar de eisen van de nieuwe tijd. Het is zelfs sterk de vraag of dat mogelijk is zolang de communistische partij grenzen stelt aan de (academische) vrijheid. En zonder die vrijheid geen innovatie-economie. De opbouw daarvan wordt door de confucianistisch-communistische opvatting van onderwijs eerder gehinderd dan bevorderd.