Het rituele runderoffer

Hoeveel koeien moeten aan de God van de vrije markt geofferd worden om het geschonden vertrouwen van carnivore tv-kijkers te herstellen? Een antropologische blik op het runderoffer
TERWIJL DE MENS ZICHZELF HET slachtoffer bij uitstek waant - van onderdrukking, oorlog, misdaad, milieuvervuiling, geluids- of stankoverlast, wegverkeer, incest, nymfomanie, aids of domweg van eigenwaan - duikt het woordje ‘offer’ plotseling met vette koppen in de media op met betrekking tot, godbetert, koeien.

In een Rotterdamse krant ontpopte een bekende Amsterdamse socioloog zich als officiele woordvoerder van het opperwezen. ‘Iets zegt mij’, openbaarde hij, 'dat dit brandoffer van talloos vele runderen God niet welgevallig is. Laat ze toch grazen.’ Hetzelfde kwaliteitsblad bracht een beschouwing over de Britse rosbiefcrisis en de plannen tot massale rundermoord onder de kop: 'Offer aan een onbekende god’.
De geseculariseerde lezer kan zich afvragen of de god voor wie het hartverscheurende drama van de bovicide wordt opgevoerd, wel zo onbekend is als dichterlijke scribenten veronderstellen. De Britse regering laat er geen misverstand over verstaan dat het slachten en vervolgens verbranden van grote aantallen runderen slechts een doel heeft, namelijk 'het vertrouwen van de consument te herstellen’.
De commercialisering van het offer loopt min of meer synchroon met het ontstaan van de democratie in de Griekse oudheid. Met de slimme calculering van het do ut des, het handjeklap met de goden, deed een religieuze voorloper van het marktonderzoek zijn intrede. Hetzelfde handjeklap met een hogere macht zien we ook nu weer. Hoeveel koeien moeten aan de God van de vrije markt geofferd worden om het door hersenverweking geschonden vertrouwen van carnivore tv-kijkers te herstellen? Het bepalen van de juiste omvang van het offer, waarbij miljoenen vermoedelijk gezonde (= 'onschuldige’) runderlevens in het geding zijn, door als het ware te onderhandelen met het Gesundenes Volksempfinden, is een cynische gok van politici in hun rol van hogepriesters-marktonderzoekers.
Al sedert duizenden jaren brengt de mensheid offers aan hogere machten, teneinde van hun kant een actief ingrijpen af te dwingen al naar gelang de omvang en intentie van het offer. Het achterliggende doel van alle offers was altijd het in stand houden van de gemeenschap. Zoals nu de Europese. Grote offers hielden zelfs de kosmos in stand, dat wil zeggen de nationale belangen, de menselijke beschaving dan wel de gevestigde wereldorde - desnoods door middel van oorlog, waarbij eeuwenlang grote aantallen jonge mannen geofferd werden.
'BRANDOFFER’ IS OOK de oorspronkelijke betekenis van het woord holocaust. Een brandoffer in de vorm van massavernietiging, nu eens niet van de mens zelf maar van diens meest nabije, gedomesticeerde voedselproducent en energieleverancier, sluit de eeuw van Verdun, Auschwitz en Hiroshima passend af.
'Wij mogen niet als vanzelfsprekend aannemen dat oude culturen als zodanig godsdienstiger zijn dan moderne’, meende de Groninger godsdienstwetenschapper Theo van Baaren. Offeren tegen het eigenbelang in, uit blinde gehoorzaamheid aan een wrede God (zoals die van het Oude Testament, die van Abraham diens eerstgeborene opeiste) was eer uitzondering dan regel. De relatie tussen mensen en goden - waarvan het offer een der functies is - is au fond wederzijds. Elke gemeenschap berust op de bereidheid en plicht van de individuele leden tot wederzijdse bijstand.
Tot op zekere hoogte zijn de vormen van het offer een projectie van de sociale en economische situatie. De praktijk van de offergave als handelstransactie sec wijst al op vergevorderde secularisatie in een vroeg stadium van onze beschaving. Het uitrekenen van offerwaarden in geld, zoals nu ook weer in de Europese gemeenschap aan de orde is, is evenmin van vandaag of gisteren. De geformaliseerde ruilmiddelen waaruit ons geld is voortgekomen, hadden in vele gevallen mede een sacrale betekenis. Een succesvolle eigenschap: in de religie van het neoliberalisme is de sacraliteit van het geld tot opperste norm verheven.
TIJDENS DE MOEIZAME onderhandelingen over de toekomst van het Britse rundvlees, deze week in Luxemburg, zou enige bezinning op de rol van het offer in de Europese cultuur niet hebben misstaan. 'Gemeenschap’ kan nooit van een kant komen. In de Oudnoorse Edda staat te lezen dat vrienden niet moeten proberen elkaar over en weer te overtroeven: de wederzijdse geschenken moeten met elkaar in evenwicht zijn. Vriendschap is een symmetrische verhouding en de uitwisseling van geschenken tussen vrienden heeft deel aan deze symmetrie. Het evenwicht kan alleen worden opgeheven in de verhouding van meerdere tot mindere, goden tot mensen. Quod licet Iovi non licet bovi ('Wat aan Jupiter is toegestaan, geldt niet voor een os’). Maar de papieren van Engeland als wereldmacht staan lager genoteerd dan ooit.
Voltrekt zich de grote rundermoord in wezen soms aan de mens zelf? Het do-ut-des van de gekke-koeienziekte zou kunnen inhouden: 'Jullie schraapzucht, door ons willens en wetens verziekt beendermeel op te voeren, heeft ons met BSE opgezadeld. Daarvoor krijgen jullie nu de ziekte van Creutzfeldt-Jakob in ruil.’
In de afgelopen twintig jaar tastte BSE tienduizenden runderen aan. De ziekte sloeg over naar dierentuin- en parkbewoners, op herten, muizen, marmotjes, varkens, antilopen, koedoes, oryxen, elanden, cheetahs, poema’s, ocelotten, huiskatten en zelfs op struisvogels. Lange tijd was de hovaardige gedachte dat dierziekten niet op mensen kunnen overspringen. Alsof de mens geen dier is.
De godsdienstfenomenoloog Fokke Sierksma hekelde de verabsolutering van de eigensoortigheid van de mens. Die kon volgens hem alleen begrepen worden vanuit een algemene, maar daarom niet minder onjuiste menselijke zelfoverschatting. De opvatting, dat er tussen een worm en een paard - allebei immers 'dieren’ - in laatste instantie een relatief onderscheid zou zijn, terwijl dat tussen mens en dier absoluut is, mist iedere grond, betoogt Sierksma. 'Immers, de mens staat te dicht op zichzelf om de tegenstelling tussen zichzelf en het dier in perspectief te kunnen zien. Alleen God zou deze verschillen in de juiste verhouding kunnen uitdrukken. Voorzichtigheid is daarom hier een eerste vereiste, liever nog: bescheidenheid. Om van een absoluut verschil te kunnen spreken moet men een absolute norm hebben en die bezit de mens ongetwijfeld niet. Er is daarom evenveel reden om de verschillen tussen mens en dier niet te verwaarlozen, als er aanleiding is om de plaats van de mens in de wereld der organische levensverschijnselen niet uit het oog te verliezen.’
De praktijk van het moderne leven leert, dat ofschoon het taboe is om er in zulke termen over te spreken, tegenover mensen of dieren die zogenaamd verantwoordelijk zijn voor het kwaad geen mededogen past. De demonisering levert een alibi voor tomeloze wreedheid, zoals de recente voorbeelden van Bosnie en Ruanda weer eens hebben aangetoond en de op handen zijnde kalvermoord in Nederland ook weer demonstreert.
Alleen al de terminologie die van officiele zijde bij de voorbereiding gehanteerd wordt doet ons huiveren. Gesproken wordt van een masterplan dat nodig is voor de onmiddellijke destructie van gigantische aantallen mestkalveren. De logistiek kan slechts met grootscheepse computerprogramma’s beheerst worden. In de Journaals zien we gebouwen met enorme schoorstenen en angstaanjagende verbrandingsovens. Wie wordt met de coordinatie belast, welke superambtenaar regelt het transport en een soepel verloop van de vernietigingsoperatie? Hoe moeten de moeders en vaders van Nederland de rituele kalvermoord door Jozias van Aartsen aan de kleintjes uitleggen? Hoe verklaar je aan een kind dat miljoenen vredige dieren in de verbrandingsovens belanden? De Dierenbescherming wordt overstroomd met aandoenlijke verzoeken om een kalfje te mogen adopteren.
WAT BEZIELT DE Nederlandse minister van Landbouw? De agrarische medewerker van het Nieuwsblad van het Noorden, Boertjens, analyseert: 'Tienduizenden Nederlandse kalveren van Britse afkomst zullen de komende weken naar de slachtbank moeten. Afgeslacht en daarna vernietigd, verbrand in een van de destructoren in het Friese Bergum of het Brabantse Oss. Het poeder dat daarna overblijft gaat naar de afvalverwerking Rijnmond. Chemisch afval waar uiteindelijk niets dan een paar stoffige moleculen van overblijft. Mag je dit een “holocow” noemen? De beelden van massale vernietiging doen in elk geval denken aan een “Endlosung”, waarbij weldenkende mensen hun verstand verliezen. Nederland loopt voorop in deze vernietigingsoperatie.’
Volgens de deskundige hebben we hier te maken met een massapsychose. Een mensengekte die bewust en onbewust wordt aangewakkerd. Ondeskundigheid en tendentieuze berichtgeving maken miljoenen consumenten onrustig en onzeker. De massapsycholoog Jaap van Ginneken, auteur van De uitvinding van het publiek, stelt vast dat hoewel de middelen om de attitudes en het gedrag van het publiek te voorspellen voortdurend toenemen, deze toch vaak massaal een volledig onverwachte wending blijken te nemen. 'Het image van een produkt of persoon wordt bijvoorbeeld door een onbeduidend gerucht of incident volledig verstoord. De koers van een aandeel of geldsoort kan stijgen tot ongekende hoogten, om dan opeens radicaal in elkaar te klappen. Een overheidsmaatregel roept een onvoorzlene storm van protest of morele verontwaardiging op. Door een sociaal conflict of oorlog neemt een ontwikkeling een fundamenteel andere wending.’ De gigantische BSE-calamiteit hoort in dit rijtje thuis.
De houding van minister Van Aartsen tegenover de explosie van massahysterie doet denken aan die van Korthals Altes, eveneens een VVD-bewindsman, destijds in Oude Pekela. De minister van Justitie trachtte de bevolking te sussen door te doen alsof een fictief schandaal werkelijk had plaatsgevonden. Juist onder liberalen zijn de angsten voor onbeheersbare krachten en collectieve volkswanen diepgeworteld. Marktbeheersing en orde proberen zij te herstellen door zo veel mogelijk toe te geven aan het irrationele.
Daar zit iets pervers in. Juist doordat de dieren gezond zijn, is er sprake van een offer. Van Aartsen weet donders goed dat de publieke opinie niet valt te paaien met het doden van zieke dieren, die toch gedoemd zijn ellendig te sterven. Het zou de goegemeente niet imponeren. Massamoord op kalfjes waarmee niets aan de hand is, daarentegen 'herstelt het vertrouwen van de consument’.
Macht, constateerde Tocqueville al in 1835, is alleen wettig wanneer zij ontleend wordt aan de autoriteit van het volk. Als het volk hysterisch wordt, maken de bestuurders rare sprongen. Alsof zij tien jaar geleden rundvlees genuttigd hebben.