Het rode leger het rode kruis wordt niet door iedereen als neutrale hulporganisatie gezien

Voor het eerst in zijn geschiedenis gaat het Rode Kruis te wapen. Met huurlingen of met een eigen militie. Zusterinstellingen vragen zich af waar het heen moet. ‘Dit is het begin van het einde van de noodhulp.’
OP HET hoofdkwartier van het Internationale Rode Kruis te Genève werd verleden week koortsachtig vergaderd over een totale omwenteling binnen de 133-jarige organisatie. Onderwerp van gesprek was de nog steeds in hevigheid toenemende estafette van aanslagen en plunderingen waaraan de internationale hulpverlenersorganisaties de laatste tijd bloot staan.

Maar terwijl organisaties als Artsen zonder Grenzen op de geweldsgolven reageren met een steeds kopschuwere houding en sommige gebieden als ‘onwerkbaar’ willen bestempelen, lijkt het Rode Kruis af te stevenen op een regelrechte confrontatie. Hoewel de discussie zich nog in 'een prematuur stadium’ bevindt, wijzen alle tekenen erop dat het Rode Kruis wil overgaan tot de vorming van een eigen paramilitaire 'bewakingsdienst’. In de wandelgangen van het internationale hulpverlenerscircuit wordt al spottend gesproken van 'het rode leger’.
De komende weken moet de nieuwe benadering van het Rode Kruis definitief gestalte krijgen. Woordvoerder Hans Akerboom van het Nederlandse Rode Kruis filosofeert alvast hardop: 'In sommige gevallen moeten we mensen aantrekken die op wacht kunnen staan. Mensen kunnen dan in het veld werken naast iemand met een machinegeweer. Of er komt een bewaker bij de poort van een ziekenhuis. Wij denken daarbij aan het aantrekken van ervaren mensen, ex-militairen en dergelijke. Veel ervaring is echter al binnen het Rode Kruis aanwezig. We hebben een afzonderlijke afdeling, het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRK), die is gespecialiseerd in het werken in oorlogsgebieden en daartoe ook aparte bevoegdheden heeft. Ervaring met pantservoertuigen, technologie en communicatieapparatuur is dan ook al binnen de ICRK aanwezig.’
DE DISCUSSIE laaide op na de moord op elf medewerkers van het Rode-Kruisziekenhuis in het Tsjetsjeense Nowyje Atagi, december verleden jaar. Volgens critici was deze aanslag mede te wijten aan ondoordacht handelen van het Rode Kruis. De organisatie gaat prat op de meer dan 180 'lokale vestigingen’, die een nauwe samenwerking met de plaatselijke bevolking waarborgen. Maar in Tsjetsjenië ontbrak zo'n lokale vestiging. Het Rode Kruis opende er een, hoewel er een plaatselijk ziekenhuis aanwezig was. Met dit plaatselijke ziekenhuis raakte men vervolgens in een hevige concurrentiestrijd. Bovendien maakte het Rode Kruis voor de bouw van het ziekenhuis gebruik van een ondernemer uit Grozny, en werd het bouwmateriaal geleverd vanuit Dagestan - zaken die onder de inwoners van Nowyje Atagi kwaad bloed zetten. Communicatie met de bevolking was verder alleen mogelijk via Tsjetsjeense tolken. Bovendien was er niet aan gedacht om het kruis te vervangen door de Rode Halve Maan, tot ongenoegen van de moslimbevolking.
Het Rode Kruis werd dus niet door iedereen als neutrale hulporganisatie gezien.
Problemen waren er al eerder. Een paar keer werden medewerkers van het Rode Kruis ontvoerd door Tsjetsjeense milities. En twee weken voor de moordaanslag was er een overval op het ziekenhuis, waarbij radioapparatuur werd meegenomen en het personeel werd bedreigd. Op de voorgevel schilderden de overvallers: 'Rode Kruis: spionnen’. Toch besloot het Rode Kruis te blijven. Wel werden de veiligheidsvoorschriften aangescherpt en op vrijgekomen plaatsen kwam geen nieuw personeel.
Daags voor de aanslag ontving het Rode Kruis een brief van de burgemeester en politiecommandant ter plaatse. Daarin werden de bezwaren tegen de organsiatie nogmaals opgesomd, gevolgd door het dreigement dat als de eisen niet werden ingewilligd, men rekening moest houden met een gebeurtenis die 'internationale verwikkelingen’ zou uitlokken. De volgende nacht werd het in diepe rust verkerende ziekenhuis met veel kabaal binnengedrongen. De Tsjetsjeense bewakers, conform de voorschriften van het Rode Kruis ongewapend, waren gauw uitgeschakeld. De indringers overvielen elf weerloze Rode-Kruismedewerkers in hun slaapverblijf. Over de mogelijke daders en het verband met de brief valt slechts te speculeren. Direct na het bloedbad gaf Rode-Kruiswoordvoerder Thierry Meyrat toe dat de organisatie 'het gevaar van groepen die in het wilde weg opereren heeft onderschat’. In een latere verklaring meldde het Rode Kruis dat het ging om een professionele, goed voorbereide aanval.
HET VOORVAL stond niet op zichzelf. In juni vorig jaar kwamen in Burundi drie Rode-Kruismedewerkers om het leven. Sinds 1990 vonden in totaal achttien Rode-Kruismensen de dood.
Overigens vormen ook andere hulporganisaties geregeld het doelwit. In Ruhengeri, Ruanda, leidde een georganiseerde aanval van Hutu-milities tot de dood van drie medewerkers van Médicos del Mundo. De bende was eerst bij Artsen zonder Grenzen langsgegaan, maar aangezien de veiligheidsmaatregelen daar afdoende bleken, toog men naar de afdeling van Médicos del Mundo. Ooggetuigen zagen een groep Hutu-strijders de kliniek binnendringen. Hen werd gevraagd om hun identiteitspapieren, als antwoord werd het personeel in koelen bloede neergeschoten. Volgens insiders ging het om een doelgerichte executie van buitenlanders. Médicos del Mundo heeft intussen de activiteiten in het grensgebied tussen Ruanda en Zaïre tijdelijk stopgezet. De afgelopen drie maanden werden in totaal negen vrijwilligers van de Spaanse afdeling om het leven gebracht.
DE TOP VAN HET Rode Kruis heeft al laten doorschemeren dat de bescherming van de hulpkonvooien in ieder geval niet door VN-blauwhelmen moet geschieden, zoals hier en daar was voorgesteld. De blauwhelmen worden in grote delen van de wereld nu eenmaal niet als neutraal gezien.
Aan het inzetten van plaatselijke milities kleeft natuurlijk hetzelfde probleem. Artsen zonder Grenzen werkte enige tijd met deze formule, maar heeft dat inmiddels opgegeven.
Pim de Graaf, projectmanager van Artsen zonder Grenzen: 'In Somalië hebben wij gewerkt met plaatselijke milities, maar dat was eens en nooit weer. De lokale lieden die wij hadden ingehuurd, bleken uiteindelijk ook lid van een gewapende bende van een of andere warlord. Het eind van het liedje was dat onze mensen min of meer in gijzeling werden genomen door hun eigen bewakers. Zij dwongen met getrokken revolver salarisverhoging af, terwijl ook de voorraad en het materieel werd geplunderd. Daar kijken we met verbittering op terug.’
De Graaf wijst erop dat Artsen zonder Grenzen 'grote ethische problemen’ heeft met het werken in landen die door warlords worden geregeerd. 'Grootschalige hulpkonvooien vallen vaak ten prooi aan plundering. Alles wordt daarbij in beslag genomen. Zo steun je ongewild precies die groepen die het oorlogsgeweld stelselmatig vergroten. Voor ons is dan het moment aangebroken om te denken aan een totale terugtrekking.’
DIRECTEUR LEX Winkler van de Nederlandse afdeling van Artsen zonder Grenzen vertelt dat de organisatie zich deze week gaat beraden op de nieuwe koers van het Rode Kruis. 'Het lijkt wel mode geworden in crisisgebieden om op iedere buitenlander te schieten, alsof men elkaar aansteekt, alsof die groepen allemaal via Internet met elkaar in contact staan en een gebundelde actie hebben afgesproken. Van het Rode Kruis heb ik begrepen dat zij het werkterrein nu indelen in drie categorieën. In de eerste categorie is er niets aan de hand, in de tweede categorie zijn hulpverleners het slachtoffer van petty crime en in de derde zijn zij doodgewoon doelwit. Dat laatste is nieuw, en de vraag is of je je daar wel tegen kan bewapenen. Op zich bevat de Geneefse Conventie wel een artikel dat het mogelijk maakt dat het Rode Kruis zich met wapens verdedigt, maar het is de vraag of het raadzaam is. Het Rode Kruis heeft altijd gekozen voor de stille weg. Dat valt weg als je met eigen milities komt. Dat is toch een omkering van alle waarden. Dan word je helemaal opgezogen in dat ingewikkelde krachtenspel van elkaar beconcurrerende benden. Ik ben bang dat dat de grootschalige noodhulp zeer ernstig in gevaar zal brengen. Dan is het denk ik beter je terug te trekken uit die gebieden en de ergste nood, zoals honger, te lenigen door lokale hulpinstanties te bevoorraden.’
Woordvoerder Burgener van het Internationale Rode Kruis in Genève ziet dat anders: 'We zullen die wachtposten alleen maar neerzetten wanneer iedereen begrijpt dat dat noodzakelijk is. Als je dat niet doet, ben je naïef. Wanneer ook de andere hulporganisaties zich bewapenen, zal het niet agressief staan wanneer het Rode Kruis dit ook doet. Per keer moet daarom bekeken worden of gewapende bijstand noodzakelijk is.
Dat militante groeperingen het steeds vaker op het Rode Kruis hebben gemunt, heeft verschillende redenen. Soms zijn medewerkers bijvoorbeeld getuige geweest van oorlogsmisdaden. Vaker echter willen deze groeperingen herrie schoppen of een explosieve situatie creëren. Ook antiwesterse sentimenten spelen regelmatig een rol. Het gebruik van het christelijke kruis als symbool is daar mede debet aan.’
Van oudsher legt het Rode Kruis sterk de nadruk op haar 'neutrale positie’. Immers, zo stelde W.H. Cense, de Nederlandse Rode-Kruisdirecteur: 'Alles wat de toegang tot de slachtoffers bemoeilijkt, kan contraproduktief werken en moet dus zo veel mogelijk worden vermeden.’ De absolute neutraliteit was het sterke punt van de hulporganisatie, al werd deze, zeker in de Tweede Wereldoorlog, lang niet overal in ere gehouden. In september verleden jaar kwam de Amerikaanse senator Alfonse D'Amato, de speurder naar het verdwenen nazi-goud, nog met een beschuldiging dat het Rode Kruis indertijd spionnen leverde aan het nazi-regime. Ook zouden Rode-Kruistransporten zijn gebruikt voor vervoer van nazi-spionnen in Europa en Noord-Afrika.
Van recente datum is de kritiek op de charitatieve activiteiten in voormalig Joegoslavië. Volgens critici trok het Rode Kruis zich onvoldoende het lot aan van de duizenden vermiste Bosnische Moslims in Srebrenica. Rode-Kruisvoorzitter Cornelia Somarruga reageerde daarop met een scherpe aanval op de Bosnische Serviërs. Hij nam stelling tegen de 'etnische zuiveringen’, sprak over berovingen, mishandelingen en gruwelijke terreur en riep de internationale gemeenschap op om 'meteen vastberaden’ actie te ondernemen.
De forse uitspraken van Somarruga contrasteren scherp met de diplomatieke omzichtigheid waarmee het Rode Kruis de strijdende partijen doorgaans benadert. Niettemin stond 'politieke neutraliteit’ altijd hoog in het vaandel. En soms werd het Rode Kruis juist vanwege dat axioma gekritiseerd: 'politiek neutraal’ hulp verschaffen zou tot verlenging van het conflict leiden. Men wijst daarbij bijvoorbeeld op de situatie in de Zaïrese vluchtelingenkampen - de Hutu-milities kregen daar de tijd zich te hergroeperen en financiële en militaire reserves op te bouwen, waarna hernieuwde aanvallen op de Tutsi’s plaatsvonden. Indirect ondersteunde de noodhulp daarmee het gevluchte moordenaarsbewind van Interahamwe.
Natuurlijk is het bij het uitdelen van voedsel onontkoombaar dat ook de guerrillabenden profiteren. De cijfers van de voedseldistributie zijn soms echter schokkend. In de Zaïrese kampen werd voedsel voor 220.000 mensen gedropt op plaatsen waar slechts 120.000 mensen verbleven. Het grootste deel van de hulp kwam zo waarschijnlijk terecht bij punderende benden.
VOLGENS SOMMIGEN is er dan ook een grondige herbezinning op de noodhulp nodig. Ook omdat de kosten voor het bereiken van de slachtoffers dramatisch toenemen, zeker wanneer tevens de eigen veiligheid moet worden georganiseerd. Ahmedou Ould Abdallah, voormalig VN-ambassadeur in Burundi, stelt dat de internationale gemeenschap zich laat chanteren door de Ruandese, Somalische en Servische oorlogshitsers. Volgens hem gaat een veel te groot deel van de hulpbudgetten op aan de humanitaire hulp en 'nationale verzoening’ in deze crisislanden. Daardoor worden onruststokers beloond terwijl 'hardwerkende stille’ staten als Burkina Faso, Ghana en Botswana buiten de boot vallen, aldus Ould Abdallah in zijn onlangs verschenen boek La diplomatie pyromane. Hij spreekt in dit verband van het 'Stockholm-syndroom’, vernoemd naar een gijzeling waarbij de gegijzelden sympathie voor hun agressors opvatten. Bovendien wordt er veel te weinig geld uitgetrokken voor structurele ontwikkelingshulp, vindt Ould Abdallah, tegenwoordig directeur van Global Coalition for Africa. Men trekt nog wel de portemonnee voor publicitair aantrekkelijke noodhulp, maar laat het er daarna bij zitten.
Wellicht dat het Rode Kruis beter naar dit soort kritiek kan luisteren alvorens het in naam van Het Onbekende Oorlogsslachtoffer naar de wapens grijpt.