De eeuw van de verontschuldiging

Het rommelt aan het sorryfront

Een staat die zijn excuses maakt. Ooit was het ondenkbaar, inmiddels is het heel gewoon. Maar echt van harte gaat het zelden. En niet alleen omdat er een prijskaartje aan hangt.

De Duitse bondskanselier Willy Brandt bij het monument voor de joodse slachtoffers in Warschau. 7 december 1970 © Bettmann Archive / Getty Images

Een paar maanden geleden vroeg de Mexicaanse president Andrés López Obrador aan zowel Spanje als de katholieke kerk excuses voor hun optreden in koloniale tijden. Het moment was bewust gekozen: op de kop af vijfhonderd jaar nadat Hernán Cortés begonnen was aan de verovering van het gebied dat tegenwoordig bekend staat als Mexico. Het verzoek kwam dan ook tijdens de herdenking van een van de eerste momenten van die verovering: de slag om Centla, op 14 maart 1519. Met deze slag, waarin een van de vele Mayavolkeren het onderspit delfde, begon de zegetocht van de Spanjaarden. Eerst werd Mexico-Stad verwoest, daarna viel het Azteekse rijk en uiteindelijk volgden de verovering, kolonisatie en kerstening van heel (Zuid-)Amerika. Die kerstening zou nooit meer ongedaan gemaakt worden: de indiaanse cultuur werd voorgoed vernietigd.

De kolonisatie eindigde wel. Voor de meeste Latijns-Amerikaanse landen gebeurde dat drie eeuwen later, in de napoleontische tijd. Maar daarmee eindigde niet het onrecht dat de ondertussen geminimaliseerde indiaanse bevolking werd aangedaan. Vandaar dat López Obrador in dezelfde speech waarin hij excuses vroeg, ook excuses aanbood. Dit deed hij om te beginnen voor de slechte behandeling die Mexicaanse indianen ook in afgelopen tweehonderd jaar hadden ondergaan. Maar de excuses golden ook de Chinezen die eind negentiende eeuw in groten getale naar Mexico waren gekomen. Ze waren vreselijk onderdrukt en tijdens de Mexicaanse Revolutie aan het begin van de twintigste eeuw massaal vermoord.

In de komende jaren, zo vervolgde de Mexicaanse president, willen wij aan al dat historisch onrecht aandacht besteden, fouten erkennen en excuses maken om op basis daarvan ‘buscar hermanarnos en la reconcilación histórica’ – ‘te proberen ons te verbroederen in de historische verzoening’. Het hoogtepunt van dit streven, zo besloot hij, valt in het jaar 2021, vijfhonderd jaar na de verwoesting van Mexico-Stad. Tegen die tijd zouden Spanje en het Vaticaan aan zijn verzoek voldaan moeten hebben. Wat er gebeurt als zij die stap niet zetten, liet Obrador in het midden.

Dat belooft nog wat voor komende jaren. De oproep en verontschuldiging van de Mexicaanse overheid maken deel uit van een internationaal fenomeen dat weliswaar al geruime tijd bestaat, maar in afgelopen jaren snel aan kracht heeft gewonnen. Laten we het de politieke sorrybeweging noemen. Een goed voorbeeld hiervan is het optreden van de huidige premier van Canada, Justin Trudeau. In mei 2016, een half jaar na zijn aantreden, bood hij de eerste keer zijn excuses aan. Ze golden de weigering van de Canadese regering in mei 1914 om een schip met Indiase migranten toe te laten. Daarop keerde het schip noodgedwongen terug naar India, waar de (Engelse) politie vervolgens probeerde de voorman van de migranten als politiek rebel te arresteren. Dat mislukte, maar bij de poging kwamen negentien mensen om het leven.

In november 2017 bood Trudeau, in tranen, excuses aan voor het door de staat gesteunde kostschoolsysteem waarin kinderen van autochtone indianenstammen verplicht tot goede Canadezen werden opgevoed. Een paar dagen later vroeg hij, opnieuw in tranen, de lhbtq-gemeenschap om vergiffenis. Ze waren systematisch onheus bejegend. Weer een jaar later, in november 2018, kwam Trudeau met nog twee excuses: de eerste voor de ophanging in 1864 van zes opperhoofden van de Tsilhqot’in-stam, de tweede voor de weigering in juni 1939 om de St. Louis, het beroemde schip met negenhonderd joden aan boord, tot Canada toe te laten. Het schip keerde daarop terug naar Europa, waar ongeveer een kwart van de opvarenden door de nazi’s werd vermoord.

Overzichten zoals opgesteld door onderzoekers, instituten en projecten die zich expliciet met het politieke sorrythema bezighouden – en dat zijn er steeds meer: ook de universiteit van Tilburg kent sinds kort zo’n project, Political Apologies across Cultures – laten zien dat het optreden van Obrador en Trudeau de uitkomst is van een ontwikkeling die zo’n jaar of twintig gaande is, tien jaar geleden al zo ver voortgeschreden was dat her en der van een ‘Age of Apology’ werd gesproken en op dit moment een hoogtepunt bereikt. Waarom? Wat zijn de thema’s? Welke de haken en ogen?

Herero-rebellen tijdens de door Duitsland gepleegde Namibische genocide, 1905; © Ullstein bild / Getty Images

Tot de Tweede Wereldoorlog waren politieke excuses uitzonderlijk. Tussen staten waren ze zelfs, behalve in enkele incidentele diplomatieke gevallen, onbekend. Onbestaand was dat staten excuses aanboden aan individuen, zeker als die uit een ander land kwamen. Het individu was in het internationaal recht geen categorie en mensenrechten bestonden niet, althans niet in juridische zin. Wat wél bestond, waren herstelbetalingen (‘compensaties’), maar die betroffen bijna alleen staten en waren altijd het resultaat van het recht van de sterkste. Voor de meeste andere sinds de negentiende eeuw gesloten vredes gold hetzelfde: de verliezer betaalde en de winnaar bepaalde hoeveel. Excuses kwamen hoogstens onder druk. In de morele zin van het woord betekenden ze niets, ze vertegenwoordigden geen daadwerkelijk ervaren spijt of schuldbekentenis.

Dit alles veranderde na de Tweede Wereldoorlog. In eerste instantie om twee redenen. De ene is het alomtegenwoordig besef dat de tijdens deze oorlog bedreven genocide onaanvaardbaar was en op de verantwoordelijken een onbeschrijflijk zware schuld had geladen. Zoiets mocht nooit meer gebeuren. Dit besef moest doordringen. Hiertoe werden krachtige maatregelen genomen: formulering van mensenrechten, schuldbekentenis door de verantwoordelijken en vergaande compensatie. In 1948 kwamen de Verenigde Naties met een Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. In 1951 bood de Duitse bondskanselier Konrad Adenauer de joodse bevolking Wiedergutmachung aan. Dit nadat Duitsland reeds met tal van landen herstelbetalingen had afgesproken, al onderscheidden die zich niet fundamenteel van de oude vormen van compensatie.

De climax van de excuses voltrok zich op 7 december 1970, toen bondskanselier Willy Brandt in Warschau een bezoek bracht aan het monument ter nagedachtenis aan de joden die vielen tijdens de opstand in het plaatselijke getto en daarbij onverwacht, voor het publiek althans, door de knieën zeeg. Dat beeld ging de wereld over en leidde tot een stroom van commentaren, een schat aan bespiegelingen en een keerpunt in de zogenoemde Duitse Vergangenheitsbewältigung, omgang met het verleden. Het was deze daad die, meer dan wat ook, de toon zette voor de huidige sorrycultuur.

De toon, niet de achtergrond. Die wordt gevormd door een langlopende ontwikkeling die door de Tweede Wereldoorlog weliswaar onderbroken werd, maar daarna extra kracht vergaarde om in de jaren zestig en zeventig – de jaren rond Brandts knieval dus – alomtegenwoordig te worden: emancipatie en democratisering, keerzijden van een en dezelfde overtuiging, namelijk dat alle mensen, ongeacht ras, kleur, geloof of andere kenmerken, gelijkwaardig zijn, gelijke rechten hebben en dus niet verschillend behandeld mogen worden. Gebeurt dat wel, dan geeft dat recht op verhaal, excuses en compensatie.

Tot dan toen was dat recht een wassen neus. Want in het verleden maakten machthebbers geen fouten, wat hetzelfde is als zeggen dat zij konden doen wat zij wilden.

Als een machthebber in het verleden schuld bekende of vergiffenis vroeg, dan was dat ten opzichte van de enige figuur die hij als zijn meerdere erkende: God. In de praktijk betekende heersen hetzelfde als gelijk hebben en, als je dat niet kreeg, gelijk halen: geweld gebruiken dus. Democratisering bracht verandering in deze vanzelfsprekendheid, niet zozeer doordat machthebbers opeens andere mensen werden als wel omdat de publieke stem hen dwong rekening te houden met krachten die sterker konden zijn dan zij. Die krachten zijn in afgelopen decennia, niet in laatste instantie dankzij sociale media, vele malen sterker geworden. Het weerspiegelt zich in de huidige sorrybeweging.

Naast structurele zijn er vermoedelijk ook meer incidentele redenen voor het succes van de sorrybeweging. Ik noem ze slechts omdat uitwerking ervan een volstrekt ander – en lang – verhaal is: slachtoffercultuur, emotiecultuur en de overtuiging dat een erkenning van feilen een teken van beschaving is. Zie wat betreft dit laatste het voortschrijdende debat over de zwarte bladzijden van de geschiedenis. Net als de sorrycultuur dateren deze verschijnselen van eind vorige en begin deze eeuw. Met een sorry zetten politici dus niet alleen een nuttige stap, zij geven tegelijkertijd blijk van begrip voor de tijdgeest. Voor de cynici onder ons: een politiek ‘sorry’ slaat meer vliegen in één klap.

Dan de inhoud. Wie de lange lijst bekijkt van de in afgelopen decennia of recentelijk gemaakte politieke verontschuldigingen, moet constateren dat steeds dezelfde thema’s terugkeren. Om te beginnen het thema dat zich zozeer in de haarvaten van de westerse cultuur heeft genesteld dat het permanent betreurd wordt, impliciet en expliciet, met en zonder woorden, door iedereen, overal. Sterker nog: wie zich ertegen keert, is strafbaar. Bedoeld is de shoah, met in het verlengde hiervan de genocide op andere bevolkingsgroepen.

Genocide is anno nu het grootste kwaad denkbaar en dus het belangrijkste onderwerp waarvoor excuses en compensatie gepast worden geacht. Dit verklaart ook de aanhoudende westerse woede over de Turkse weigering verantwoordelijkheid te nemen voor de gebeurtenissen in Armenië, ondertussen al meer dan een eeuw geleden. Het verklaart het onmogelijk parket waarin Nederland zich met Srebrenica bevindt. Het verklaart de complexiteit van de Rwanda-affaire: genocide van de ene bevolkingsgroep op de andere is toch iets anders dan genocide onder verantwoordelijkheid van een staat of machthebber. Het verklaart, tot slot, het geschipper van tal van overheden waar het uitroeiingen in een ver verleden betreft, onder meer die van oorspronkelijke bevolkingen in Amerika, Australië en Afrika. Naar huidige maatstaven zijn deze moeilijk anders te zien dan als genocide. Maar dat erkennen betekent een bom in de politieke verhoudingen, zowel de nationale als de internationale. Daarom dus dat geschipper en die voorbehouden: dat het lang geleden is; dat het ingewikkeld ligt; en dat het zo niet bedoeld was.

Het tweede thema is misdaden tegen de menselijkheid waaronder deportatie, slavernij, dictatuur, apartheid, dwangarbeid, gevangenzetting, marteling, verkrachting en wat door mensenrechtentribunalen gewoonlijk ‘other inhumane acts’ wordt genoemd. Het aantal verontschuldigingen hiervoor, hoe groot ook in vergelijking met enkele tientallen jaren geleden, is nog steeds pover. Bij dit thema springt op dit moment één onderwerp eruit: slavernij. Daar is zoveel over te doen dat je zou verwachten dat het op den duur, net als de shoah, tot een vorm van consensus leidt. Ingewikkeld is zo’n consensus wel. Dat komt vooral door de afstand in de tijd en, mede daardoor, de complexiteit van schuldtoewijzing en, noodzakelijk voor een eventuele compensatie, moeilijkheid van kwantificatie.

De afstand in de tijd met betrekking tot de slavernij wordt in zekere zin tenietgedaan door een derde, inhoudelijk hieraan sterk verwant thema binnen de huidige sorrycultuur: kolonialisme. De massale beëindiging van koloniale systemen kwam pas in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, vervolgens duurde het nog enkele tientallen jaren tot de voormalige koloniën zich tot min of meer stabiele machten hadden ontwikkeld en in staat waren dan wel de moed hadden om de voormalige moederlanden ter verantwoording te roepen. Maar op dit moment gebeurt dat steeds vaker, met gedoe, geruzie, gehakkel en soms excuses door de politici in die moederlanden tot gevolg.

Oorlogsmisdaden vormen een enigszins aparte en buitengewoon lastige categorie. Daaraan refereert de uitdrukking ‘misdrijf tegen de vrede’ of het ‘verbod op agressie’ in het Handvest van de Verenigde Naties. Een nog nooit gemaakt maar wel gevraagd excuus van Japan voor de aanval op Pearl Harbour zou hieronder vallen. Zo ook een excuus van de Verenigde Staten voor Hiroshima, of van de geallieerden voor de bombardementen op Duitse steden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toch weet men veelal slecht raad met deze zaken, temeer omdat ze in veel gevallen ook als een vorm van noodzaak, zelfverdediging of collateral damage worden gezien.

Een vijfde, ruimer, overkoepelend en alledaags thema is discriminatie. Dat bestaat in vele soorten en maten, van gênant via weerzinwekkend tot misdadig. In ernstige gevallen loopt dit thema over in categorieën als racisme en misdaden tegen de menselijkheid. Veelzeggend is dat tegenwoordig ook de minder levensbedreigende vormen van discriminatie op het excuuslijstje staan. Steeds vaker krijgen minderheden of anderszins ‘anderen’ te horen dat de manier waarop ze zijn behandeld onjuist is (geweest). In dat kader past een uitdrukking als ‘etnisch profileren’. Vele excuses in deze categorie betreffen seksualiteit (de Canadese premier tot de lhbtq-gemeenschap, de paus in 2016 over homoseksualiteit). Ergens in deze categorie valt ook seksueel misbruik, onder meer dat van kinderen, een thema dat op dit moment met name binnen de katholieke kerk steeds weer tot excuses leidt. Maar er is meer. Opvallend waren de excuses die de Noorse regering in het najaar van 2018 maakte aan de zogenoemde ‘moffenmeiden’ en hun kinderen.

Tot slot zijn er excuses die inhoudelijk wel onder een van deze thema’s vallen, maar daarop niet meteen betrekking hebben omdat ze afzonderlijke gebeurtenissen van flagrant onrecht betreffen. Om een aantal recente te noemen: genoemde weigering door de Canadezen om een vluchtelingenschip toe te laten; de inval van Irak (excuses door Tony Blair in 2016); het bombardement op een ziekenhuis van Artsen zonder Grenzen in Afghanistan (Barack Obama, eveneens 2016). Op de Political Apologies Archive-site van het Institute for the Study of Human Rights van Columbia University staan meer dan zevenhonderd excuses in deze restcategorie.

De Canadese premier Justin Trudeau biedt de Tsilhqot’in-stam zijn verontschuldigingen aan voor het ophangen van zes van hun opperhoofden tijdens de Chilcotin- oorlog. Chilko Lake, British Columbia, Canada, 2 november 2018 © Jonathan Hayward / The Canadian Press / AP / HH

Politieke verontschuldiging kent tal van complicaties. De belangrijkste daarvan is de relatie tussen woord en daad, tussen morele schuldbekentenis en materiële schuldaflossing. In verreweg de meeste gevallen vormt deze relatie een welhaast onoverkomelijk struikelblok: zij weerhoudt werkelijke of vermeende schuldigen en hun vertegenwoordigers van een bekentenis en verklaart dat slachtoffers met zo’n eventuele bekentenis zelden of nooit genoegen nemen. Tegelijkertijd heeft het verband tussen schuld en boete tot gevolg dat het politieke sorry nogal eens ontaardt in een vorm van koehandel.

Deze handel begint al met de suggestie dat het mogelijk is leed te meten, dat wil zeggen in geld of een andere vorm van materie uit te drukken en dus ook te vergelijken is. Leed en materie zijn verschillende categorieën en elke vergelijking is absurd. Hoe bereken je een compensatie? Hoeveel kost een mensenleven? Is dat van een twintigste-eeuwse jood meer waard dan dat van een zestiende-eeuwse indiaan? Wat is de prijs van een marteling? Worden schuld en boete kleiner/lager naarmate er meer tijd verstreken is?

Neem de Nederlandse spijtbetuiging plus vergoeding aan twee familieleden van een tolk en aan een elektricien die in Srebrenica in Nederlandse dienst waren. Drie mensen: bij zo’n aantal zijn in ieder geval de kosten te overzien. Elk kreeg twintigduizend euro. Idem dito de negen Indonesische vrouwen die naar aanleiding van de moord in Rawagede tijdens de politionele acties compensatie toegezegd kregen: eveneens twintigduizend euro per persoon. Maar waarom twintig- en niet dertig- of zestigduizend? En wat als het gaat over zulke grote getallen als achtduizend (mannen van Srebrenica), tienduizenden (politionele acties) of honderdduizenden (slavernij)? Dan begint iedereen zich toch achter het oor te krabben en verkiest men een verklaring van verdriet en mededogen boven excuses. Excuses staan gelijk aan schuldbekentenis en zo’n bekentenis opent veelal de onderhandelingen over boetedoening, compensatie dus. Bij grote aantallen kan dat enorm in de papieren lopen. Niet doen dus, tenzij…

De kost gaat voor de baat uit. Deze koopmanswijsheid geldt ook het politieke sorry – ook, dat wil zeggen naast voortschrijdend inzicht, weerzin tegen de daden en gedachten van voorgaande generaties en daadwerkelijk gevoelde spijt. De Duitsers begrepen na de Tweede Wereldoorlog heel goed dat zij internationaal geen schijn van kans hadden als ze niet bereid waren de door hen aangerichte schade te vergoeden. De hoogte van de materiële schade viel eventueel nog wel vast te stellen – Nederland kwam na de Tweede Wereldoorlog tot 25 miljard gulden. Maar immateriële schade, leed, moord, genocide? Neemt niet weg dat de Duitsers inzagen dat ze ook daarvoor moesten betalen – en voor zover ze dat niet deden, zorgde de internationale politiek daar wel voor. Voor andere schuldbekenners en boetedoeners geldt in meer of mindere mate hetzelfde. Excuses en compensatie zijn zelden alleen in het belang van de slachtoffers. De daders moeten er ook iets aan hebben, anders gaan ze er meestal niet toe over.

Dan is er nog een thema dat telkens opspeelt in de sorrycultuur: betekenistoekenning oftewel de vraag waar excuses en compensatie voor staan. Excuses betekenen in de ene, met name westerse of moderne, context iets anders dan in de andere. Vooral het verschil met de oosterse of klassieke cultuur is groot. Dat leidt nogal eens tot onbegrip en misverstand. Zo zijn excuses in de Japanse cultuur niet zozeer gericht op een bekentenis van schuld en een eventuele bereidheid tot boetedoen als wel op een poging tot verzoening, in het besef dat de wereldorde in de war is geweest en dat het tijd wordt haar te herstellen.

In onze oren klinkt dat raar, maar in het westerse verleden leefden lang geleden vergelijkbare gedachten, onder meer bij de Grieken. Het is het verschil tussen een, zeg, tragisch of klassiek en een optimistisch of christelijk levensbeeld. Volgens het laatste zijn zaken te herstellen en te verbeteren. Volgens het tragische wereldbeeld kan dat niet. Het enige wat men kan doen is het tekort van mens en samenleving erkennen en daarvoor buigen. Dit laatste geldt voor zowel daders als slachtoffers.

Hoewel het tragische wereldbeeld met betrekking tot heden en toekomst in onze ogen problematisch en vaak zelfs aantoonbaar onjuist is – vooruitgang bestaat, in ieder geval op een aantal gebieden – heeft het wat het verleden betreft toch de sterkste papieren. Het gebeurde valt immers nooit meer ongedaan te maken. Dit verklaart het ongemakkelijk gevoel dat elk politiek excuus bezorgt. Het is gebaseerd op een paradox omdat het suggereert iets te bewerkstelligen wat niet bewerkstelligd kan worden. De klassieke houding is in die zin eerlijker. Impliciet zegt zij: het verleden is voorbij en ons blijft geen andere keus dan dat te aanvaarden.

Hoewel het vaak anders lijkt, zijn de meeste mensen het hiermee vermoedelijk eens. Dat blijkt ook uit het debat over de vraag of een zaak na excuses en herstelbetaling afgedaan is, afgedaan kan zijn. Bestaat er zoiets als een schone lei? Kunnen slavernij, genocide, deportatie en andere misdaden tegen de menselijkheid vergeven en vergeten worden? De verantwoordelijken willen dat veelal wel. Zie het debat over de Duitse Schlussstrichbedürfnis, de behoefte een streep onder het verleden te zetten. Maar zo’n Schlussstrich is onmogelijk. Hoe goed de wond ook geneest, het litteken blijft.

Dit leidt als vanzelf naar een volgende kwestie in het debat over de huidige sorrycultuur: wie of, beter gezegd, welke discipline heeft bij waarheidsvinding en betekenisgeving het laatste woord: politiek, rechtspraak of geschiedschrijving? Met betrekking tot een publiek sorry strijden de drie voortdurend om voorrang. Daarbij blijkt steeds weer dat de partijen hun belangen laten meewegen bij het bepalen van hun voorkeur voor een discipline (of een richting daarbinnen – de ene geschiedschrijving is tenslotte de andere niet, en hetzelfde geldt voor politiek en rechtspraak).

Een publiek sorry betekent daarom zelden of nooit het einde van het verhaal. Want juridisch kan een kwestie afgedaan zijn, politiek suddert zij voort terwijl zij historisch zelfs nooit beëindigd wordt. Hier staat tegenover dat het gezond verstand suggereert dat er ergens toch een moment moet komen waarop de partijen zich ‘erbij’ neerleggen. Maar waar staat dat ‘er’ voor? Voor een (historische) waarheid of slechts voor een juridisch of politiek compromis? En in dit laatste geval: is er dan niet alle reden om een zaak bij voortschrijdend inzicht opnieuw te openen? Kortom, sorry en herstelbetaling zijn als het deksel op de doos van Pandora.

En dan spelen er nog tal van andere zaken, principiële en praktische. Daaronder de vraag of en waarom men voor het ene type misstand sneller excuses maakt en/of betaalt dan voor het andere; de vraag welke vormen van reparatie er naast excuses en betaling nog meer bestaan; en de vraag of je gezien de huidige sorrycultuur niet zou moeten concluderen dat een ‘zand erover’-politiek per definitie onverstandig is. Telkens immers blijkt dat wonden etteren en daardoor nog meer leed veroorzaken, meer gedoe met zich meebrengen en meer geld kosten. Het verklaart de groeiende aandacht voor wat wel transitional justice wordt genoemd, waarheidsvinding, berechting, verzoening en herstel bij de overgang van een situatie van dictatuur of burgeroorlog naar democratie. Een dergelijke vorm van ‘leedweging’ verkiest het voorkomen boven het genezen en dat is vanzelfsprekend altijd verstandig. Helaas is het daarvoor in de meeste gevallen te laat.

herdenking en begrafenis van slachtoffers van de genocide in Srebrenica, in de voormalige accufabriek waar Dutchbat was gevestigd. Bosnië-Herzegovina, 9 juli 2010 © Claudia Heinermann / De Beeldunie

Voor Duitsland is het ene slachtoffer het andere niet

Interessant voor een goed begrip van de huidige sorrybeweging is een vergelijking tussen de Duitse excuses voor de shoah en die voor het kolonialisme. Want ook de Duitsers maakten zich schuldig aan koloniale misdaden. Dat was precies de conclusie waartoe een werkgroep van de Verenigde Naties (Experts on People of African Descent) in 2017 na een bezoek aan Duitsland kwam. In een rapport stelde zij dat de geschiedenis van het land weliswaar overschaduwd wordt door de shoah, maar dat dit niet betekent dat aan andere misdaden voorbijgegaan kon worden. Duitsland was immers verantwoordelijk voor de zogenoemde Namibische genocide (1904-1908, circa tachtigduizend mensen van de Herero- en Nama-stam vermoord); bovendien had in 1884 in Berlijn de conferentie plaatsgevonden waarop het Afrikaanse continent in stukken werd verdeeld. Deze verdeling was het begin van de wedloop om Afrika, en tegelijkertijd van de meest weerzinwekkende fase van het moderne imperialisme.

Toen Joschka Fischer in 2003 als minister van Buitenlandse Zaken een bezoek aan Namibië bracht, liet hij zijn toehoorders nadrukkelijk weten dat Duitsland niet van plan was schadevergoeding te betalen. Het land wilde Namibië zeker helpen, maar niet om die reden. De achtergrond hiervan is dat Fischer niet kon overzien wat een eventuele toezegging betekende. Nakomelingen van de vermoorde Namibiërs waren enkele jaren tevoren vanuit de Verenigde Staten een strafzaak begonnen, maar deze had nog nergens toe geleid. Wat Fischer in ieder geval niet wilde, was olie op het vuur gooien. Precies dat deed zijn collega voor ontwikkelingssamenwerking, Heidemarie Wieczorek-Zeul, het jaar daarop wel. Tijdens haar bezoek aan Namibië sprak ze over ‘Gräueltaten, Völkermord’ en de ‘Schuld, die Deutsche damals auf sich geladen haben’. Fischer was not amused en stelde dat zijn collega niet meer dan een privémening had verkondigd. Het is het kenmerkende gedraai van de moderne sorrycultuur.

Dat hiermee het laatste woord niet was gesproken, bleek toen in 2011 een twintigtal schedels van destijds vermoorde Namibiërs naar het thuisland werd gebracht. Deze schedels waren een fractie van alle (circa drieduizend) menselijke resten die door een leermeester van Josef Mengele voor rassenonderzoek naar Europa waren verscheept. Op dezelfde plek waar de twintig schedels bewaard werden – het Berlijnse Charité-ziekenhuis – zouden ook nog een paar opgezette hoofden staan, zoals in tal van andere Duitse musea en onderzoeksinstellingen resten van slachtoffers van de Namibische genocide opgeslagen zouden liggen. Dit nieuws leidde tot zoveel commotie dat de politiek geen andere keuze had dan overstag gaan. En inderdaad, in 2015 werd de genocide door de Duitse regering erkend. Maar excuses volgden nog altijd niet. Wél de opmerking dat de zaak te lang geleden was om gevolgen te kunnen hebben.

Hierop begonnen de nakomelingen opnieuw een proces. Die verloren ze afgelopen maart, maar de zaak wordt op dit moment in hoger beroep voortgezet. Met de shoah in het achterhoofd kan de voorlopige conclusie alleen maar zijn dat voor de Duitsers het ene slachtoffer het andere niet is.

Nederland steggelt over procenten

De Nederlandse verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen in Srebrenica wordt door (bijna) niemand ontkend. Maar hoever gaat die verantwoordelijkheid en wat impliceert het begrip ’verantwoordelijk’? Daarover wordt nu al 24 jaar gedebatteerd. Een belangrijke stap in dezen zette premier Wim Kok door meteen na de publicatie van het Niod-rapport over Srebrenica zijn kabinet te laten vallen. Je zou denken dat hij hiermee verantwoordelijkheid nam en dus politieke schuld bekende. Maar is dat zo? Waarom dan niet tegelijkertijd excuses gemaakt en compensatie aangeboden?

Hoeveel kost een mensenleven? Wat is de prijs van een marteling? Wordt schuld kleiner naarmate er meer tijd verstreken is?

Een tweede belangrijke stap was de uitspraak in 2017 van het Haagse gerechtshof dat de staat voor dertig procent verantwoordelijk was voor de dood van zo’n 350 van de 8000 mannen. Het voorlopig laatste opmerkelijke moment was op 19 juli dit jaar, toen de Hoge Raad de aansprakelijkheid verlaagde tot tien procent. Daarmee nam de Raad het advies over van de advocaat-generaal, die in een uitvoerig rapport had gesteld dat de uitspraak van het Haags gerechtshof ‘onbegrijpelijk’ was want gebaseerd op onjuiste inschattingen en verkeerde aannames. Zoals het door de rechtbank veronderstelde feit dat Dutchbat wist dat de mannen hun dood tegemoet zouden gaan. Dat wist Dutchbat volgens de advocaat-generaal niet. Ook was volgens de advocaat-generaal de kans groot dat de mannen eveneens omgekomen zouden zijn als ze op de compound waren gebleven: de Nederlanders moesten immers vertrekken. Verder mocht niet vergeten worden dat gehandeld werd ‘onder grote druk en dreiging van wapengeweld’. Tot slot handelde Dutchbat in naam van de Verenigde Naties.

Alleen al het gesteggel over tien, dertig of eventueel een ander percentage geeft aan dat de Srebrenica-affaire juridisch en wellicht ook historisch een wespennest is waaraan eigenlijk alleen de politiek een eind kan maken. ‘De politiek’ heeft echter steeds weer al het mogelijke gedaan zich erbuiten te houden. Was dat niet ook het probleem in Srebrenica zelf: dat de militairen uiteindelijk niet in staat waren of de durf niet hadden om een vuist te maken? Deed Kok na publicatie van het rapport niet precies dat? Immers door op te stappen leek hij verantwoordelijkheid te nemen, maar hij deed het tegenovergestelde: hij vluchtte en liet de afwikkeling (excuses, compensatie of anderszins) aan anderen over. Gevolg: bijna een kwart eeuw na dato is de zaak nog niet opgelost, integendeel, zij is vooral gecompliceerd.

De absurde discussie over tien, dertig of joost-weet-hoeveel procent is daarvan een duidelijk bewijs. Want het lijdt geen twijfel dat de Nederlandse staat mede-verantwoordelijk is en dat excuses, zeker binnen het huidig tijdsgewricht, op hun plaats zijn. Die excuses zouden ook al lang gemaakt zijn als ze niet gekoppeld waren aan compensatie. Maar die koppeling is er dus wel. Daarom dat gesteggel over procenten. Het gaat niet om schuld maar om boete, om geld. Moet Nederland nu dan ook voor maar tien procent excuses maken? Hoe moet dat? Met een minuscuul buiginkje, een minimaal aantal decibellen? Als het niet zo’n verdrietig verhaal was zou je concluderen dat het een dwaze vertoning is.

Hoe problematisch excuses liggen, is ook goed te zien aan de omgang met twee andere zwarte bladzijden uit het vaderlands verleden: slavernij en kolonialisme. Vorig jaar juli, op de jaarlijkse Surinaamse feestdag ter herdenking van de afschaffing van de slavernij Ketikoti, riep Ahmed Aboutaleb weer eens op tot excuses. Er volgde geen reactie. De regering blijft bij het standpunt dat zij innam in 2013, bij de herdenking van 150 jaar afschaffing, en destijds door Lodewijk Asscher liet verwoorden: ‘Ik sta hier namens de Nederlandse regering en kijk terug op deze schandvlek in onze geschiedenis. Ik kijk terug en betuig diepe spijt en berouw over hoe Nederland is omgegaan met de menselijke waardigheid.’ Over betaling geen woord.

Begrijpelijk: sinds de eerste bijeenkomst van de zogenoemde African World Reparations and Repatriation Truth Commission in 1999 in Accra zingt een bedrag rond van 777 biljoen dollar. Dat enorme bedrag met twaalf nullen zouden West-Europa en Noord- en Zuid-Amerika samen moeten betalen ter compensatie van de problemen die slavernij en kolonialisme veroorzaakten in Afrika. Het is pakweg 2700 keer de volledige Nederlandse begroting. Zelfs als wij niet meer dan vijf procent hiervan voor onze rekening zouden nemen, betekent dat nog dat wij de volgende 130 jaar met een lege schatkist zitten.

Wat betreft het kolonialisme zijn de ontwikkelingen nog minder ver. Dat is niet vreemd, kolonialisme is een groots en ongrijpbaar thema. Bovendien heeft Nederland niet meegedaan aan de meest weerzinwekkende en laatste fase hiervan, die in Afrika aan de vooravond van en kort na de Eerste Wereldoorlog. Zolang niet duidelijk is hoe daarmee omgegaan moet worden, houdt Nederland zich gedeisd en kijkt met een scheef oog naar de zuiderburen.

België: diepe excuses, maar de standbeelden van Leopold blijven staan

In België gonst het over excuses met betrekking tot de voormalige Congolese kolonie en de mensen die daar geleefd hebben of bij een inheemse vrouw verwekt zijn. Dit is niet nieuw, maar beperkte zich tot voor kort tot een discussie over de twee mannen die in de geschiedenis van het Belgisch kolonialisme een sleutelrol vervulden: koning Leopold II en de eerste premier van de Republiek, Patrice Lumumba. In het geval van Leopold bestaat geen twijfel over het feit dat in zijn naam misdaden zijn begaan. Maar zoals bleek bij de heropening, vorig jaar, van het Afrikamuseum in Tervuren is openlijke erkenning hiervan nog altijd een stap te ver.

Met betrekking tot Lumumba ligt het anders en, het zou eens niet, ‘ingewikkeld’. Aldus de conclusie van een historisch onderzoek in opdracht van een parlementaire commissie die begin deze eeuw de moord op de man onderzocht (Lumumba: De complotten? De moord). Volgens dat onderzoek was er geen doorslaggevend bewijs dat de Belgische regering er opdracht toe had gegeven. ‘Het verleden is een terrein dat bezaaid is met overblijfselen, sporen en bronnen, maar in het geval van de zaak-Lumumba werd het terrein letterlijk platgetrapt en verwoest’, schreven de historici. Zij voegden er wel aan toe dat de regering gebaat was bij een uitschakeling van Lumumba en niets had gedaan om hem te beschermen. Integendeel, toen hij eenmaal dood was had zij alles in het werk gesteld om de sporen uit te wissen. Vandaar dat wel vast te stellen viel dat de Belgische regering ‘morele verantwoordelijkheid’ droeg.

De toenmalige regering-Verhofstadt nam deze conclusie meteen ter harte en bood, in 2002, zowel de familie als de Congolese bevolking excuses aan. Veel meer gebeurde er niet, waardoor de zaak-Lumumba tot op heden een heikele kwestie is. Dat blijkt onder meer uit het recente gedoe over het vernoemen van een straat of plein naar de man. In Rotterdam gebeurde dat al eerder (1998). Zo ook in Delft, Maagdenburg, Leipzig, Niort en op enkele andere plekken: Lumumba als vrijheidsstrijder, voortrekker en martelaar van de dekolonisatie. Maar België, het land waar je zoiets als eerste zou verwachten, ontbrak. In Antwerpen werden pogingen hiertoe tegengehouden door burgemeester Bart De Wever. In Oostende was in de gemeenteraad net geen meerderheid te vinden. Brussel en Charleroi maakten vorig jaar plannen voor een straatnaamwisseling, maar die zijn op dit moment nog niet of nauwelijks geëffectueerd. Wie in Charleroi op de betreffende locatie zoekt, vindt nog altijd de oude Rue Paul Pastur. En in Brussel, Elsene, stuit je achter de Bonifatiuskerk op een Futur Place Lumumba en even verderop op niet meer dan een stippellijn met de naam Square Lumumba.

Een nieuwe etappe in deze kwestie begon afgelopen februari, toen enkele leden van de VN-werkgroep Experts on People of African Descent een ‘fact-finding visit’ aan België brachten en aankondigden op basis daarvan in september 2019 met een rapport te komen. Verklaringen aan het eind van het bezoek laten er geen misverstand over bestaan in welke richting dat rapport gaat: niet een die de Belgische regering welkom is. De bezoekers verkondigden dat het tijd wordt dat België zijn koloniale verleden onder de loep neemt en dat excuses niet meer voldoen. Er is zelfonderzoek en debat nodig omdat ‘mensen van Afrikaanse origine nog steeds worden gediscrimineerd’.

Sindsdien rommelt het weer aan het Belgisch sorryfront. In april vroeg de huidige premier Charles Michel excuses aan de duizenden kinderen die, geboren uit een Belgische vader en een Congolese moeder, destijds naar België waren gedeporteerd om opgevoed te worden in weeshuizen, pleeggezinnen of gestichten. Hun verhaal is op zijn laatst sinds 2010 en de publicatie van De bastaards van onze kolonie van Kathleen Ghequière en Sibo Kanobana alom bekend. Onlangs werd het in de vrt-serie Kinderen van de kolonie opnieuw opgerakeld. Daarom die excuses. Maar gevraagd naar algehele excuses voor hetgeen in Congo is gebeurd, houdt Charles Michel zich stil. En vooruitlopend op wat komen gaat heeft hij het voorlopige rapport van de delegatie van de Verenigde Naties alvast ‘heel vreemd’ genoemd.

Uit een recente enquête in opdracht van een aantal Belgische omroepen en kranten bleek evenwel dat een kleine meerderheid van de bevolking voorstander is van het aanbieden van excuses aan Congo, ‘voor misdaden begaan tijdens de koloniale periode’.

Een Britse officier krijgt een pedicure in koloniaal India © Hulton Archive / Getty Images

Echte Britse excuses zouden 232 biljoen kosten

Als de sorrybeweging doorzet, zal vermoedelijk geen land daarvan zo sterk de gevolgen ondergaan als Engeland. Logisch: geen land had nog recentelijk zo’n groot imperium. Een van de illustraties van de eventuele consequenties van dit feit is te vinden in een essay dat de vooraanstaande Indiase econoom Ursa Patnaik afgelopen december publiceerde in een liber amicorum. Die schijnbaar onbeduidende publicatieplek staat haaks op haar explosieve boodschap: dat de Engelsen tussen 1765 en 1938 maar liefst 45 biljoen (twaalf nullen) van India geroofd hebben en dat als India ongemoeid was gelaten het bruto nationaal product van het land in 2003 232 biljoen dollar groter was geweest. Rond 1700 nam India 24 procent van de wereldeconomie voor zijn rekening – een cijfer dat niet alleen Patnaik geeft, het wordt alom erkend. Maar kort na het vertrek van de Engelsen bedroeg India’s aandeel in de wereldeconomie nauwelijks meer dan vier procent. Dat was nog niet alles. De kolonisatie had volgens Patnaik voor India ook nog eens een enorm verlies van mensen betekend: maar liefst 1,8 miljard (negen nullen) Indiërs hadden door het Engelse optreden het leven gelaten.

Vanzelfsprekend leidt de publicatie van dergelijke cijfers tot debat. Niet alleen omdat die cijfers tot op grote hoogte speculatief zijn en toch een kern van waarheid in zich hebben, maar vooral omdat ze een doel dienen. Wat dat betreft had een ander vooraanstaand wetenschapper en politicus van Indiase komaf, Shashi Taroor, enkele jaren geleden de knuppel al in het hoenderhok geworpen. Tijdens een door de Oxford Union georganiseerd debat over herstelbetalingen beweerde hij op basis van vergelijkbare cijfers dat Engeland geen andere keuze had dan de portemonnee trekken. Weliswaar voegde hij eraan toe dat de aangerichte schade nooit vergoed kon worden en dat elke betaling dus een symbolisch karakter heeft, maar betaald moest er worden. Zonder betaling was verzoening onmogelijk. Het YouTube-filmpje met Taroors verhaal werd in India miljoenen keren bekeken.

Wat te denken van de andere voormalige Engelse koloniën? Als historici en economen daar op dezelfde manier aan het rekenen slaan en als dat gereken vervolgens consequenties met zich meebrengt, kan het op dit moment toch al niet florissante land beter meteen in de Noordzee zakken. Dat zal een van de verklaringen zijn voor het feit dat Engelse specialisten over het algemeen de neiging hebben de rekensommen naar het rijk der fabelen te verwijzen. Sommigen gaan zelfs zo ver dat ze het tegenovergestelde beweren: dat de koloniën het moederland meer gekost dan opgeleverd hebben.

De complexiteit van het thema verklaart ook dat zowel voor- als tegenstanders van excuses en compensatie zich bij voorkeur op kleinere, overzichtelijker en liefst concrete onderwerpen richten. Om voor de hand liggende redenen hebben critici van het Engelse rijk hierbij een voorkeur voor recente gebeurtenissen – daarvan zijn nog getuigen en die staan bij een eventuele schadevergoeding sterker dan nakomelingen. Een voorbeeld zijn de gebeurtenissen tijdens de Mau Mau-opstand, aan de vooravond van de Keniase onafhankelijkheid. Zes jaar geleden maakte minister van Buitenlandse Zaken William Hague al zijn excuses hiervoor en bood hij 5200 Kenianen een schadevergoeding aan van 2600 pond per persoon: een totaal van bijna twintig miljoen. Hierbij maakte Hague twee kanttekeningen. Ten eerste dat de zaak hiermee afgedaan was, een ‘full and final settlement’. Ten tweede dat dit niet betekende dat de Engelse regering ook andere verantwoordelijkheden binnen het koloniale systeem erkende.

Dat is precies het tegenovergestelde van wat een van de aanstichters van het debat over de Mau Mau-opstand enkele weken nadien in The Guardian beweerde. Volgens Harvard-historica Caroline Elkins, auteur van Imperial Reckoning: The Untold Story of Britain’s Gulag in Kenya (2005), was het Engelse koloniaal geweld destijds namelijk net zo systematisch als de huidige pogingen dat geweld te verhullen. De Engelsen hebben dus, als er zoiets als rechtvaardigheid bestaat, geen andere keus dan zowel het een als het ander erkennen. Of, zoals de krant schreef in de inleiding op Elkins’ artikel: ‘If there is any justice, the Mau Mau’s stunning legal victory should be the first of many.’

Many? Het aantal is vermoedelijk niet eens te tellen. Neem het bloedbad van Amritsar (Punjab, India, 13 april 1919) – het werd onlangs weer herdacht. Volgens de ene schatting werden daarbij vierhonderd weerloze burgers vermoord, volgens de andere achttienhonderd. De Engelsen hebben hierover bij monde van hun koningin en premier regelmatig hun verdriet uitgesproken. Maar excuses, dat niet. En dat terwijl zelfs Churchill al erkende dat hier onrecht was geschied. Vandaar ook dat het onderwerp dit voorjaar weer ter sprake kwam in het Lagerhuis. Sommige leden bepleitten excuses, anderen vonden dit te ver gaan. En toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Mark Field suggereerde dat de regering er wellicht goed aan deed alvast uit te zoeken wat de financiële gevolgen van eventuele excuses waren. Theresa May maakte korte metten met deze suggestie en herhaalde wat al zo vaak gezegd was: ‘We deeply regret what happened and the suffering caused.’ De uitspraak werd woedend onthaald in India.

William en Lilian Wenberg met een van hun kinderen, dat later tot de ‘gestolen generatie’ zou behoren. Australië, 15 juni 1950 © Newspix / Rex / HH

Australië: de Nationale Sorry-Dag

Australië is het enige land ter wereld dat zowel een Nationale Sorry-Dag (26 mei) als een Herdenkingsdag van het Nationaal Excuus (13 februari) kent. Daarom is er elk jaar tussen februari en mei wel een krantenartikel over Brian Morley te vinden. Morley is een man met wilde witte haren en baard en, veelal, een gitaar in handen. Zijn levensverhaal is schrijnend.

Morley werd geboren in 1958 als zoon van een inheemse (‘aboriginal’) moeder. Omdat zij niet in staat zou zijn (‘of dull intellect’, bovendien werkend) haar kind op te voeden, werd hij uit huis geplaatst, eerst in een gesticht, daarna bij een blanke familie. Morley was op dat moment tweeënhalf jaar oud. Zijn oudere broertje en jongere zusje werden eveneens weggehaald bij hun moeder. Ze mocht op het station niet eens afscheid nemen, vertelt Morley elk jaar opnieuw. Hoewel Morley vanwege zijn huidskleur spoedig begreep dat hij anders was, duurde het tot zijn zestiende tot hij te horen kreeg dat hij geadopteerd was en tot zijn 28ste tot hij vernam dat hij niet uit een of ander ver land kwam maar een aboriginal was. Vier jaar later vond hij zijn moeder, iets daarna zijn broer en zusje. Maar er was te veel gebeurd. De gezinsleden waren het gesprek voorbij, elk contact verliep moeizaam. Ondertussen raakte Morley almaar verder in het slop: alcohol, angst, depressie. Dit alles sloeg ook over op zijn eigen kinderen. Ze hebben er moeite mee ‘inheems bloed’ te hebben. Dat willen ze niet, het betekent een stapje terug op de maatschappelijke ladder. En dat terwijl Morley zelf, uit eigenbehoud, zichzelf steeds weer voorhoudt dat het een voorrecht is tot een van de oudste volkeren ter wereld te behoren.

Brian Morley is een van de tienduizenden kinderen die behoort tot de zogenoemde stolen generation, inheemse kinderen of kinderen uit gemengde huwelijken die tussen 1910 en 1970 van hun ouders werden afgenomen. Pas in de jaren tachtig kwam er aandacht voor deze kinderen en werd ook de uitdrukking ‘gestolen generatie’ gemunt. Vervolgens duurde het nog eens vijftien jaar tot er een nationaal onderzoek werd verricht. Dat verscheen in 1997 en had meteen gevolgen: drie regionale parlementen boden excuses aan terwijl de onder aboriginals al langer bestaande Day of Mourning werd omgezet in een Day of Sorry. Toch had de toenmalige Australische premier moeite met wat bekend staat als de ‘black armband view of history’, een geschiedbeeld waarin vooral de negatieve gevolgen van de kolonisatie beklemtoond worden. Vandaar zijn aanvankelijke weigering mee te doen. Een jaar later ging hij toch overstag en sprak zijn verdriet uit over het gebeurde. Vervolgens duurde het tot 2008 voor een volgende premier daadwerkelijk excuses aanbood.

Sindsdien is Sorry-Day een nationale zaak en maken excuses in Australië vast onderdeel uit van het politieke spel. Het bleek eind vorig jaar weer toen de huidige premier excuses maakte naar aanleiding van een uitvoerig rapport over (seksueel) kindermisbruik in publieke instellingen. Dat gebeurde in het parlement en onder de noemer van een National Apology. ‘Today we finally acknowledge and confront the lost streams of our children’, zei Scott Morrison met trillende stem terwijl hij, net als de andere aanwezigen, zijn hand verstrengelde met die van zijn buurman (buurvrouw in dit geval). ‘We must be so humble to fall before those who were forsaken and beg to them our apology (…) Why were the cries of children and parents ignored? Why was our system of justice blind to injustice? Why has it taken so long to act?’

Een mooi gebaar, ware het niet dat uit cijfers van het Australian Institute of Health and Welfare blijkt dat kinderen van aboriginals nog steeds vaker uit huis worden geplaatst dan witte kinderen – op dit moment zelfs vaker dan ooit. In cijfers: van de ongeveer vijftigduizend Australische kinderen die gedwongen elders wonen, zijn er ongeveer twintigduizend van inheemse komaf – en dat terwijl laatstgenoemde groep slechts zo’n drie procent van de bevolking uitmaakt. Sorry?

De Australische regering heeft een rationele verklaring voor dit verschil. Er is geen sprake van discriminatie, racisme of iets in die trant, zegt zij. Nee, het probleem ligt bij de inheemse bevolking zelf. Kindermisbruik komt daar veel vaker voor dan bij de rest van de bevolking. Zo ook geweld, drank- en drugsgebruik, misdaad. De regering kan daarom niet anders dan ingrijpen. Aldus doet de rechterhand wat de linkerhand verbiedt en is elk sorry niet meer dan een woord. Volgens de aboriginals althans.

slachtoffers van de atoombom op Hiroshima. Japan, augustus 1945; © Ullstein bild / Getty Images

De Verenigde Staten gaan te ver en niet ver genoeg

Barack Obama heeft meerdere keren geprobeerd excuses te maken. Voor de Vietnamoorlog, voor de atoombom op Hiroshima, voor de door de cia gesteunde staatsgrepen in Iran (1953) en Chili (1973), voor steun in verleden en heden aan een ontelbaar aantal corrupte en misdadige regimes (73 procent van de huidige dictaturen zou volgens een recent onderzoek van de onderzoekswebsite Truthout Amerikaanse steun ontvangen), voor problematische invasies als die van Irak in 2003 en voor eigen schendingen van mensenrechten (Guantanamo Bay, Abu Ghraib).

Geprobeerd, want daadwerkelijk sorry zeggen deed Obama eigenlijk nooit. Hij kon het ook niet doen omdat krachten in eigen land het niet toelieten. De reden hiervoor is dezelfde als altijd: de gevolgen van zo’n excuus worden als financieel desastreus gezien. En dus suggereerde Obama slechts dat de VS een grens hadden overschreden. Dat deed hij vele malen, zo vaak dat in de media nogal eens van een ‘apology tour’ werd gesproken. Volgens linkse critici ging Obama hierbij nooit ver genoeg, volgens zijn rechtse tegenstanders altijd te ver. Zo kopte de conservatieve denktank The Heritage Foundation al in juni 2009, anderhalf jaar na zijn aantreden: ‘Barack Obama’s Top 10 Apologies: How the President Has Humiliated a Superpower’.

Heel de problematiek laat zich samenvatten in het verslag van het bezoek dat Obama in mei 2016, in het achtste en laatste jaar van zijn presidentschap, aan Hiroshima bracht. Hij had van tevoren al nadrukkelijk aangekondigd geen excuses te zullen maken. Hij wilde ‘de herinnering eren van allen die tijdens de Tweede Wereldoorlog hun leven hadden verloren’. Hij wilde tonen dat ‘voormalige vijanden weer vrienden kunnen worden’. En hij stelde dat ‘we gezamenlijk de verantwoordelijkheid hebben om de geschiedenis recht in de ogen te kijken’. Vanwege dit laatste moesten ‘we’ volgens Obama ook iets doen. Het aantal kernwapens verminderen bijvoorbeeld. Zelf deed Obama op dat moment ook iets: hij legde een krans en omarmde een van de overlevenden. Toch had het in de ogen van iedereen iets halfslachtigs. Maar kon het anders?

Kan het anders? Ja, gewoon niets doen. Deksel op de doos houden. Machogedrag. Nooit fouten erkennen. Trots. Make America Great (again). Trump dus.

Excuses komen moeilijk over Franse lippen

De Fransen zijn niet scheutig met het aanbieden van excuses, zeker niet waar het hun optreden in Afrika betreft. Het enige land waarover wel eens iets in die richting gesuggereerd wordt, is Algerije. Zo ver is het nog lang niet met de vele andere Afrikaanse landen waarover Frankrijk destijds het gezag uitoefende. Via allerlei ingewikkelde constructies betalen de voormalige koloniën zelfs aan Frankrijk, niet andersom. Ze hebben het land er een halve eeuw geleden immers uitgeschopt. Dat kon zo maar niet. Daarvoor moest betaald worden. Nog altijd. Deze omgekeerde verhouding is des te vreemder omdat Frankrijk zich er sinds lang op beroemt het eerste land te zijn dat slavernij als een misdaad tegen de menselijkheid erkende en om die reden in 2006 ook een herinneringsdag instelde: 10 mei. Het is niet meer dan een fraaie geste voor de internationale bühne, zoals tal van historici, Afrikanen en hun nakomelingen niet nalaten te beklemtonen.

Algerije uitgezonderd dus. September vorig jaar nog bracht Emmanuel Macron een bezoek aan de weduwe van Maurice Audin, een man die tijdens de Algerijnse Onafhankelijkheidsstrijd door de Fransen gevangen werd genomen, gemarteld en vermoord. Sindsdien is er sprake van een voortslepende ‘Audin-affaire’. Macron wilde daar een eind aan maken door te erkennen dat de man de marteldood gestorven was ‘ten gevolge van het destijds heersende systeem onder Frans gezag’, aldus de tekst in een brief. Het is voorlopig de laatste daad in een politiek getouwtrek dat al meer dan vijftien jaar duurt.

In 2003 schudde president Jacques Chirac ten teken van verzoening twee Algerijnse vrijheidsstrijders de hand. In 2005 sprak de Franse minister van Buitenlandse Zaken zijn verdriet uit over het bloedbad dat de Fransen in 1945 op de markt van Sétif hadden aangericht – en de vele moorden die vervolgens elders in Algerije plaatsvonden. In 2012 erkende François Hollande dat het Franse regime in Algerije ‘onjuist en beestachtig’ had gehandeld. In december 2017 verklaarde Macron dat hij het moeilijk vond om zijn positie te bepalen tussen de traditionele ontkenning en een denkbaar excuus. Vervolgens ging hij in het geval van Audin over tot dat laatste. Maar echte, algemeen geldende politieke excuses? Dat niet.

Hoe moeilijk Fransen excuses over de lippen krijgen, blijkt ook uit de Rwanda-affaire. Hierbij waren in ieder geval vijf landen betrokken: België, Canada, China, Frankrijk en de VS. Van deze vijf boden er drie excuses of iets in die richting aan. Dat China daar niet bijhoort, verbaast niet echt, ook al niet omdat de rol van het land niet groot was (het leverde voor honderdduizenden dollar aan machetes). Maar opmerkelijk vooral is dat Frankrijk zich altijd afzijdig heeft gehouden, terwijl er geen twijfel over bestaat dat de betrokkenheid van het land groot en direct was. Pas sinds zeer kort lijkt er enige verandering in deze koppigheid te komen. Zo stelde Macron in april een commissie van historici en andere specialisten in met het doel tot een gewogen oordeel te komen. Dat gebeurde nadat de president geweigerd had naar Kigali af te reizen ter gelegenheid van de 25-jarige herdenking van de massaslachting. In plaats daarvan ontving hij een delegatie van overlevenden. Het was voor het eerst dat het Élysée zoiets deed.

de Azteekse leider Montezuma II en een van zijn opperhoofden worden in het water gegooid na te zijn vermoord door Spaanse veroveraars, 1520 © Ann Ronon / Getty Images

Excuses zijn een belediging voor de Spaanse koningen van weleer

De Mexicaanse president Andrés López Obrador sprak niet alleen over excuses, hij schreef er de Spaanse koning ook een brief over. Na het uitlekken hiervan volgde meteen een reactie van het Spaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Het verwierp ‘con todo firmeza’ – met grote stelligheid – de in deze brief gestelde eisen: dat Spanje verantwoordelijkheid neemt voor de verovering van Mexico, daarvoor excuses maakt en met een passende compensatie komt. Wat Spanje wel wilde, was nauwere vriendschapsbanden met Mexico aangaan om aldus tot een gezamenlijke visie op toekomstige uitdagingen te komen, ‘afrontar con una visión compartido los retos futuros’. Fascinerend, deze directe omkeer van zaken: een vraag over het verleden wordt vertaald in een opdracht voor de toekomst.

Verwonderlijk is deze draai niet, want net als andere (voormalige) grootmachten weet Spanje maar al te goed wat toegeven betekent. Dat bleek ook meteen nadat het nieuws over de brief van Obrador bekend was geworden: twee dagen later schreven vertegenwoordigers van de Sevillaanse Ishbilia-moskee eveneens een brief aan Filips VI. Daarin vroegen zij op hun beurt excuses, nu voor de Spaanse wreedheden begaan tijdens de verovering van het Moorse koninkrijk van Granada in de vijftiende eeuw en voor de verdrijving van bekeerde moslims in de zestiende en zeventiende eeuw. Voor zover bekend heeft koning noch regering gereageerd. De meest rechtse partij van Spanje, Vox, deed dat wel. De brief was volgens hen een belediging voor de Katholieke Koningen (toenmalige veroveraars en grondleggers van de Spaanse natie). ‘Het ontbreekt er nog slechts aan dat men eist dat onze vrouwen een boerka dragen. Wie zich in ons huis zo gedraagt, moet opdonderen!’

Van directer politiek belang voor de Spanjaarden is de vraag hoe de huidige regering zal omgaan met de slachtoffers van het franquisme. Een eerste stap op dat gebied werd begin dit jaar gezet, toen de huidige minister van Justitie in naam van de regering excuses aanbod aan degenen die het land wegens burgeroorlog en dictatuur hadden verlaten. De excuses golden ‘de vele jaren dat we gezwegen hebben en een andere kant op keken. Hiermee hebben we de slachtoffers van het franquisme in feite gecriminaliseerd en dus nogmaals tot slachtoffer gemaakt’. Er zit een opmerkelijk aspect aan deze voor Spanje tot nu toe ongekende nederigheid. Namelijk dat de socialistische regering uitspraken doet namens het franquisme – en dat terwijl de socialisten zich altijd gepresenteerd hebben als de tegenstanders bij uitstek van Franco. Degenen die volgens hen excuses moesten maken waren hun belangrijkste opponenten, de vertegenwoordigers van de partij die uit het franquisme voortgekomen is: de Partido Popular. Maar dat standpunt zijn de Spaanse socialisten dus blijkbaar voorbij.

Deze verandering tekent het verlangen om daadwerkelijk ernst te maken met de door hen begin deze eeuw ingestelde Wet op de Historische Herinnering. Binnenkort zal het stoffelijk overschot van Franco verwijderd worden uit de Vallei der Gevallenen. Hetzelfde gebeurt op dit moment met de laatste naambordjes die aan de dictatuur herinneren. Op de Spaanse begroting is dit jaar vijftien miljoen euro uitgetrokken voor de slachtoffers van het franquisme. Is dit eenmaal afgehandeld, dan volgt wellicht meer en komen na de nationale misschien ook de internationale slachtoffers aan de beurt. Want één ding staat wel vast, voor Spanje net zo goed als voor andere landen: de huidige pogingen zich met het verleden te verzoenen zijn nog slechts een beginnetje.