Griekenland wordt uitgehold door bezuinigingen

Het rood en het zwart

Schrijfster Franca Treur wilde in het centrum van de Europese crisis zijn en reisde naar Athene. In een souterrain zit ze in afwachting van een jaarlijkse, traditioneel gewelddadige parade. Griekenland wordt steeds racistischer.

Willem Brakman heeft een café een keer ‘een warme borst voor de vervolgde’ genoemd, en daar moet ik aan denken terwijl ik mijn jas uitdoe en me verheug op iets heets om te drinken. In Athene zijn de cafés een afdak tegen de zon, ik zoek er beschutting tegen de wind. De mensen aan de tafeltjes kijken vreemd op, vrouwen gaan hier niet in hun eentje uit. Maar deze keer heb ik er geen last van, ik heb al van een paar andere dingen last: snot (en waar ik dat laat), koorts, zere voeten, het zíjn in een nette buurt.

Ik kies een plek bij een mandje papieren servetten. Het is november, en er heerst iets. ’s Morgens kun je met korte mouwen de deur uit, halverwege de middag zakt de temperatuur soms met een graad of tien.

Omdat de metro’s om veiligheidsredenen niet rijden, heb ik alles lopend gedaan. Eerst naar de Technische Universiteit, waar vanmorgen met kransen en rode anjers de gevallenen werden geëerd van het studentenprotest in 1973. Het was een revolutie die met tanks de kop in werd gedrukt. Maar het wordt door de Grieken gezien als het begin van het einde van de dictatuur.

Na de ceremonie bij de universiteit is er altijd een parade vanuit het centrum naar de ­Amerikaanse ambassade (omdat de Verenigde Staten ervan werden verdacht het kolonelsregime te steunen). Dat had ik op een website gelezen. Dus begon ik aan de lange tocht van de Technische Universiteit naar het centrum, en van het centrum langs banken en ministeries en allerlei andere ambassades naar de Amerikaanse.

Het is een kolos van een gebouw, voorzover ik het kon zien, want vijftien lange donkerblauwe ME-bussen schermden het af van de straat, strak tegen elkaar aan geparkeerd. Verder zag ik lange rijen militairen en agenten, leunend op hun schild. Maar geen demonstranten.

Ik ben altijd de eerste bij een demonstratie. Ik lees op de site ‘strikes and protests’ dat ze om twaalf uur beginnen en ik ben er om twaalf uur. Staat er vijf uur, dan ben ik er om vijf. Over het tijdstip bij de ambassade stond niks vermeld en volgens een agent ben ik nu een paar uur te vroeg. Ik ben deze chique wijk in gelopen, heb langs de dure winkels geslenterd en wil het liefst in bed gaan liggen.

Iemand vertelde me eens dat ze na een lange dag lopen bij de receptie van haar hotel om een teiltje had gevraagd. Ze installeerde zich in een leunstoel op haar kamer, voeten in de teil, water, badzout, kussentje in de rug, en viel in slaap. De volgende ochtend werd ze wakker met de vellen aan haar voeten. De les: heb nooit te veel medelijden met jezelf.

Mijn thee wordt gebracht. Drie euro voor een middelgroot kopje water met een gewoon zakje Twinings, vind ik duur. Maar het is niet duur als je bedenkt wat ik daar allemaal voor krijg: een toplocatie (vlak bij de ambassade), uitzicht op de deur, een hoog panoramaraam dat uitkijkt op straatniveau, omdat het café half onder de grond zit. Er komt zelfs melkachtig zonlicht binnen, wat het mooiste is van alle soorten licht, zij het niet veel en niet aan mijn kant. Op de achtergrond iets prettigs met violen.

Ik merk dat ik gespitst ben op het geluid van buiten. Hoe ver draagt het gedreun van tien­duizenden marcherende en scanderende mensen? En hoe is dat als je onder de grond zit?

Een vrouwelijke agent komt ons café binnen. Ze wil even naar de wc en dat mag. We moeten allemaal uren doden.

Die ambassade komen ze echt nooit in. Eerst moet je voorbij de dubbele rij ME’ers, dan voorbij de bussen, de ME’ers achter de bussen. Dan is er nog een hek, waarachter een ander hek, waarachter een muur, enzovoort. Het is een van de zwaarst bewaakte ambassades, omdat er altijd gedoe is. De ultra-linkse 17 november-beweging heeft er zelfs wel eens raketten op afgevuurd. De laatste was in 2007. Er was op de Eagle gemikt, het embleem van de Amerikanen, maar de raket ging door een raam er net boven, en landde in de wc van de ambassadeur.

Tijdens mijn voettocht gingen rolluiken van winkels voor mijn neus naar beneden. Conciërges van banken, hotels en overheids­gebouwen plaatsten houten of stalen beschermplaten voor puien en ramen. Ik weet niet wat ik ervan moet denken. Tot nu toe waren de demonstraties die ik bijwoonde tamelijk vredig geweest, op eentje na, op de avond dat er gestemd werd over het laatste bezuinigingspakket. Die avond heeft de ME het plein voor het parlement met waterkanonnen leeggeveegd, nadat er met vuurwerkbommen en molotovcocktails naar ze was gegooid. Hoewel ik rustig ergens aan de zijkant stond te schuilen voor de regen kwam ik opeens in de achterste rijen terecht, die waar de ME’ers op mepten. Ik zag demonstranten over het wegdek slieren, maakte kennis met traangas: snot, tranen, met de schrik vrij.

Het verkeer in Kolonaki. Een dame in een vleermuisjas, grote zonnebril (Gucci, Armani, Prada?) met de resultaten van een shopping experience. Net Femke Halsema toen ze nog lang haar had en als ze kwaad kijkt. Een meisje op nieuwe Uggs, muziekje in de oren. Twaalf politieagenten op zes brommers. Dertiger in maatpak met bruine laptopkoffer en ’n frappucino. Twee mannen – spencers, zonnebrillen – omhelzen elkaar als lang verloren vrienden.

Ik voel me ongemakkelijk in deze wijk, met de betere winkels en de dure restaurants, waar de bankiers en de politici hun vaste tafeltjes hebben. Waar ongetwijfeld een aantal mensen woont van de Lagardelijst van welgestelde belastingontduikers. Door hier een thee te bestellen, waar zelfs het meubilair kijkt alsof er niks aan de hand is, help ik mee deze crisis-immune enclave in stand te houden.

De agente zit al een kwartier op de wc. Oefent ze voor de spiegel een paar kordate gebaren, repeteert ze de instructies? Whatsappt ze met haar minnaar? ME’ers moeten altijd wachten. Hoe kweken ze spieren?

Bij het leggen van de bloemen vanmorgen verstoorde een groep neonazi’s de ceremonie. Van tevoren hadden ze al gezegd dat ze dat gingen doen en ze hielden woord. De ceremonie is hun te links. Volgens de annalen heeft de studentenrevolutie 24 doden gekost. De Gouden Dageraad zei gisteren dit getal te betwijfelen en vroeg om namen van de slachtoffers. Die worden nu door links getwitterd.

Omdat ik vroeg was vanmorgen heb ik iedereen het hek zien binnenkomen. Ook jongens met zwarte jassen, zwarte baarden, zwarte ogen. Mooie gespierde jongens om te zien, en ik had eigenlijk niet aan neonazi’s gedacht (dacht dat die kaal waren). Tot een nette heer op leeftijd een krans legde en die jongens opeens met spreekkoren begonnen.

Een Griek legde me uit: if you see black, it’s bad. Maar ook de antifas dragen zwart, de leden van de anarchistische motorclub dragen zwart, en driekwart van de communisten draagt zwart. Het kleurt ook zo mooi met het rood dat zowel door alle soorten links als door extreem-rechts wordt gebruikt op spandoeken, vlaggen en muren.

En dan de gesloten rijen tijdens de protestmarsen. De communisten hebben consequent de armen in elkaar gehaakt, maar ook alle smaken democraten, socialisten en anti-groeperingen lopen hier in nette brede rijen, met de vlaggen hoog. Onwillekeurig denk je aan het lied van de SA: Die Fahne hoch, die Reihen fest geschlossen. Maar die dingen had de SA destijds afgekeken van de sociaal-democraten, zodat je kortom kunt stellen dat symbolen van viriliteit en solidariteit door willekeurig welke politieke ideologie worden ingezet om de mensen er enthousiast voor te krijgen. De Gouden Dageraad werft leden onder de werklozen, die kunnen kiezen tussen thuis uit hun neus eten en zich miserabel voelen, of tot een winning team behoren, een belangwekkende taak krijgen als bodyguard, voedsel verstrekken aan vrouwen die op hun moeder lijken, marcheren en molesteren voor de goede zaak, onder het eendrachtig zingen van het Griekse volkslied of iets van een white power-band, met het aanlokkelijke einddoel van een blanke natie, zodat het ook weer veilig wordt op straat.

Ik moet bekennen dat ik een zwak heb voor een paar van die symbolen: het rood, het zwart, het zingen, het marcheren, de vlaggen, de spieren. Ik hield ook van uptempo zingen in een bomvolle kerk, wat in mijn gemeente helaas nooit gebeurde. Ik hield van de duidelijkheid over wat goed was en wat fout. Wat ik maar wil zeggen, als die dingen je aantrekken, is het echt te hopen dat je bij de goede groep terechtkomt, en hoe vaak gaat zo’n keuze, zeker op jonge leeftijd, niet toevallig?

Overigens, toevallig of niet, je blijft uiteraard volledig verantwoordelijk, en de Gouden Dageraad is een groepering die migranten uit hun huizen sleurt en molesteert (ook vrouwen en kinderen), ervoor zorgt dat ze hun banen (voorzover ze die hebben) afstaan aan echte Grieken, en voorkomt dat ze Griekse ziekenhuisbedden bezet houden. Verder organiseren ze bloedige klopjachten onder het toeziend oog van de politie, die blij is met een bondgenoot tegen extreem-links en die niet de daders, maar de donker getinte slachtoffers arresteert.

Ook de regering wordt openlijk racistisch. Van Samaras zijn uitspraken van voor de verkiezingen berucht over migranten die zijn land ‘veroveren’. De soepkeuken aan de Sofokleousstraat deelt om twaalf uur soep uit aan arme Grieken, betaald door de staat. Migranten kunnen om drie uur terecht en krijgen soep van de kerk. Racistische taal, en massale arrestaties van migranten zonder papieren, operatie Xenion Zeus genoemd, is openlijk meehuilen met de fascisten.

Wat ik niet begrijp is dat de algemene rancune niet gericht is tegen de multi zulti ziljardairs. Alles in Athene zit onder de graffiti, maar niet in deze wijk. De Bentleys en de Maybachs worden niet bekrast, de extreem luxe jachten liggen onbeveiligd in de havens. Niemand gaat met een pistool naar de nummers 1 tot en met 10 van de Lagardelijst. Rijken worden gezien als mensen die handig gebruik hebben weten te maken van het systeem. De malakes hebben hier een donkere huid.

Eindelijk komt de agente van de wc af. Met neergeslagen ogen loopt ze naar de uitgang, haar wangen brandweerrood. Heeft ze soms gehuild, of zie ik iets wat er niet is? Het is een vraag die ik me vaker stel. Wat zie ik en wat wil ik zien? Voor welk verhaal kom ik? Toen ik mijn reis naar Athene boekte, deed ik dat om een tijdje in het hart van de Europese crisis te zijn. Hoe ziet dat eruit? En ook: wat staat ons wellicht in Nederland te wachten?

Ik huur een kamer op de rand van de toeristenwijk. Alles is er aangeveegd en nice. Het is off-season, de zaken zijn wel eens beter geweest, maar niemand praat er over de crisis. Vraag je iemand naar de demonstraties bij het parlement, dan begrijpen ze je vraag niet. In de toeristenwijk is het zero-tolerance voor de migranten met hun supermarktkarretjes oud-ijzer. Er liggen geen mensen op stukken karton. Iedereen ruikt nog fris omdat hij zich kan douchen. De stroom valt er niet uit als de elektriciteitsbedrijven staken. Het vuil wordt er nog gewoon opgehaald. Maar dat is niet het verhaal waar ik voor kom.

Eén metrohalte verderop is het plein waar de demonstraties zijn, en mijn kennismaking met de crisis gebeurde daar. Bijna honderdduizend verontwaardigde mensen riepen als een gezamenlijk ‘onze vader’ dat ze het niet meer wilden, nóg meer bezuinigingen. Je weet niet wat je hoort: zoveel kelen tegelijk die het kapitalisme dood verklaren. De energie en het vuur dat daar vanaf straalde, maakte me op slag jaloers. Ik wilde erop inpluggen, mezelf eraan opladen. De Grieken laten weten dat hun strijd een rechtvaardige is, en ook de mijne. Dus kwam ik elke demonstratie weer, met een nogal romantisch beeld van solidariteit. Een nerd van een Griek die onderzoek doet naar oude advertenties van technische apparaten zei dat de crisis de mensen dichter bij elkaar brengt. ‘Ik heb nog nooit zoveel seks gehad als nu.’

En ik had nog nooit zoveel saamhorigheid en actiebereidheid op één plein gezien. Het lukte me niet die hoeveelheid mensen en vlaggen voor te stellen op de straten van Den Haag. Nu kent Griekenland een lange traditie van demonstreren, met in dit soort toptijden wel een paar manifestaties per week, de kleintjes niet eens meegerekend. Daardoor ziet het er ook zo goed ge-olied en esthetisch verantwoord uit. Vandaar ook wellicht dat het op de regering al minder indruk maakt dan op mij.

Ik ben op dit moment gegrepen door de prachtige roman Stoner van John Williams. Over een boerenzoon die, tegen de verwachting en de wens van zijn ouders in, docent Engels wordt aan een universiteit. Als hem in 1917 wordt gevraagd om net als zijn collega’s in Europa tegen de Duitsers te gaan vechten, valt de keuze om wel of niet naar het front te gaan hem buitengewoon zwaar. Hij sluit zich een paar dagen op in zijn kamer, worstelend met zijn beslissing. Hij vindt het ‘moeilijk en enigszins smakeloos om zijn eigen motieven te bevragen’.

Smakeloos? dacht ik toen ik dat las. Hoezo smakeloos? Maar inmiddels weet ik, zoiets ís een smakeloze bezigheid.

Want waarom moet ik daar per se bij zijn, bij een parade waar zevenduizend ME’ers de orde moeten bewaken? Is dat niet gewoon de sensatiezoeker in mij? Is iemand die zonder mandaat van enig medium vanachter zijn bureau komt om op onderzoek te gaan sowieso niet gewoon een ramptoerist? Zo voel ik me als ik me nogal wat moeite getroost om uit te zoeken hoe dat met die soepkeuken zit. Of het echt waar is dat de migranten van de staat geen eten krijgen, en de ‘echte’ Grieken wel. Als iedereen die ik erover spreek, van pr-dames (die het ontkennen), tot medewerkers en woordvoerders van de kerk (die het me gewoon vertellen) aan me vraagt: waarom wil je dat eigenlijk weten?

Iemand zei dat de parade van vanavond de best bekeken parade ooit zal worden. Als er zo meteen iets mis gaat, kan dat het startsein zijn van een Europese revolutie, vergelijkbaar met de Arabische lente. En inderdaad zag ik in de buurt van de ambassade de camera’s al opgesteld op de balkons.

Ik merk dat mijn motivatie is veranderd. Dat ik er vanavond bij wil zijn, omdat ik hier nu toch al ben. Ik merk dat ik me er niet meer aan kan laven. Zoals ik bij de herdenking zag vanmorgen staat deze 17de november volledig in het teken van het verleden. Het zijn nationale helden van vroeger die worden vereerd, in wier traditie men zichzelf ook graag ziet staan. Dat kun je zien aan de filmpjes van de huidige demonstraties die op YouTube staan. Daar worden larmoyante citaten aan toegevoegd, zoals die van de populaire linkse dode dichter Giannis Ritsos, uiteraard een Griek: When dead people can lean on their side to sleep without grievance, knowing their blood was not wasted… that’s peace…

En, vrij naar Walter Benjamin: een geslaagde revolutie maakt alle eraan voorafgaande mislukte pogingen goed.

Misschien is die blik op het nationale verleden ook wel heel Grieks met de Akropolis zo zichtbaar in het hart van de stad. Die blik maakt in elk geval van Amerika de vijand van vanavond, terwijl Obama er juist bij Merkel op aandringt de Grieken te helpen. Die ouderwetse parades (als je de communisten ziet marcheren met hun knuppels en hun rode vlaggen denk je vanzelf aan de film Novecento) lijken me opeens een kansloos en anachronistisch antwoord op een modern probleem. Daarbij komt dat de verschillende groepen demonstranten (al weer om zaken uit het verleden) hopeloos verdeeld zijn. Drie van de vijf keer stonden de communisten een straat verderop omdat ze met de anderen niks te maken wilden hebben.

Je zou willen dat er meer eensgezindheid was in het vinden van een uitweg uit de crisis. Dat mensen vooruitkijken en plannen maken. Maar cynisch genoeg doen alleen de neonazi’s dat. De meeste Grieken kijken naar Merkel, alsof ze aan het stuur staat van een rijdende trein, die het al dan niet belieft hen mee te laten liften.

Mensen die nog plannen hebben, emigreren, mensen zonder plegen zelfmoord. Ik heb tot nu toe nog geen enkele zwangere vrouw gezien. Het aantal mensen dat ik openlijk heroïne heb zien spuiten op de stoep is al lang ontelbaar.

Optimisme is ook wel heel veel gevraagd van iemand die vorig jaar nog een maandsalaris van 3500 euro had. Die zijn baan en daarna zijn huis is kwijtgeraakt en nu op straat moet slapen. Die nu van de soepkeuken leeft die ooit voor vluchtelingen was opgericht.

Een extra reden dat migranten op een ander uur te eten krijgen dan de Grieken is omdat de migranten anders niet durven komen. Zij ­krijgen de schuld van ieders ellende. De ­agressie tegen hen is enorm. Ik heb migranten met hoofdwonden gezien en met vuile lappen om hun hoofd. Allemaal hebben ze een schichtige blik. Een vrouw in een toeristenwinkel zei iets tegen een collega dat in mijn oren anders klonk dan Grieks. Ik vroeg haar of ze Griekse was. Ze schrok, dacht een seconde na, boog toen naar voren en fluisterde: ‘I’m Albanian.’ En ik voelde me alsof ik van de arische politie was.

Denken dat het puur liefdadigheid is van de kerk om vluchtelingen te helpen, bleek overigens ook naïef. ‘We zijn bang’, zo zei een woordvoerder, ‘dat ze anders eten stelen.’

Het doet me denken aan de redenen waarom Nederland de Grieken steunt: als we het niet doen hebben wij straks grotere problemen. Terwijl we in Nederland nog steeds praten over ‘een financiële crisis’ hebben veel Grieken het gevoel dat hun land intussen is uitgehold door bezuinigingen en leeggeplukt door een paar handige, begerige multimiljardairs. Zij voelen zich daardoor diep vernederd. In plaats van het begin van de beschaving zijn ze een chaotisch en verscheurd Balkanland. Bevolkt door fascisten, anarchisten en andere radicalen, ouderen die hun huizen niet meer uit durven, plus meer dan een miljoen migranten.

Wellicht hebben de demonstranten van vanavond dat meer dan ooit in de gaten, staan ze daarom zo uitvoerig stil bij de afschaffing van de dictatuur en het begin van de democratie in hun land.

En ik denk aan Nederland dat zo opgelucht ademhaalde toen de pvv verloor bij de laatste verkiezingen. Het populisme is dood, dachten we. Ik ben er niet gerust op.

Maar wat kun je doen? Stoner in het boek gaat niet naar het front. Zijn leermeester zegt: ‘Een oorlog doodt niet alleen een paar duizend mannen, of een paar honderdduizend mannen. Hij doodt iets in een volk dat nooit meer tot leven kan worden gewekt. En als een volk genoeg oorlogen meemaakt, zal binnen de kortste keren alleen het beest nog over zijn, het wezen dat wij [hij refereert hier aan Stoners boerenverleden] vanuit het slijk hebben opgevoed.’

En ik vraag me af waar onze beschaving meer nood aan heeft. Aan demonstranten, of aan mensen zoals Stoner. En wat is dan hetgene waar ik mijn leven aan wijd dat niet gedood mag worden?

In metrostation Akropoli draait een promofilmpje. Toeristen mogen in twee, drie zinnen iets lovends zeggen over de Akropolis en de musea. Niet zomaar een paar, een hele stoet. Here western civilisation began, zegt de ene na de andere hoogblonde muts. I can’t tell how important it was for me to be here. Het is een magere conclusie, maar ik zou zo kunnen aanschuiven in die stoet.

Ik kijk op mijn horloge, betaal mijn thee en steek nog een servet in mijn jaszak. Niet dat er bij het raam iets is wat op opwinding wijst, maar die paar uur zijn inmiddels toch echt voorbij.

Voor dit project is geen subsidie aangevraagd en ook niet gekregen