Het rotzakje in de mens

Kees Schuyt, Het spoor terug. J.B. Charles/W.H. Nagel (1910-1983)

In de biografie van J.B. Charles moeten vooral zijn denkbeelden over het fascisme het ontgelden. Charles (Willem Nagel) zag het fascisme niet als een historisch verschijnsel maar als een mentaliteit.

Vermoedelijk kent iedereen ze: boeken die ooit een verpletterende indruk maakten, je dagenlang bezighielden en nog lang daarna een belangrijk referentiekader vormden, maar die je nooit meer hebt durven herlezen, uit angst dat ze zouden tegenvallen. Voor mij is Volg het spoor terug van J.B. Charles, verzetsnaam en literair pseudoniem van de criminoloog Willem Nagel, zo'n boek. Het in 1953 verschenen en meermalen bekroonde boek las ik in de tiende druk, uit 1976, die binnen enkele jaren werd verramsjt. Volg het spoor terug maakte vooral zo'n indruk omdat het ging over de individuele keuze tussen goed en kwaad, over iemand die in gevaarlijke tijden niet meeliep met de massa maar resoluut verklaarde: ‘Ik verdom het.’ Het was een boek over persoonlijke moed, dat tevens lastige vragen stelde. De oud-verzetsstrijder deinsde er immers niet voor terug kritisch naar zijn eigen optreden te kijken en zich af te vragen of hij door noodzakelijke leugens te vertellen zelf leugenachtig was geworden, of hij de kwade eigenschappen van de vijand niet ten dele had overgenomen, of er geen overeenkomst was tussen de persoonlijkheidsstructuur van een verzetsstrijder en een SS'er. Ook de authentieke woede over karakterloze meelopers en foute types die na de oorlog carrière maakten waren imponerend.
Had Volg het spoor terug bij verschijnen ook veel kritiek losgemaakt - in 1953 waren er velen die vonden dat de oorlog verleden tijd was en niet langer opgerakeld diende te worden -, vanaf de jaren zestig was het boek populair bij jongeren die zich begonnen af te vragen of de generatie van hun ouders zich wel zo heldhaftig had gedragen als men elkaar op verjaardagen trachtte wijs te maken. Inmiddels wilde men de Tweede Wereldoorlog niet langer vergeten, maar was deze het ultieme morele ijkpunt geworden. Het fascisme werd gezien als de belichaming van het kwaad en 'fascist’ werd het ultieme scheldwoord, dat verdere discussie overbodig maakte. Vooral met het vervolg op zijn boek uit 1953 - het in 1962 verschenen Van het kleine koude front - had Charles bijgedragen aan deze beeldvorming. Het fascisme was volgens hem een min of meer tijdloos gegeven, een welhaast universele trek van de mens die de gehele geschiedenis door zichtbaar was. Deze werd gekenmerkt door de neiging op gewelddadige wijze macht uit te oefenen om zodoende een betere materiële positie te verwerven dan anderen, en die anderen te beschouwen als inferieur. 'Er leeft namelijk een verkeerd ventje in de mens, een oude Adam, een rotzakje. Dat is de fascist avant la lettre.’ Door het ontstaan van de rechtsstaat kon die kleine rotzak over het algemeen er wel onder worden gehouden, maar in nagenoeg ieder mens bleef de ellendeling voortleven, zodat hij zijn slag kon slaan zodra de rechtsstaat werd afgebroken en het recht van de sterkste weer prevaleerde.
Deze inktzwarte visie, die verwant was aan de erfzonde waar de gereformeerd opgevoede Nagel ooit in had geloofd, maakte toen diepe indruk, en eerlijk gezegd lijkt zij mij nog altijd heel wat realistischer dan de overtuiging dat de mens van nature nobel en goedwillend is. Toch begon ik al spoedig vraagtekens te zetten bij sommige opvattingen van Charles/Nagel. In een Vrij Nederland-interview met Martin van Amerongen verklaarde hij bijvoorbeeld: 'Ik heb bewondering voor zo'n Baader-Meinhofgroep. Ik vind het verbluffend. Ik vind het fijn dat het bestaat.’ Ook zijn idee dat het communisme weliswaar ontspoord was, maar dat het in wezen een nobele en menslievende beweging was, leek mij hogelijk naïef. En tot slot was er nog dat NRC Handelsblad-artikel dat een jaar voor zijn dood verscheen en waarin hij de in een 'woestijngod’ gelovende Israëlische joden van racisme beschuldigde en hij op z'n minst de verdenking op zich laadde dat een zeker antisemitisme hem niet vreemd was.
Tegelijkertijd waren er echter 'verzachtende omstandigheden’ aan te voeren. Zijn onbekookte lofzang op de Rote Armee Fraktion kwam voort uit de woede over de gebrekkige denazificatie in West-Duitsland, waar oud-nazi’s belangrijke functies bekleedden in de politiek, het bedrijfsleven, de ambtenarij en de rechterlijke macht, terwijl hij tevens bang was voor een hernieuwd militarisme. Zijn wat al te rozige kijk op het communisme moet worden gezien in de context van de Koude Oorlog, waarin het voor een intellectueel moeilijk was om een genuanceerd standpunt in te nemen en men bij elke voorzichtige kritiek op 'het Westen’ werd uitgekreten voor een handlanger van de Sovjet-Unie. En wat betreft het vermeend antisemitische artikel uit 1982 laat Kees Schuyt, in zijn lijvige 'dubbelbiografie’ van de criminoloog Nagel en de dichter/polemist Charles, zien dat dit verwijt niet terecht was, maar dat de auteur het er eigenlijk wel naar gemaakt had. Door uitvoerig de merkwaardige ontstaansgeschiedenis van het artikel te schetsen en tevens te laten zien dat Nagel in het stuk minimaal tien bijzonder omstreden begrippen gebruikte zonder deze duidelijk te definiëren, maakt Schuyt duidelijk dat Nagel als auteur op z'n retour was en zich hoogst ongelukkig uitdrukte.
Schuyt is enkele jaren assistent geweest van Nagel en is in 1972 bij hem gepromoveerd. Uit zijn grondige, indrukwekkende maar af en toe wat wijdlopige biografie wordt duidelijk dat Schuyt grote waardering heeft voor zijn gecompliceerde, hartstochtelijke en eigengereide hoofdpersoon, maar dat zijn bewondering allesbehalve ongeclausuleerd is. Vooral Nagels denkbeelden over het fascisme moeten het ontgelden, waarbij Schuyt overtuigend aantoont dat zijn losjes op de 'F-schaal’ van Adorno gebaseerde opvattingen volstrekt onwetenschappelijk waren en de discussie niet verhelderden maar in hoge mate vertroebelden. Door een, vaak wisselende, lijst met eigenschappen te formuleren, waarbij een individu naarmate hij aan meer criteria voldeed steeds 'fascistischer’ werd, maakte hij van het fascisme iets wat vooral een kwestie van individuele smaak was. Aan de maatschappelijke ontwikkelingen die leidden tot het ontstaan van fascistische bewegingen besteedde Nagel geen enkele aandacht, zodat hij het fascisme niet zag als een historisch verschijnsel, maar als een condition humaine.
Hoewel deze kritiek van Schuyt terecht is, wekt hij af en toe de indruk dat hij van mening is dat elke vergelijking van hedendaagse politieke ontwikkelingen met het fascisme van de jaren twintig en dertig uit den boze is. Het lijkt alsof hij over het hoofd ziet dat het Nagel vooral ging om een bepaalde mentaliteit, die gekenmerkt werd door rancune, conformisme, een antidemocratische instelling, superioriteitsgevoelens en de neiging bepaalde bevolkingsgroepen weg te zetten als achterlijk of inferieur - een mentaliteit die door politici werd gebruikt om de rechtsstaat omver te werpen. Het was deze mentaliteit die tussen pakweg 1920 en 1945 mensen voor het fascisme deed kiezen. Hoewel het historische fascisme na 1945 verdwenen is, lijkt het me tamelijk illusoir te geloven dat die mentaliteit ook voorgoed is uitgestorven. Want hoewel het hedendaagse rechts-populisme zich voordoet als een buitengewoon democratische beweging, voldoet zij niet aan de definitie die Schuyt in zijn vorig jaar verschenen boek Over het recht om wij te zeggen hiervan gaf: 'Democratie gaat uit van de mogelijkheid dat een ander gelijk zou kunnen hebben.’ Of om het in de termen van J.B. Charles/Willem Nagel te stellen: er wordt in die kringen wel heel sterk geappelleerd aan de oude Adam, het verkeerde ventje, het rotzakje in de mens. Wetenschappelijk kun je wellicht niet zo veel met deze begrippen, maar als je de demagogie van Wilders hoort en op internet de van haat druipende tirades leest, ontkom je er bijna niet aan bepaalde historische vergelijkingen te maken.

KEES SCHUYT
HET SPOOR TERUG
J.B. CHARLES/ W.H. NAGEL, 1910-1983
Balans, 640 blz., € 24,95