Het rsv-debat is van alle tijden

Is er verschil tussen de steunverlening aan Fokker en die aan de RSV? Volgens de Algemene Rekenkamer niet. In beide bedrijven werden enorme bedragen gestopt zonder duidelijk plan, zonder dat duidelijk was wat de werkgelegenheidseffecten waren en zonder adequate informatie aan de Kamer. Conclusies die overigens niet alleen gelden voor de steunverlening aan Fokker, maar ook voor die aan Daf en Nedcar. Keiharde kritiek dus. Minister Wijers, juist in de afrondende onderhandelingen met Samsung over de overname van Fokker, schold op een speciaal belegde persconferentie ‘s lands opperrekenmeesters uit voor rotte vis: studeerkamergeleerden, boekhouders die nog nooit een bedrijf van binnen hadden gezien, en die nog nooit zelf tot de knieën in de modder hadden gestaan.

Het gelijk van de Rekenkamer is duidelijk. In de RSV-enquête werd niet alleen afgerekend met de steunverlening aan die ene werf of aan de scheepsbouw als bedrijfstak, maar in feite met elke vorm van steunverlening aan individuele bedrijven. En inderdaad was het met die steunverlening gigantisch uit de hand gelopen. Toen halverwege de jaren zeventig hele sectoren van de vaderlandse industrie - scheepsbouw, machinebouw - in moeilijkheden kwamen, ontstond geweldige druk op de overheid om via verliesfinanciering te redden wat er te redden viel. Directies, vakbondsbestuurders, kamerleden - elk bedrijf dat in de gevarenzone kwam, wist zich verzekerd van een stevige lobby. Het gevolg was dat de criteria voor bedrijvensteun in rap tempo werden opgerekt. De Bijzondere Financieringsregeling, bestemd voor gezonde bedrijven, kreeg gezelschap van de Oneigenlijk Bijzondere Financieringsregeling, die (de naam zegt het al) bestemd was voor bedrijven in ernstige moeilijkheden. Toen ook dat onvoldoende bleek, riep het ministerie van Sociale Zaken een eigen subsidieregeling in het leven, het fonds Werkgelegenheidsgelden. Het centrale criterium om voor steun in aanmerking te komen, was dat het bedrijfseconomisch perspectief van de betreffende onderneming moest kunnen worden aangetoond. Nu is dat - zie ook de huidige discussies rond Fokker - een kwestie van smaak. En ook als men met de beste wil van de wereld geen perspectief meer kon bedenken, was er nog altijd de politieke druk die het vaak onmogelijk maakte tot sluiting over te gaan. Economische Zaken had een eigen onderzoeksafdeling, waarvan de onderzoekers menigmaal hun conclusie dat een bedrijf niet langer levensvatbaar was, niet gehonoreerd zagen, omdat de minister het politiek niet haalbaar achtte steun te weigeren.
De RSV-enquête velde een genadeloos oordeel over deze praktijk. De nieuwe Regeling Herstelfinanciering zou ervoor zorgen dat zulks definitief tot het verleden behoorde. Steun zou voortaan aan duidelijke criteria moeten voldoen, maar vooral: de beslissing over steunverlening zou niet meer aan de politiek moeten worden overgelaten. In plaats daarvan moest er een adviescollege komen, bestaande uit kundige buitenstaanders, die elke steunaanvraag zou beoordelen. De minister zou alleen van een positief advies mogen afwijken. Een negatief advies zou bindend zijn voor minister en Tweede Kamer. De nieuwe regeling moest in feite, zo gaf iedereen toe, een eind maken aan het fenomeen van de individuele bedrijfssteun. Dat kon ook omdat halverwege de jaren tachtig de economie weer lekker aantrok en er eenvoudig geen steunaanvragen meer binnenkwamen. En het is makkelijk een eind te maken aan iets wat niet gebeurt. In plaats daarvan, zo luidde de nieuwe consensus, moest er een generiek steunbeleid worden gevoerd dat erop gericht moest zijn de voorwaarden voor het bedrijfsleven in het algemeen te bevorderen. De beslissing welke activiteiten wel en niet levensvatbaar waren, in welke activiteiten een overheid wel en niet moest investeren, was immers toch niet te beantwoorden. Dat was bij uitstek het werk van de markt. De overheid moest daar afblijven.
Dat zou een slechte conclusie blijken. In de eerste plaats omdat de banden tussen overheid en bedrijfsleven innig waren en bleven. De grootste mep van de zogeheten generieke steun op het punt van bijvoorbeeld technologie gaat immers naar een select gezelschap van grote ondernemingen. Terwijl men dus in de praktijk bezig blijft met individuele ondernemingen, bestaan die in het taalgebruik van het beleid niet meer. Termen als ‘sectorbeleid’ en 'selectieve groei’, sleutelwoorden van de industriepolitiek uit de tijd van het kabinet-Den Uyl, verdwenen daarmee uit het politieke taalgebruik.
Een tweede probleem van dit rigoureuze afscheid was dat de successen van het steunbeleid - bijvoorbeeld de succesvolle ontmanteling van het bouwconcern Ogem, maar ook in de neergang van de RSV konden vele dochterbedrijven de dans ontspringen - op die manier niet tot uitgangspunt voor nieuw beleid konden worden gemaakt. Op die manier was men dus veel slechter voorbereid op een nieuwe crisisperiode met de bijbehorende problemen van individuele bedrijven dan de nieuwe regels deden vermoeden.
En dat is precies wat er gebeurde. In de gevallen die de Rekenkamer heeft onderzocht - de steun aan Daf, de overname van NedCar door Volvo en Mitsubishi en de drie achtereenvolgende steunoperaties voor Fokker van de laatste jaren, heeft zij de meetlat gebruikt die na de RSV-enquête is gemaakt. En natuurlijk voldoen de operaties niet aan die normen. Het college van deskundigen dat steunaanvragen moest beoordelen, was al eerder een stille dood gestorven. De andere criteria zijn niet of nauwelijks in het geding geweest. Daarmee velt de Rekenkamer een oordeel over de laatste steunoperaties. Maar impliciet ook over de wijze waarop de erfenis van de jaren zeventig is verwerkt.
Op dat laatste punt begint het gelijk van Wijers. Geen mens immers die zal beweren dat de steun aan Daf achterwege had moeten blijven. Maar daar eindigt zijn gelijk ook. Want wie zou willen beweren dat wat gold voor Daf, ook geldt voor Fokker? De conclusie kan geen andere zijn: het RSV-debat is een debat geweest dat halverwege is afgebroken. De politiek kan zich niet redden met een beroep op de markt of op colleges van externe deskundigen. Daarom moet ze het debat telkens opnieuw aangaan. Dat is de overeenkomst tussen RSV en Fokker.