Sovjet-Unie, Rusland. Winter in Moskou 1960 © Marc Riboud / Fonds Marc Riboud / ANP

Voor een keer delen wij de nauwelijks verholen wens van het Pentagon, het Witte Huis en het hele westerse establishment: kon een aardige groep bojaren zich nu maar verenigen in een complot-oude-stijl om Poetin ten val te brengen en een einde te maken aan een oorlog waarvan de doelstellingen moeilijk te begrijpen blijven. Met bojaren bedoel ik de hogere echelons van de strijdkrachten of miljardairs-oligarchen en hun contacten in de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; een hele klasse van potentaten die zich steeds ongemakkelijker lijkt te voelen bij het avonturisme van hun leider. Maar zelfs als Poetin zou vallen en zijn avontuur in Oekraïne een halt zou worden toegeroepen, zou er nog een enorm dilemma blijven bestaan: het Ruslandprobleem. Dit is iets waarmee het Westen sinds de ineenstorting van de Sovjet-Unie niet meer is geconfronteerd. Simpel gezegd: welke plaats moet Rusland innemen in een min of meer stabiele wereldorde? Gezien de wisselvalligheden van het verleden hopen de kleine tot middelgrote staten die aan Rusland grenzen – van Litouwen tot Polen en de andere ex-sovjetsatellieten – misschien dat het van de geopolitieke kaart verdwijnt. Maar dat is niet mogelijk.

Een alternatieve oplossing werd aangedragen door Zbigniew Brzezinski toen hij voorstelde om Rusland te veranderen in een samenraapsel van gebieden, waarbij hij zelfs pleitte voor het loskoppelen van Siberië: ‘Voor een losjes geconfedereerd Rusland – bestaande uit Europees Rusland, een Siberische Republiek en een Republiek in het Verre Oosten – zou het makkelijker zijn om nauwere economische betrekkingen met zijn buren aan te knopen.’ Deze oplossing was op zijn minst problematisch door de aanwezigheid van China. Een blik op de kaart volstaat: China, een overbevolkt land met 1,4 miljard inwoners, waar de landbouwgrond een hoge graad van woestijnvorming vertoont, grenst in het noorden aan Siberië, een oneindige uitgestrektheid van dertien miljoen vierkante kilometer, dat slechts vijfendertig miljoen mensen herbergt, immense mineraalreserves bezit, en land dat vruchtbaar zou kunnen worden gemaakt door het ontdooien van de permafrost. Alleen al de demografische druk doet vermoeden dat de mensenmassaʼs zich in de toekomst zullen gaan verplaatsen. Voor de opkomende supermacht zou een verzwakt en geïsoleerd Siberië niet meer zijn dan een onweerstaanbare hap om te verslinden – een uitkomst die voor de Verenigde Staten moeilijk te verteren zou zijn.

Hoe dan ook, zelfs in geamputeerde staat zou Europees Rusland de grootste staat aan deze kant van de Oeral blijven. Kortom, ons onoverkomelijke probleem blijft bestaan: Rusland is eenvoudigweg te groot om de zoveelste Amerikaanse vazalstaat te worden, maar te zwak om een wereldmacht te zijn. Laten we niet vergeten dat het bbp van Rusland (1,49 biljoen dollar) inferieur is aan dat van Italië (1,89 biljoen dollar) en slechts iets groter dan dat van Spanje (1,28 biljoen dollar). Ter vergelijking: het bbp van Duitsland bedraagt 3,8 biljoen dollar, dat van Japan 5,1 biljoen dollar, dat van China 14,7 biljoen dollar en dat van de VS 20,9 biljoen dollar. Zoals Joseph Brodsky in 1976 schreef, ʻheeft Rusland naast alle complexen van een superieure natie, het grote minderwaardigheidscomplex van een klein landʼ.

Hoewel de Verenigde Staten in 1991, toen zij als overwinnaars uit de Koude Oorlog tevoorschijn kwamen, het probleem Rusland niet onderkenden, werd een soortgelijk dilemma met Japan na 1945 op ingenieuze wijze opgelost, door de vijand in de nieuwe wereldorde op te nemen. Natuurlijk werd Japan getrakteerd op twee atoombommen, om het een onuitwisbare les in te prenten – terwijl dat met de USSR, ondanks alles, niet mogelijk was. In de jaren negentig hebben de zegevierende VS nooit een plaats gevonden voor het Rusland van na de Sovjet-Unie. Nu geeft iedereen het verleden de schuld. Terugkijkend zijn weinigen bereid toe te geven dat de uitbreiding van de NAVO (en de EU) naar het oosten te overhaast is geweest; zelfs een Koude Oorlogs-liberaal als Thomas Friedman heeft geschreven dat Amerika en de NAVO niet bepaald ʻonschuldige omstandersʼ zijn in de Oekraïne-crisis.

Het inzien hiervan lijkt misschien een nutteloze oefening in historische geheugenkracht. Maar in dergelijke gevallen is het nuttig om onze verhouding tot het verleden te heroverwegen. Zouden de bloedbaden, wonden en littekens van de partitie zijn verzacht (en de opkomst van Narendra Modi een halt zijn toegeroepen) als het door de Britten gehanteerde raamwerk om India op basis van godsdienst op te splitsen kritisch was ondervraagd? (Het is de moeite waard eraan te herinneren dat de eerste partitie niet plaatsvond in 1947, maar 42 jaar eerder in 1905, toen het overwegend islamitische Oost-Bengalen werd gescheiden van het hindoeïstische West-Bengalen). Evenzo moeten we, gezien de nu al een eeuw durende staat van instabiliteit en endemische oorlog in het Midden-Oosten, misschien opnieuw kijken naar de grenzen die door een Britse en Franse functionaris – Mark Sykes en François-Georges Picot – in 1916 willekeurig zijn getrokken, geabstraheerd van de realiteit van de menselijke geografie, bij hun opdeling van het zieltogende Ottomaanse Rijk.

Dat het zich bewust zijn van het verleden geen ijdele taak is, blijkt a contrario wel uit het feit dat de Verenigde Staten aan het eind van de Tweede Wereldoorlog op hun hoede bleven voor een tweede Versailles, waar de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog Duitsland zulke repressieve herstelbetalingen hadden opgelegd dat de vrede resulteerde in een op hol geslagen inflatie en een revanchistisch nationalisme dat zijn uitdrukking zou vinden in het nazisme. Na 1945 hebben de VS Duitsland nooit om een cent gevraagd, maar hebben zij de wederopbouw van het land juist gefinancierd. Het zou evenmin nalatig zijn geweest om er in september 2001, bij de ruïnes van de Twin Towers, aan te hebben herinnerd dat het de VS zelf waren die aanvankelijk Osama bin Laden hadden gesponsord en ondersteund.

Wat we hier echter nodig hebben is niet noodzakelijkerwijs een onderzoek naar het verleden, maar een analyse van het falen dat zich voor onze ogen afspeelt. Deze mislukking bestaat in het onvermogen om een Russische entiteit op te bouwen die een plaats – een functie, een stem – zou kunnen hebben in de wereldorde van na de Koude Oorlog, en het onvermogen van de leidende kapitalistische macht om de stabiele transitie van Rusland van een étatistische economie naar een gestructureerde markteconomie te garanderen. Een handvol naïeve commentatoren zag in het Russische gangsterisme van de jaren negentig een herhaling van het eind-negentiende-eeuwse Amerikaanse ʻrobber baronʼ-tijdperk. Maar in dat laatste geval herinvesteerden de magnaten hun winsten in Amerika en financierden ze er universiteiten en bibliotheken, terwijl het enige wat de Russische oligarchen hebben gedaan is hun kapitaal en activa naar het buitenland exporteren en tegelijkertijd hun vaderland verarmen. Door een samenleving van gangsters te creëren, vroegen de VS er impliciet om dat Rusland zou worden geregeerd door ofwel een agent ofwel een spion. Met Poetin hebben ze beide gekregen.

De verantwoordelijkheid ligt echter niet alleen bij de VS: ook Europa is geen onschuldige toeschouwer geweest. De Verenigde Staten zijn er misschien niet in geslaagd hun imperium aan te passen aan de wensen van Rusland, maar ze hebben pas de afgelopen dertig jaar voor het eerst met dit probleem geworsteld. Europa aarzelt al drie eeuwen over Rusland. Soms werd het land uitgenodigd op de fora van de grote Europese mogendheden – het Congres van Wenen in 1815, bijvoorbeeld – maar voor het overige zag het zich gedegradeerd tot Azië (vooral op grond van het zogenaamde ʻoosterse despotisme,ʼ de titel van het beroemde werk van Karl Wittfogel). Zoals Alexei Miller en Fyodor Loekjanov opmerken, was Rusland ʻgedurende meer dan drie eeuwen op twee manieren in het Europese discours vertegenwoordigd.ʼ De ene was die van de ʻbarbaar aan de poortʼ. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog toverde de Italiaanse anticommunistische propaganda onophoudelijk kozakken tevoorschijn die hun paarden lieten drinken bij de fonteinen van het Sint-Pietersplein (merk op dat kozakken altijd werden geïdentificeerd met Oekraïne, sinds Poegatsjov en Gogols Taras Bulba). Vandaag is het beeld van de ʻbarbaar aan de poortʼ nog even actueel als vroeger. De tweede rol die gewoonlijk aan Rusland wordt toegeschreven, is echter interessanter. Voor Miller en Loekjanov is het die van de ʻeeuwige leerlingʼ. In het middeleeuwse Europa was de leerling volledig afhankelijk van de meester-ambachtsman, die verantwoordelijk was voor zijn onderricht. Sommigen mochten hun eigen meesterwerk maken en presenteren, zodat het hele gilde de verdiensten ervan kon beoordelen en ze bij goedkeuring lid van het gilde konden worden. In het geval van Rusland werd er in het Europese discours continu op gehamerd dat ʻde leerling nog niet goed genoeg wasʼ. De rol van de eeuwige leerling was (en is nog steeds) een valstrik, waarbij Europa zich steevast opstelt als de instructeur die de evaluatiecriteria steeds weer verandert, waardoor de rol van Rusland als stagiair wordt bestendigd.

Deze houding – die van een leraar die Rusland voortdurend laat zakken voor zijn examens – blijkt duidelijk uit de Duitse twijfels over de vraag of zijn Ostpolitik een normalisering van de banden is of, omgekeerd, de eerste stap naar een nieuwe Drang nach Osten. Misschien had Europa ook allang de relatie tussen de Unie en haar logge buurland moeten uitdokteren.

Natuurlijk is Rusland ook een probleem voor de Russen, een probleem dat door Rusland zelf wordt aangewakkerd. Vergelijk maar eens de Russische en Chinese reacties op de Amerikaanse overmacht. Dertig jaar lang (van 1980, toen Deng Xiaoping zijn hervormingsprogramma lanceerde, tot de opkomst van Xi Jinping in 2012) heeft China politieke terughoudendheid betracht, terwijl het zich concentreerde op de uitbreiding van zijn economie, en de ontwikkeling van nieuwe industriële en technologische capaciteiten. Pas daarna begon het land zijn kop op te steken. Dankzij deze strategie kon het ook zijn intrede doen op het gebied van de zachte macht (door bijvoorbeeld infrastructuur aan te leggen voor de derde wereld en zeer sterke handelsbetrekkingen aan te knopen met Afrika en Latijns-Amerika). De militaire uitgaven werden dus gesanctioneerd door een stijging van het bbp, en de investeringen konden worden gericht op spitstechnologie. Rusland, daarentegen, concentreerde al zijn middelen op de defensiesector en bleef exporteur van grondstoffen in bijna alle andere sectoren. Het bbp per hoofd van de bevolking in China en Rusland is vrijwel gelijk, ongeveer tienduizend dollar per jaar, maar de technologische en infrastructurele kloof tussen de twee is afgrondelijk.

Op het punt van efficiency kan het Russische staatskapitalisme niet in de schaduw staan van het Chinese. De oorzaken hiervan kunnen misschien het best worden verklaard door de longue durée: de deugden van de confucianistische traditie in China, tegenover het doelbewust zoeken naar incompetente kaderleden in Rusland (onder Brezjnev werden functionarissen gewaardeerd om hun gebreken: hun passiviteit, gebrek aan initiatief, en bereidheid om op te treden als ʻjaknikkersʼ). Een andere factor was de enorme braindrain na de ineenstorting van de USSR, die misschien wel de grootste exodus van wetenschappers in de geschiedenis op gang heeft gebracht, afgezien van die uit Duitsland in de jaren dertig van de vorige eeuw. Het resultaat is tot nu toe de opkomst van een dominante groep die nooit een heersende klasse is geweest.

Achter elk van deze oorzaken gaat een ander onopgelost probleem schuil, namelijk dat van het Russische exceptionalisme. Wanneer men verwijst naar het exceptionalisme, heeft men het gewoonlijk over de Verenigde Staten, het ʻbaken van hoopʼ, de ʻstad op de heuvelʼ met een ʻmanifeste bestemmingʼ. Inderdaad, iedere staat die streeft naar hegemonie ziet zichzelf als uitzonderlijk. (We zullen hier nog op moeten terugkomen. Wat het individu betreft – gegeven het feit dat iemands leven uniek is, en gegeven het feit dat wanneer iemands eigen leven eindigt, alle andere levens eveneens ophouden – is het vanzelfsprekend dat ieder van ons zijn leven als iets uitzonderlijks beleeft; het is even vanzelfsprekend dat dit exceptionalisme zich uitstrekt tot, bijvoorbeeld, iemands stad: ik kan me geen stad ter wereld indenken, hoe lelijk of verrot ook, waarvan de inwoners zich niet bevoorrecht voelen dat ze er geboren zijn, of anderszins de poëtica van de stedelijke agglomeratie waarin ze leven lyrisch verheerlijken. Dit gevoel groeit dan uit, totdat het een hele regio of het hele geboorteland omvat. Elk vaderland is ʻhet mooiste land ter wereldʼ. Uiteindelijk worden de burgers het slachtoffer van de mythologie van hun stad, zoals de leden van een staat het slachtoffer worden van zijn nationale mythe).

Feit is dat de Fransen, Engelsen en Duitsers, op hun respectieve manieren, gezonde dragers zijn van dit nationaal exceptionalisme (hier bedoel ik gezonde dragers in dezelfde zin als gezonde dragers van hiv). Zelfs de Chinezen, die het wereldtoneel beginnen te domineren, hebben een uniek verhaal rondom hun exceptionalisme opgebouwd (dat ik eerder heb geanalyseerd). Het Russische exceptionalisme heeft ook een eigen verhaal. Met goede – of vaker slechte – redenen heeft ieder volk een specifieke eigenschap van de menselijke geest gemonopoliseerd: de Verenigde Staten hebben zich dromen toegeëigend (ʻde Amerikaanse droomʼ); de Britten humor; Frankrijk verfijning (lʼesprit de finesse); Duitsland orde (ʻDuitse disciplineʼ); Italië creativiteit; Spanje trots…

Maar alleen de Russen zijn er helemaal in opgegaan, met hun herwaardering van de totaliteit van deze geest; dat wil zeggen, de ʻRussische zielʼ (Russkaia dusha). Dostojevski was hier de vaandeldrager van (ʻde Russische ziel belichaamt het idee van pan-humanistische eenheid, vsechelovecheskogo uedineniia, van broederlijke liefdeʼ). In zijn Poesjkin-rede (1880) laat hij alle remmen los:

Een echte Rus worden, een volwaardige Rus worden (en dat mag u niet vergeten), betekent slechts de broeder worden van alle mensen, een universeel mens worden, zo u wil. (…) Ik geloof dat wij – niet wijzelf natuurlijk, maar onze toekomstige kinderen – zonder uitzondering zullen begrijpen dat een echte Rus zijn inderdaad betekent ernaar te streven de tegenstellingen van Europa eindelijk te verzoenen, een oplossing te vinden voor het Europese verlangen in onze pan-menselijke en alles verenigende Russische ziel, en al onze broeders en zusters door broederlijke liefde op te nemen in onze ziel. Eindelijk kan het zo zijn dat Rusland het slotwoord uitspreekt van de grote algemene harmonie, van de definitieve broederlijke gemeenschap van alle volkeren, overeenkomstig de wet van het evangelie van Christus!

Vertel dat maar eens aan de Oekraïners die momenteel te lijden hebben van Russische bombardementen.

De waarheid is dat geen van de grote Russische schrijvers van de negentiende eeuw kon ontsnappen aan het klaroengeschal van de Russische ziel. Zelfs de eurofiele Toergenjev (die het grootste deel van zijn leven in het buitenland doorbracht) liet het meest sympathieke personage in zijn roman Rudin (1857) uitroepen: ʻRusland kan zonder ieder van ons, maar niemand van ons kan zonder haar. Pech voor hen die er anders over denken, en nog eens pech voor hen die buiten Rusland leven… buiten het nationale temperament is er geen kunst, is er geen waarheid, is er geen leven… niets!ʼ

De ironie van Russkaia dusha is gelegen in het feit dat het concept van ʻeen volkʼ als individu, met een eigen persoonlijkheid, een Duits concept is dat van Herder is geïmporteerd, en dat het idee van een collectieve, universele ziel woordelijk aan Schelling is ontleend. De Russische eenheid wordt uitgedrukt in de vorm van een Duits concept! De Russische vernieuwing bestond erin een adjectief toe te voegen dat tot dan toe aan geen enkel ander volk was gegeven: Heilig Rusland (alleen vergelijkbaar met het uitverkoren volk van Israël). De Russische ziel werd vervolgens een Europese mode, verspreid door de liefde voor Dostojevski, althans tot in de jaren dertig, toen D. H. Lawrence met afschuw keek naar ʻdie onderling verdeelde, pseudo-religieuze Russen die zo geabsorbeerd bezig zijn met hun eigen vuile was en hun eigen vale zielen, dat we er nu meer dan genoeg van hebben gekregen.ʼ Vandaag is ʻhet Heilige Moedertje Ruslandʼ weer opgedoken.

Het reactionaire karakter van deze opvattingen kan niet genoeg worden benadrukt. Een van de meest onheilspellende langetermijneffecten van deze oorlog is dat hij – door de vernietiging waarin de heilige Russische ziel grootmoedig heeft voorzien – de heropleving van het nationalisme in Europa legitimeert, alsof de geschiedenis van dit continent nog meer nationalismen nodig had.

En dan te bedenken dat de eerste grote schrijver die Russkaia dusha opriep Gogol was, een Oekraïner. In tegenstelling tot wat Herder dacht, impliceert een etnolinguïstische gemeenschap helemaal niet dat men tot één enkele staat zou moeten behoren, of tot één enkel volk. De Duits sprekende Zwitsers willen voor geen goud Duitser worden, net zo min als de overgrote meerderheid van de Oostenrijkers. Het beste voorbeeld hiervan is Spaans sprekend Latijns-Amerika, waar naties die een taal en een gemeenschappelijke cultuur delen, dikwijls oorlog met elkaar hebben gevoerd. De beste post-sovjet Oekraïense roman die ik heb gelezen, Dood en de pinguïn (2001), is in het Russisch geschreven door Andrej Koerkov, die toevallig een groot voorstander is van de Oekraïense onafhankelijkheid.

Dit essay verscheen eerder bij The New Left Review. Vertaling: Menno Grootveld