Het (s)tic(t) van de Taliban in Uruzgan

Niet alle berichtgeving over Uruzgan is even secuur. ‘Taliban is weg uit Uruzgan’ kopte het Algemeen Dagblad woensdag op zijn website. Diezelfde dag meldde Reuters dat Amerikaanse en Afghaanse troepen dertig Taliban-strijders hadden gedood in Uruzgan.

Hoe zit het? Zijn ze nou weg of niet? Het AD baseerde zijn verhaal op cijfers van Defensie. Geeft Defensie een te rooskleurig beeld van de situatie in de provincie?

De defensiecijfers vermeldden het aantal tic’s: ‘troops in contact’, gelegenheden waarbij Nederlandse militairen hun wapens hebben gebruikt. Die incidenten kunnen uiteenlopen van het afvuren van een enkel (waarschuwings)schot tot urenlange vuurgevechten waarbij meerdere pelotons zijn betrokken. Volgens de cijfers, die openbaar zijn en opvraagbaar bij Defensie, was het aantal tics in het vechtseizoen (juni t/m oktober) van 2008 beduidend lager dan in 2007 en 2006.

Wat het AD niet meldde is dat de Nederlanders niet de enige troepen zijn in Uruzgan. ‘De cijfers hebben betrekking op tics in de inktvlek’, zegt hoofd woordvoering operaties Robin Middel. ‘Dat aantal loopt terug.’

De ‘inktvlek’ is de Afghan Development Zone waar Nederlandse Isaf-troepen tezamen met Afghaanse politie- en legereenheden de veiligheid proberen te waarborgen en de Amerikaanse special forces hebben twee bases buiten de ADZ. Zij vallen niet onder Isaf maar onder Operation Enduring Freedom, de door de Amerikanen geleide contraterrorisme-operatie. Zij zoeken de Taliban op, proberen de belangrijke aanvoerlijnen die door het westen en het noorden van Uruzgan lopen te verstoren, en voeren geregeld zware gevechten. En dan zijn er nog de Australische SAS’ers en paracommando’s die eveneens ‘het gevecht naar de vijand brengen’, zoals dat heet.

Over Amerikaanse en Australische special forces zeggen de defensiecijfers niets, beaamt Middel: ‘Dat hebben we ook duidelijk willen maken.’ Inderdaad meldde NRC Handelsblad in een interview met commandant der strijdkrachten Peter van Uhm, waarin hij zijn vreugde uitte over de weinige gevechten die de Nederlanders de laatste tijd voerden, dat elders in de provincie wél strijd werd geleverd.

Een artikel over de veiligheidssituatie in Uruzgan is niet compleet als het louter gebaseerd wordt op de tic-cijfers. ‘Je ziet dat het aantal aanslagen met IED’s (geïmproviseerde bommen – jb) toeneemt. Dat moet je in de analyse meenemen’, zegt Middel. Bovendien is het nog maar de vraag of de rustige zomer van 2008 (althans: in het ‘Nederlandse’ gedeelte van Uruzgan) een uitzondering is of het begin van een trend. Volgens Middel kun je daarover pas meer zeggen als de huidige zomer achter de rug is. Er zijn voortekenen dat die een stuk minder rustig zal verlopen dan die van vorig jaar. Onlangs werd een zelfmoordaanslag verijdeld op een politiebasis aan de rand van Tarin Kowt. In 2007 begon de verheviging van de gevechten met een zelfmoordaanslag waarbij soldaat-1 Timo Smeehuijzen sneuvelde.

Nederland is al maanden bezig om het succes van de missie te benadrukken. De goede prestaties zouden Nederland zelfs de Afghanistan-conferentie van vorig jaar maart hebben opgeleverd, zei minister van Buitenlandse Zaken Verhagen trots, en iedereen schreef het op. Uit een reconstructie van NRC Handelsblad bleek echter dat Nederland zichzelf nadrukkelijk naar voren had geschoven, en als enige gegadigde in staat en bereid was op zeer korte termijn en voor veel geld de conferentie te organiseren.

Tekenend voor de weinig doortastende houding van veel media was de druk bezochte persbriefing van juli 2008. Daar vertelde commandant der strijdkrachten Peter van Uhm hoe geweldig het was dat er nu elektriciteit was in Tarin Kowt. Het was zijn manier om het succes van de missie te meten. Hij zei er niet bij dat die elektriciteit slechts een gedeelte van de dag wordt geleverd en constant uitvalt.

De missie een succes, hoe meet je dat? Betekent de rust in het Isaf-gebied dat de Nederlanders het goed doen? Of laten de Taliban de Nederlanders links liggen omdat Uruzgan voor hen een rust- en doorgangsgebied is, en ze geen slapende honden willen waker maken? Ook dat is mogelijk.

De stand van de wederopbouw zou een goede succesmeter zijn – daar was het immers allemaal om begonnen. Hoe staat het ermee? Wat we weten is weinig en onduidelijk. In oktober 2008 verscheen wel een lijstje, maar daar viel niet mee te pronken. 10 bruggen ‘opgeknapt’, 18 scholen ondersteund met ‘kleine projecten’, 46 ‘waterkrachtcentrales’ aangelegd, 15 wegen ‘opgeknapt’, 109 waterputten geslagen, 68 irrigatieprojecten voltooid, 28 projecten in de gezondheidszorg en dertig op het gebied van bestuur: ziedaar, de oogst van twee jaar Uruzgan.

Dit soort lijstjes zegt niet veel. Wat onder ‘project’ wordt verstaan is bijvoorbeeld niet eenduidig. Ook het uitdelen van Isaf-publiciteitsmateriaal (in stripvorm) door een patrouille die een dorp aandoet, is een ‘project’. En met ‘waterkrachtcentrales’ worden simpele waterradgeneratortjes bedoeld die een paar huishoudens van stroom voorzien. Het ziekenhuis van Tarin Kowt kreeg een prachtige legergroene sterilisatie-installatie, maar kon die om technische redenen niet gebruiken. Het ding staat nu naast de ingang van een van de ziekenhuisgebouwen te verstoffen. Hoe is dat project geboekt? Een ander voorbeeld: eind 2006 behelsde een van de bestuursprojecten het idee een goeddeels analfabeet ‘bestuursapparaat’ te leren hoe je een administratie bijhoudt. En tezelfdertijd, in het begin van de missie, bleek dat het slaan van waterputten desastreus was voor het reeds belabberde grondwaterpeil.

Als het om het succes van de missie gaat worden gretig de woorden van de hoogste militair of de minister opgeschreven, maar vrijwel niemand vraagt hoe het succes gemeten wordt. Is er een methodiek? Wie voert die uit? Wat zijn de criteria?

Er is een methodiek, vertelt defensiewoordvoerder Robin Middel, en die wordt uitgevoerd in samenwerking met TNO, dat onder meer in Uruzgan een bevolkingsonderzoek doet, ‘voorzover je daarvan kunt spreken’. Er worden ‘bijna dertig variabelen’ gebruikt om de voortgang van de missie in kaart te brengen. Methodiek en variabelen zijn echter geheim, want ze raken aan de ‘operationele veiligheid’. ‘Er wordt gewerkt met parameters aan de hand waarvan de missie steeds wordt aangepast. Je wilt niet dat je vijand weet hoe dat werkt.’

Maar hoe gaat het nu écht met de missie? Dat kan Defensie dus niet zeggen, want dan speelt ze de vijand in de kaart. Eén ding is duidelijk, het tic-overzicht is geen goede graadmeter. ‘Wij meten het succes van de missie niet af aan het aantal gevechten’, zegt Middel. ‘Het verhaal in het AD was ook in onze ogen een beetje een halleluja-verhaal.’