Redactie Binnenland Brazilië

Het sambasyndroom

Beurtelings zijn Groene-redacteuren een aantal weken de gast van een Oegandees dagblad, een Kazachse krant of een weekblad uit Papoea-Nieuw-Guinea. Vanaf de Redactie Binnenland berichten ze over het dagelijks leven ter plekke. Deze week deel drie rondom het Braziliaanse dagblad O Dia.

Het Oostblok bestaat nog. Het systeem van de totale onderdrukking blijkt herschapen op de meest onwaarschijnlijke plek in de meest onwaarschijnlijke tijd: Rio de Janeiro tijdens het carnaval. Een bericht uit het Sambódromo.

RIO DE JANEIRO — ‘In Rio de Janeiro ben ik niet bang voor revoluties; waar ik bang voor ben, is het carnaval’, zo schreef de gevierde Braziliaanse publicist Artur Azevedo rond 1910, en daarmee verwoordde hij een schrik die er bij veel bewoners van de cidade maravilhosa nog altijd diep in zit. Het ‘grootste feest op aarde’ kent traditiegetrouw apocalyptische trekjes, vooral in de ogen van de meer gegoede burgerij, die afgelopen vrijdag, aan de vooravond van de vierdaagse samba-marathon, dan ook aan een ware exodus naar de rustigere binnenlanden begon, resulterend in recordlengtes aan files op de snelwegen, alwaar het asfalt bubbelt onder een brandende zon.


Voor de benarde achterblijvers is de kerk een rots in de branding. De aartsbisschop van Rio de Janeiro is een verklaarde tegenstander van het heidens geachte carnavalsfeest, en ook dit jaar geeft de Heilige Moederkerk weer hevig tegengas. Zo deed de politie, gewapend met karabijnen en mitrailleurs, verleden week woensdag een inval in het paviljoen van de Escola da Samba Unidos in de volksbuurt Tijuca, alwaar op last van de kerkelijke autoriteiten twee blasfemische objecten van de geplande carnavalsstoet in beslag werden genomen: een groot kruis en een portret van Nossa Senhora da Boa Esperança, schutspatrone van de ontdekker van Brazilië, Pedro Álvares Cabral. ‘Wij tolereren niet dat symbolen van de Kerk worden gebruikt in een profaan, om niet te zeggen wellustig feest’, zo liet de advocaat van de kerk weten. Het gaf aanleiding tot hevige polemieken, maar de kerk trok zoals te verwachten viel aan het langste eind. Voor de ontwerper van de stoet, Chico Spinoza, was het een bittere pil: ‘We wilden deze religieuze symbolen gebruiken in de context van de herdenking van de ontdekking van Brazilië’, liet hij verbouwereerd weten. ‘Ik dacht dat de kerk zich ondertussen wat meer ontwikkeld had’.


De politie-inval in Tijuca was niet de enige pijl op de boog van de aartsbisschop. In het enorme Maracana-voetbalstadion van Rio geeft de kerk leiding aan een anti-carnavalsmanifestatie, waar de devote segmenten van de carioca’s een veilig heenkomen zoeken in de periode dat hun stad wordt ondergedompeld in het vagevuur. Onder leiding van de aartsbisschop wordt hier gebeden voor het zieleheil van de verdrukte stad. Het carnaval, met zijn aan de Romeinse bacchanalen en Griekse dionysische rituelen verwante geschiedenis, wordt door de kerkelijke autoriteiten als een jaarlijkse beproeving beschouwd. ‘Hier is het ware carnavalsfeest’, zo prevelen de met kaarsen en bidprentjes zwaaiende bejaarde dametjes in het grotendeels verlaten stadion, maar de naargeestige sfeer doet vooralsnog meer denken aan de laatste christenen in de catacomben van Rome, in afwachting van het moment dat ook zij voor de leeuwen zullen worden gegooid.


Het Sambódromo, zaterdagavond. De ultieme carnavalshit van het jaar 2000, ‘O meu amor é canibal’ (‘mijn geliefde is kannibaal’), schalt door de speakers van het door de Braziliaanse huisarchitect Oscar Niemeyer ontworpen carnavalspaleis aan de Rua Marquês de Sapucaí, waar de Escolas de samba van Rio de Janeiro de komende vier dagen acte de présence zullen geven. De omgeving van het 90.000 plaatsen tellende Samba-paleis, dat in de jaren vijftig werd gebouwd teneinde het carnavalsgebeuren beter ‘beheersbaar’ te maken, verkeert al enige dagen in staat van beleg. Overal waar je kijkt staan agenten met getrokken pistolen en mitrailleurs, terwijl het stadion volloopt met toeschouwers, onder wie opvallend veel toeristen uit Japan, en natuurlijk de deelnemers aan de defilés: zwarte knapen in keizer Bokassa-achtige outfits, welgevormde dames, zowel blond als donker, in minuscule Josephine Baker-jurkjes, het lichaam beschilderd met lichtgevende verf, dwergen, travestieten, kleine kinderen in rococo-pakjes, moeizaam voortschuifelende bejaarden met verentooien en zilveren tangaslips. Net als ik een van de toegangspoorten van het Sambódromo wil binnengaan, ontstaat er achter me een opstootje. Vier hologige knapen in korte broek en T-shirt, die nog maar nauwelijks de brommergerechtigde leeftijd kunnen hebben bereikt, bedreigen met getrokken pistool twee agenten in burger. ‘Vou te-matar, vou te-matar!’ schreeuwt een van de jongens met overslaande stem — ‘Ik ga je vermoorden!’ ‘Vai lá, meninos’, zegt een van de agenten op smekende toon — ‘ga toch weg, jongens.’ De dreiging van een schietpartij hangt zwaar in de lucht. Pas als de agenten via de mobilofoon om assistentie hebben gevraagd maken de jongens zich snel uit de voeten.


Ook eenmaal binnen in het Sambódromo laat de stemming zich nauwelijks als feestelijk omschrijven. Daaraan draagt de omstandigheid dat het stadion de eerste uren van het spektakel voor nauwelijks een vijfde is gevuld in hoge mate bij. Het volk van Rio de Janeiro geeft er de voorkeur aan het schouwspel te bekijken vanaf een verderop gelegen brug. Samen met de excessieve aanwezigheid van geüniformeerde ordebewakers geeft de desolate verlatenheid van het Sambódromo — aangevuld met de dreiging van een belegerde vesting — het ‘feest der feesten’ een soort triestheid die met de ondergang van het Oostblok definitief begraven werd geacht en die op welhaast surrealistische wijze contrasteert met de tropische hitte en de exuberantie van het spektakel zelf. Misschien is dit wat socioloog Celso Favaretto bedoelde toen hij het carnaval omschreef als de ‘Braziliaanse tragedie bij uitstek’. Pas rond een uur of twee ’s nachts besluiten de organisatoren, blijkbaar ten einde raad, de toegang maar gratis te maken, om toch nog iets van feestelijke drukte te kunnen suggereren voor de camera’s van Globo, de tv-maatschappij die de exclusieve tv-rechten van het spektakel in handen heeft.


Bij de deelnemers en hun achterban heerst het soort fanatisme van een belangrijke voetbalmatch. Het gaat dan ook om een wedstrijd: de diverse sambascholen strijden ieder jaar om het carnavalskampioenschap, en dat gaat gepaard met hoog oplopende animositeit, die in het recente verleden niet zelden in schietpartijen is geculmineerd. Hoewel de laatste decennia ook de middenklasse van Rio zich steeds meer in het carnaval stort, blijft de strijd in het Sambódromo in de eerste plaats een wedloop tussen de diverse favelas en morros, de sloppenwijken en de achterbuurten. De deelnemers sparen het hele jaar om tijdens het carnaval zo voordelig mogelijk voor het voetlicht te treden, lijden naar verluidt zelfs honger om in het Sambódromo te kunnen overwinnen. Het carnaval is een cultus op zich geworden, een religie voor de armen, die zich vier dagen lang keizer van de stad kunnen wanen, om de rest van het jaar te worden teruggegooid in de anonieme misère van de favela’s.


Toch dient gezegd dat een en ander een oogverblindend schouwspel oplevert. De tientallen optochten, die ieder ruim een uur of meer in beslag nemen, zijn een soort massale tableaux-vivants, die stuk voor stuk een hypnotiserende kracht uitstralen. Alleen al het geluid van de telkens niet minder dan driehonderd man tellende drumband — de batéria — is overweldigend. De reusachtige, door tientallen mannen voortgeduwde installaties waar de samba-koninginnen op vervaarlijke wiebelende plateautjes staan te dansen, zijn het toonbeeld van de exuberante Braziliaanse creativiteit — samen met de vaak uitzinnige uitdossingen van de duizenden leden tellende escola’s verbeelden ze de gehele geschiedenis van de natie, van de heerschappij van de Hollanders in Pernambuco, het einde van de slavernij tot de merkwaardig populaire dictatuur van president Getúlio Vargas. Terwijl de massale defilés zich van de piste van het Sambódromo meester maken, juicht het publiek uitzinnig, en tegen het ochtendgloren is er ondanks al de hindernissen wel degelijk iets zichtbaar van de dionysische euforie waardoor het carnaval van Rio tot zo’n mondiaal gekende happening heeft kunnen uitgroeien.



TOCH IS HET VERHAAL van het carnaval van Rio vooral een verhaal van verlies, zo zegt Sérgio Cabral, een van de populairste journalisten van Rio de Janeiro. De gezette publicist geldt als een van de grootste autoriteiten van het carnaval van de carioca’s. Voor de krant Jornal do Brasil schreef hij een 26 delen tellende reeks artikelen over het carnaval, die werden gebundeld in het boek As escolas de Samba do Rio de Janeiro. Cabral, een geboren en getogen carioca, geboren in 1936, herinnert zich uit zijn jeugd hoe het carnaval van Rio vroeger — voor de bouw van het Sambódromo — een veel spontaner evenement was. Met de komst van het Sambódromo ging er veel verloren. ‘Mijn eerste klappen van de politie kreeg ik daar’, zo vertelt Cabral, een van de vele Braziliaanse intellectuelen die in 1970 na een protest tegen de militaire dictatuur in de gevangenis werden gesmeten. De commercialisering van het carnaval van Rio maakt dat Cabral — kenner bij uitstek van de samba-cultuur en zelf tekstdichter van menig geliefd lied — zich er nauwelijks thuis meer voelt en er dit jaar zelfs de voorkeur aan heeft gegeven de stad tijdens het carnaval te ontvluchten. ‘Met de toegenomen deelname van de middenklasse en de wijze waarop de tv zich het spektakel heeft toegeëigend is het plastic gedeelte van het carnaval langzaam maar zeker de kern van het evenement geworden’, sombert hij. ‘Televisie heeft nu eenmaal geen respect voor iets als geschiedenis.’ Toch wil hij niet al te pessimistisch overkomen. ‘Al in 1975 stonden er stukken in de krant met als boodschap dat het carnaval van Rio als dood en begraven dient te worden beschouwd. Toch leeft de traditie nog altijd voort. De samba, geboren in Bahia, maar tot wasdom gekomen in Rio, is en blijft een sublieme expressie van de geest van deze stad.’


Cabral schildert de geschiedenis van het carnaval van Rio in de eerste plaats als een strijd om gelijkwaardigheid van de zwarte Braziliaan. De eerste Escola de samba — Deixa falar (‘Laat ze maar praten’) — werd opgericht in 1928. De zwarte cultuur werd in die tijd nog volop onderdrukt door de autoriteiten. De leden van Deixa falar, die geen geld hadden voor de dure feesten in het centrum van de stad, trokken tijdens het carnaval demonstratief de straten in, trommelend en dansend, waarop in de regel grote vechtpartijen met de politie ontstonden. De autoriteiten van de stad waren er alles aan gelegen om te voorkomen dat de mensen uit de sloppenwijken massaal door het centrum van de stad zouden trekken. Dit patroon zou zich de komende jaren alleen maar voortzetten. In de jaren dertig kregen enkele Escolas de samba zelfs het etiket ‘staatsvijandig’ opgeplakt. In 1937, het jaar van de gooi naar de macht van dictator Vargas en diens Estado Novo, werd Rio’s bekende carnavalesco Pedro Ernesto, innig geliefd in de favela’s vanwege zijn goede werken voor de jeugd aldaar, tot drie jaar gevangenis veroordeeld, vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij de communistische opstand van november 1935. ‘Racisme was zeker een factor van belang in het bestrijden van de Escolas de samba’, zo meent Cabral. ‘Eind jaren dertig zag men in dat dat toch niet hielp en werden de Escolas de samba juist omarmd door de autoriteiten. Ze kregen nu de opdracht om de glorie van de Braziliaanse natie zo voorbeeldig mogelijk uit te dragen. Buitenlandse thema’s in de defilé’s werden verboden verklaard. Zelfs het thema ‘Sneeuwwitje en de zeven dwergen’ werd eens als ‘onvaderlands’ afgewezen door de militaire censuur. Ook heel curieus was het besluit van de militaire censuur van 1943: toen werd het thema ‘Brasil: terra de liberdade’ (Brazilië: land van de vrijheid) als ‘politiek onwenselijk’ van de hand gewezen. Het waren nodeloos harde maatregelen: de Escolas de samba zijn juist bij uitstek patriottisch, altijd al geweest, daar zijn geen officiële richtlijnen voor nodig. Ze lenen zich niet voor partijpolitiek, maar dat is een andere kwestie.’


Cabrals grootste wens blijft dat het carnaval da rua, het spontane volksfeest op straat, terugkomt in Rio. ‘Ik heb een grote bewondering voor de architect Niemeyer, maar het Sambódromo kan onmogelijk als zijn beste werk worden beschouwd. Het blijft een klinische bedoening. Niemeyer heeft bij het ontwerpen ervan ook nooit iemand van de Escolas de samba geconsulteerd. Dat is helaas goed te merken. Ook zijn de toegangsprijzen veel te hoog om nog te kunnen spreken van een echt feest voor het volk. Ik heb ooit nog eens een campagne gevoerd om het carnaval van de straat in ere te herstellen, maar het gemeentebestuur heeft mijn brieven met verzoeken in die richting helaas nooit beantwoord, ondanks dat ik de postzegels voor het beantwoorden had bijgevoegd. Af en toe probeert iemand weer een echt groot straatcarnaval te organiseren, maar helaas wordt er dan vooraf zoveel gedronken dat het niet meer van een optocht komt.’



Deze serie komt tot stand met steun van het Humanistisch Instituut voor Ontwikkelingssamenwerking (Hivos) te Den Haag.