De vrouwelijke specialist in opkomst

Het scalpel snijdt aan twee kanten

Door het groeiende aantal vrouwelijke artsen en specialisten wordt in ziekenhuizen steeds meer parttime gewerkt. Dat bedreigt de kwaliteit van de zorg.

Medium vrouwelijke specialisten

WAS IN 1987 twintig procent van de afgestudeerde artsen vrouwelijk, inmiddels is van de studenten geneeskunde ruim zestig procent vrouw. De gevolgen daarvan zullen de komende jaren zichtbaar worden. Waar bijvoorbeeld de gynaecologie vanouds een mannenberoep was, is nu zeventig procent van de specialisten in opleiding vrouw en is er onder beginnende medicijnenstudenten bijna geen man meer die zegt later gynaecoloog te willen worden.
De instroom van vrouwen in traditionele mannenberoepen met aanzien en invloed voltrekt zich al langer bij de rechterlijke macht. In het onderwijs deed zich dit al eerder voor. Voor de klas staan nauwelijks nog ‘meesters’. Het is de winst van de tweede feministische golf. Maar de feminisering van bepaalde beroepen roept ook vragen op. Zo wordt over het basisonderwijs beweerd dat het voor jongens niet goed zou zijn om alleen nog les te krijgen van juffen. Wat betekent de feminisering van de medische beroepsgroep voor de zorg?
Gerda Croiset, hoogleraar medisch onderwijs van het Utrechts Medisch Centrum, gooide in 2007 met haar oratie de knuppel in het hoenderhok: al die vrouwen, dat is niet goed voor het vak, stelde ze provocerend. Hoewel de toenemende diversiteit voor de keuzevrijheid van de patiënt een stap vooruit is, signaleerde zij ook nadelen. Vrouwen zijn minder ambitieus, willen vaak in deeltijd werken en hebben weinig interesse in de technische kanten van het vak.
Annet de Vries, medisch specialist en moeder van drie kinderen op de basisschool, is het met Croiset eens: 'Je ziet de verandering. De jonge vrouwelijke artsen met paardenstaartjes en blauwe flesjes water in de zak van hun doktersjas trekken in groten getale groepsgewijs door het ziekenhuis. Ik vind het geen vooruitgang. Ze zijn vaak nogal overgevoelig. Belt zo'n meisje je tijdens de dienst over haar toeren op, denk ik: doe een beetje relaxt. Zelden zit er een doortastend type tussen. Ook de opleiding vind ik hbo-achtig geworden, met af te vinken lijstjes van wat je gedaan hebt.’
Maar de oratie van Croiset deed in vrouwenkringen vooral een storm opsteken. Patricia Assmann, voorzitter van de Vereniging van Vrouwelijke Artsen (vnva) bestrijdt Croisets standpunt: 'Een groter aantal vrouwelijke artsen is helemaal geen probleem. Het probleem is een bedrijfskundige kwestie: de zorg moet efficiënter worden ingericht. Zo betekent de toename van vrouwelijke artsen dat het opvangen van zwangerschapsverlof meer voor zal komen. Dat kun je niet louter op collega’s afwentelen. We zijn nu dan ook met de Stichting Werkgelegenheid voor Artsen een landelijke pool van waarnemende specialisten aan het opzetten die kunnen inspringen bij zwangerschapsverlof.’
Toine Lagro-Jansen, hoogleraar vrouwenstudies medische wetenschappen in Nijmegen en huisarts, komt eveneens tot andere conclusies dan Croiset. In een literatuurstudie in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde uit 2008 schrijft zij dat een meerderheid van vrouwelijke artsen goed zal zijn voor de cultuur in de geneeskunde. 'Tweederde lijkt me prima’, licht ze toe. 'Vrouwen hebben bewezen betere communicatievaardigheden en praten op een gelijkwaardiger niveau met de patiënt. Ik zou niet weten wat er tegen is dat sommige specialismen, zoals de gynaecologie, over een tijd alleen nog maar door vrouwen bevolkt zullen worden. Mits een aantal dingen die vaak alleen aan mannen worden toegeschreven gewaarborgd is voor het vak. Zoals aandacht voor wetenschappelijk onderzoek, innovaties en het managen. Die factoren geven een specialisme ook meer body tegenover andere specialismen, maar scoren helaas laag bij onderzoek naar interesses van vrouwelijke artsen. Het percentage vrouwelijke hoogleraren en managers blijft in de geneeskunde nog meer achter dan in andere vakgebieden.’
En dat is toch een reëel probleem. Vriend en vijand zijn het erover eens dat door de feminisering van het vak het doen van onderzoek en het uitoefenen van managementtaken onder druk kunnen komen te staan. Specialiste De Vries formuleert het opnieuw scherp: 'Vrouwen willen een leuke baan en aan het eind van de werkdag naar hun gezin. Het probleem is dat veel vergaderingen zich buiten werktijd afspelen. Vrouwen worden wel gevraagd voor managementfuncties, maar hebben er daarom geen zin in. En dat vergaderen buiten werktijd zal niet zo snel veranderen, want de administratieve druk overdag is al zo groot dat je anders nauwelijks meer aan je patiëntenzorg toekomt. Ik sluit niet uit dat er een tweedeling in de zorg ontstaat: vrouwen als uitvoerders die op de werkvloer het werk doen, en mannen die vooral managen.’
Patricia Assmann van de vnva beaamt dat nog weinig vrouwen bestuurlijke taken op zich nemen: 'Dat juich ik niet toe. Je ziet nu vaak dat alles, van zorg tot onderwijs tot bestuur, in handen is van één persoon. Dat kun je in een maatschap best over meer personen verdelen.’
De vraag is of vrouwen echt niet willen, of dat er sprake is van andere belemmeringen waardoor ze niet doorstromen naar de top. Hoogleraar Lagro-Jansen denkt het laatste. 'We hebben onderzoek gedaan naar de loopbaan van medische hoogleraren. Mannen denken van zichzelf dat ze vanzelf komen bovendrijven en dat ze van nature leiderschapskwaliteiten hebben. De onderzochte vrouwen hadden het over allerlei vaardigheden die ze moesten leren om hun doel te bereiken. Initiatieven om de balans tussen werk en gezin beter af te stemmen, zoals de mogelijkheid tot flexwerken, blijken weinig resultaat te hebben. Je helpt vrouwen veel meer door hen te zien als iemand die een carrière wil en hun te vragen wat ze daarvoor nodig hebben.’

MET DE STORMLOOP van het aantal vrouwelijke specialisten op de ziekenhuizen valt het trouwens mee. Hun aandeel bedroeg in 2005 slechts zestien procent en het capaciteitsorgaan van de artsenorganisatie knmg (Koninklijke Maatschappij ter Bevordering van de Geneeskunde) verwacht dat pas in 2020 46 procent van de medisch specialisten vrouw is. De angel in het debat over de feminisering van de specialistische beroepspraktijk schuilt niet zozeer in het aantal vrouwen aan het bed, maar in de problemen rond deeltijdwerken.
Toine Lagro-Jansen is dan ook van mening dat de discussie over werktijden een zaak is van zowel vrouwen als mannen en te maken heeft met een generatieverschil: 'Artsen van nu bewaken de tijd veel beter, men is niet meer getrouwd met de geneeskunde. De consequentie is dat de zorg niet meer door één persoon geleverd wordt. Je zult meer moeten investeren in de overdracht. Er wordt al steeds meer in teams gewerkt. Daardoor raken ook verpleegkundigen beter op de hoogte van de toestand van de patiënt en gaan zij een centralere rol spelen. Zo zie je bij de oncologie dat het eerste aanspreekpunt voor bijwerkingen de verpleegkundige is, maar dat het slecht-nieuws-gesprek en de vervolggesprekken na behandeling weer door de eigen specialist worden gedaan.’
Ze voegt daaraan toe: 'Belangrijk is wel dat de dokter zich ook in zijn vrije tijd verantwoordelijk blijft voelen voor bijzondere situaties, zoals overlijden of een heel gecompliceerde bevalling. Dat wil niet zeggen dat je er altijd zelf heen moet, maar wel dat je tegen een patiënt met een dreigende ingewikkelde situatie zegt: in noodgevallen ben ik bereikbaar en als het nodig is zorg ik dat er iemand naar u toe komt.’
In de ziekenhuizen is men ervan overtuigd dat werken in deeltijd niet meer zal verdwijnen. 'Ik ben bang’, zegt Annet de Vries, 'dat al die parttime werkende artsen de zorg niet ten goede komen. Het is voor de gedegenheid en de overdracht van het werk niet goed. Parttimers zijn ook reuze bezig met hun werktijden en diensten. Mijn collega had laatst een razend druk operatieprogramma. Belt ’s ochtends de arts op met wie zij die dag zou opereren, een alleenstaande moeder die zegt dat haar kind ziek is en dat ze niet kan komen. Ik vind dat niet kunnen.’
Joep Bartelsman, hoogleraar maag-darm- en leverziekten in het amc met een lange staat van dienst ziet, net als Lagro-Jansen, niet het geslacht van de arts, maar het parttime werken en het daardoor snel stijgende artsentekort als probleem. Hij legt uit: 'Bij mijn specialisme hebben we nu zeventig vacatures en de verwachting is dat het er over vijf jaar 140 zullen zijn, terwijl het aantal mdl-artsen de afgelopen jaren met honderd is toegenomen. Maar zij werken grotendeels parttime, en ook fulltime werkende specialisten zijn veel minder uren per week gaan werken. Het gevolg is dat de kennis en kunde van jonge specialisten terugloopt. Ze werken minder en zien dus minder dan vroeger, bijvoorbeeld minder zeldzame aandoeningen. Ze maken soms ook bepaalde onderdelen van de opleiding niet meer mee. Zo is de oncologiebespreking altijd op woensdag. In die vergadering zitten verschillende specialismen - radiologie, chirurgie, interne geneeskunde - bij elkaar om ingewikkelder oncologiepatiënten te bespreken. Tegenwoordig kan het gebeuren dat een specialist in opleiding altijd de woensdag vrij heeft vanwege de kinderen en afstudeert zonder ooit die bespreking te hebben bijgewoond. Vorige week zou ik met een arts-assistente haar case load bespreken. We konden binnen de routine van de werkdag en de sluitingstijden van de crèche geen bruikbaar moment vinden. Uiteindelijk heeft zij een stapel statussen mee naar huis genomen, ik zat achter de computer in het ziekenhuis en we telefoneerden. Dat alles was tot voor kort ondenkbaar.’
Voor Michael Gerhards, chirurg in het olvg en lid van het consilium dat de opleiding tot chirurg organiseert, is de discontinuïteit op de werkvloer ook een groot punt van zorg. 'De kwaliteit van het werk lijdt eronder’, vindt hij. 'Dag A wordt een patiënt geopereerd, dag B is de assistent er niet en kan dus niet zelf met de patiënt bespreken wat er gebeurd is. Dag C is de microscopische diagnose bekend en volgt de patiëntenbespreking en dag D moet dit geheel met de patiënt besproken worden, wie weet door weer een ander. Het liefst zou je één arts aan een patiënt vastknopen, maar dat is onmogelijk. Ik vind vier dagen werken het absolute minimum in ons vak. Ook omdat de opleiding de staat handenvol geld gekost heeft.’
De groei van het aantal vrouwelijke artsen en een veranderend perspectief van hun mannelijke collega’s op de combinatie van werk en gezin heeft veel positiefs gebracht. Artsen die niet meer aan het bed staan te tollen van de slaap, meer begrip bij artsen voor het belang van goede communicatie met hun patiënten en misschien ook wel meer plezier in de artsenkamer. De sterke toename van het parttime werken bedreigt tegelijkertijd de kwaliteit van de zorg. Nieuwe initiatieven als het organiseren van de zorg rond aandoeningen in plaats van specialismen, het verder ontwikkelen van telemedicine en telewerken zullen in de toekomst een deel van de pijn oplossen. De opkomst van de 'one stop poli’s’, waar het stellen van de diagnose en het maken van een behandelplan zo veel mogelijk in één bezoek van de patiënt geregeld worden, is een belangrijke stap in dit proces. Maar net als in andere verantwoordelijke posities blijft er een grens aan de mogelijkheid tot deeltijdwerk. Met drie dagen red je het niet. De zorg is niet de plek voor vrouwen - en mannen - die gewoon een beetje leuk willen werken.
Tien jaar geleden was de helft van de chirurgen in opleiding vrouw, nu nog maar één op de vier. De aantallen lopen in dit specialisme terug en misschien is dat ook niet verwonderlijk. Arts zijn is een zwaar vak. Dat moet je je realiseren als je eraan begint.