Jaap van Heerden, Over samenhang in onzin

Het scheiden van zin en onzin

In zijn nieuwe bundel essays richt Jaap van Heerden zijn pijlen vooral op psychoanalytici. Die halen hun objecten van studie met hun analyses bewust naar beneden. Alleen jaloezie en onbegrip zet ze in beweging.

In zijn deze week verschenen bundel Als 2+2=5, dan 4+4=10 laat Jaap van Heerden zich nadrukkelijk uit over het door hemzelf gehanteerde genre. In «Misverstanden omtrent het essay» benadrukt hij dat de essayist het gedachte-experiment niet moet schuwen, dat hij niet al te zeer mag moraliseren, en dat hij bovenal niet mag vervelen. Van Heerden eist van zichzelf dat hij behalve vernuft ook vertier levert.

Dat lukt hem al jaren, reden waarom de filosoof al sinds mensenheugenis is te zien of te horen via dagblad, radio en televisie. Hij is een geziene deskundoloog in de meest ruime zin van het woord: zijn specialisme lijkt het denken zelf en het tonen van domheid, waar zich dat ook ophoudt. Jarenlang verschenen stukken van hem rubrieksgewijs in NRCHandelsblad, tot hij er daar werd uitgegooid, «in het kader van de verbetering van het blad», zoals hij zelf nooit nalaat in memorie te brengen. Sindsdien verschijnen zijn essays in bladen als Hollands Maandblad, Trouw, de Humanist en een enkele feestbundel.

Ook in deze nieuwe bundel vermaakt en verrast hij met onderzoeksbevindingen. Zo vertel hij in «Leven met mediasterren» dat een patiënt onder narcose naamsbekendheid is bij te brengen van volstrekte onbekenden, waardoor en passant duidelijk wordt hoe moeilijk het is om eenmaal als bekende Nederlander weer terug te keren tot de anonimiteit. In «Wat ging er mis tussen man en vrouw» (geschreven voor De Groene, 14 april 2001) verzekert Van Heerden ons dat de eerlijke openingszin «Zullen we vrijen?» een slagingskans van nul procent heeft. In het openingsessay «Klein vademecum voor het leven na de dood» klaagt een invalide geboren man succesvol de doktoren aan die hij verantwoordelijk houdt voor zijn geboorte. En in een ander essay komt de lezer en passant te weten dat succes van een therapie niets te maken heeft met de zinnigheid van de theorie waarop die therapie berust, gegeven het feit dat de reïncarnatietherapie verreweg de beste resultaten oplevert van alle therapieën die momenteel in zwang zijn.

Zoals deze voorbeelden illustreren, vallen vermaak en lering bij Van Heerden samen, waarbij hij vermijdt al te sterk te moraliseren. Dat mag hij van zichzelf ook niet. In het essay over de essayistiek schrijft hij: «In Nederland heerst een bedrukkende vorm van moralisme. Op zichzelf is er tegen moralisme geen enkel bezwaar. Ik denk dat iedere schrijver moralist is, mogelijk ieder mens. Het moralisme dat ik beschouw als een belemmering voor ieder zinnig debat en daardoor dus als bedrukkend, wordt ingegeven door de angst aan de verkeerde kant te staan.» Die angst maakt het Van Heerden ook moeilijker zijn werk te doen, want het creëert eenvormigheid in zin en onzin, terwijl zijn columns, artikelen en essays er in essentie uit bestaan op een elegante manier zin van onzin te scheiden. Om dat ongebreideld te kunnen doen, moeten beide welig kunnen tieren en niet worden beknot door de gesel van morele uniformiteit, of door iets als «correct» denken.

Bij gebrek aan al te buitenissige onzin in organen en instituties die ertoe doen, richt Van Heerden zijn pijlen in deze bundel vooral op de psychoanalytici. In «De omstreden erfenis van Freud» maakt hij onverbiddelijk korte metten met het symbolisme van de freudianen, terwijl hij in «Psychoanalytisch oordeel over intellectuele prestaties» de bizarre aantijgingen van psychoanalytici aan het adres van filosofen opnieuw in herinnering brengt. Hij vertelt bijvoorbeeld hoe de psychoanalyticus Ludwig Feuer de erfenis van Kant zonder schaamte van tafel veegt door de grote wijsgeer af te doen als een gevoelsarme stakker wiens werk niets anders is dan de intellectuele verdringing van een schrijnend tekort aan sensualiteit. Kants ergernis over een ontbrekende knoop aan een jasje verraadt onmiskenbaar zijn verlangen een vrouw te ontkleden en wanneer de wijsgeer zichzelf in slaap probeert te prevelen met de gedachte aan Cicero, wijst Feuer op de gelijkenis van dat woord met het Duitse Zitze, dat borst betekent en Kants onverwijlde verlangens naar de moederborst voor eens en altijd onthult. Ook Heraclites leverde geen bijdrage aan de westerse filosofie met zijn «alles stroomt, en niets blijft». Het dictum verschafte de oude Griek volgens de psychoanalyticus Lazerowitz slechts de mogelijkheid zijn anale fantasieën te projecteren op de werkelijkheid. Van Heerden: «Panta rhei en diarree liggen volgens Lazerowitz verraderlijk dicht bij elkaar.»

Van Heerden concludeert dat psychoanalytici daadwerkelijk doen wat sociaal wetenschappers zo vaak onterecht wordt verweten. Ze halen hun objecten van studie met hun analyses bewust naar beneden. En dat is ook hun voornaamste doel. Slechts jaloezie en onbegrip zet ze in beweging. De uitkomst van de analyses is steevast dat de theorieën het resultaat zijn van een «getroebleerd gemoeds leven» en fungeren als een «maskerade van een innerlijk conflict».

Aardig is dat Van Heerden in dit essay iets zegt over zijn eigen positie aan de Universiteit van Amsterdam. In interviews erkende Van Heerden dat hij meende als filosoof in de psychologievakgroep niet altijd even hoffelijk te zijn behandeld. Zo werd hij maar geen hoogleraar, tot zijn onvrede en verbazing. Tegen Het Parool zei hij enkele jaren terug: «Mijn ijdelheid verbiedt mij te zeggen dat ik niet goed genoeg ben voor het hoogleraarschap. Ik ben veel beter dan menig hoogleraar. Zeker twintig procent, als het geen dertig is, zou sneuvelen, denk ik, als het tot een herbenoeming komt. Veel hoogleraren zijn talentloos.» Inmiddels is er eindelijk recht gedaan. Over enige tijd (het haalde nog niet eens de achterflap van de nieuwe bundel) mag Van Heerden beginnen als hoogleraar theoretische psychologie aan de Rijksuniversiteit Limburg in Maastricht.

Gelukkig komt de aanstelling waarschijnlijk te laat om Van Heerden te bekeren tot het gortdroge jargon dat zoveel hooggeleerden hanteren. Hij zou er ook zijn eigen regels van de essayistiek mee overtreden, die onder andere voorschrijven dat de essayist moet tonen over literaire kwaliteiten te beschikken. Dat hij daarover beschikt, bewijst hij in deze bundel niet alleen in de verschillende essays, maar vooral in het eenvoudige verhaal «De dochters», waarin hij niets onderwijst of uitlegt, waardoor het docerende toontje ontbreekt dat zijn stukken doorgaans tekent.

Met dit ogenschijnlijke Fremdkörper toont Van Heerden dat dit toontje niet onlosmakelijk is verbonden aan elk woord dat hij op papier zet. Het komt slechts om de hoek kijken wanneer er ook werkelijk iets te onderwijzen valt. En in dat laatste geval blijkt «schools» niet altijd storend. De nieuwbakken hoogleraar toont ook in deze bundel dat «schools» niet altijd een negatieve kwalificatie hoeft te zijn.

Jaap van Heerden

Als 2+2=5, dan 4+4=10: Over samenhang in onzin

Uitg. Prometheus, 143 blz., € 12,95