Damon Galgut bespeelt soepel en trefzeker alle denkbare registers © Retha Ferguson

De nieuwe, zojuist vertaalde roman van de Zuid-Afrikaanse auteur Damon Galgut (1963) heet kortweg De belofte – een herkansing voor wie zijn vier eerdere vertalingen, gepubliceerd tussen 2003 en 2011, heeft gemist. Als het om de verdiensten van literatuur gaat, wordt vaak gezegd dat een gedicht of roman bij de lezer empathische gevoelens opwekt; ik weet niet of Galgut zo’n uitspraak voor zijn rekening zou nemen, wel staat vast dat hij als geen ander in staat blijkt te zijn in het hoofd van allerlei uiteenlopende mensen te kruipen en taal te vinden voor hun meest duistere, tegenstrijdige en verwarde gevoelens en gedachten.

Dat is op zich niets nieuws: het wisselen van perspectief is in de literatuur een beproefde methode om een gebeurtenis van meer kanten te bekijken. Maar dan gaat het doorgaans om perspectiefwisselingen per deel of hoofdstuk; Galgut slaagt erin om een-, twee-, driemaal op één pagina van gedaante te verwisselen, en dat zonder nadrukkelijke regieaanwijzingen. Dat mag je een huzarenstukje noemen, temeer daar in dit polyfone stemmenspel ook nog vaak een haast gelijkwaardig en allerminst hoogdravend woordje wordt meegesproken door niet-menselijke actoren als de wind, de regen, het huis, de wereld, het leven en de tijd.

En toch wordt het nergens een chaos. Als de lezer – deze lezer – even inhoudt om een alinea nog eens te lezen, is dat vrijwel nooit omdat hij de draad is kwijtgeraakt, maar om zich nog eens onder te dompelen in de taalrijkdom van dit proza. Galgut is thuis in alle idiolecten, dialecten en sociolecten uit zijn omgeving, hij spreekt de archaïsche, in marmer gebeitelde, hypocriete taal van de Nederduits Gereformeerde Kerk even vloeiend als die van een kleffe, op de eigen navel gerichte van een gewiekste goeroe. En natuurlijk kent hij de openlijke en bedekte brutaliteiten van het alledaagse racisme, de taal van de vernedering en het geweld, van de schaamte en het verzet, van de woede en de wanhoop.

Op de bodem van de beerput glinstert niet zelden een negatief van menselijkheid

Je zou De belofte met goed recht een familieroman kunnen noemen. Eventueel ook een boerenroman of, op z’n Zuid-Afrikaans, een ‘plaasroman’ – een van de protagonisten in het boek werkt aan zo’n geschiedenis, wel twintig jaar, maar hij komt er na een voortvarend begin niet uit, strandt in kladjes en aantekeningen in de marge, parallel aan de dramatische ontwikkeling van zijn eigen leven en dat van vrijwel alle overige personages. In de ruim dertig jaar die het handelingsverloop bestrijkt, telkens met sprongen van zo’n tien jaar, wordt de situatie er niet beter op. Racisme, corruptie, criminaliteit en armoede lijken onder Mandela, Mbeki en Zuma even uitzichtloos als tijdens Verwoerd. In die omstandigheden zijn beloften zelden meer dan verbale wapens voor gevechten op de kortste termijn.

Behalve voor het dertienjarige meisje Amor, de jongste van drie kinderen van een boerengezin in de omgeving van Pretoria. Zij lijkt de enige die zich aan de algehele morele degeneratie weet te onttrekken. Amor was er getuige van dat haar moeder vlak voor haar overlijden aan haar man heeft gezegd dat hij ‘het scheve huisje’ met omliggende grond aan Salomé moest geven, de zwarte hulp in de huishouding die destijds ‘bij de koop van het land zat inbegrepen’. Amors vader beloofde het. Maar nog voor haar begrafenis is hij dat alweer vergeten, nee hoor, hij heeft nooit iets beloofd, ‘de doden willen niets’. Het is een teken aan de wand dat Amor, die ‘het gewend is behandeld te worden als een vlek’, vlak voor de begrafenis voor het eerst ongesteld wordt, en er daarom niet bij kan zijn. Haar broer Anton, dienstplichtig militair, heeft genoeg van al het geruzie, hij besluit te deserteren. Liftend gaat hij ‘zonnig Zuid-Afrika’ tegemoet.

Tien jaar later en vele illusies armer krijgt Anton een telefoontje. Zijn vader is door een slang gebeten, of hij direct naar huis wil komen, misschien heeft hij aan het sterfbed nog wat laatste dingen te zeggen? Om zijn deel van de erfenis te krijgen moet Anton diep door het stof, hij moet vergiffenis vragen voor een brutaliteit van lang geleden. Maar spijt? ‘U was een alcoholische klootzak tegen mijn moeder voordat u godsdienstig werd en daarna was u een nuchtere klootzak (…). Hoort u me?’

Voor Anton en andere nabestaanden is het vooral vervelend dat vader op een heel ongeschikt moment de geest geeft, namelijk op de dag waarop de Springbokken, het nationale rugbyteam, de finale speelt voor de wereldbeker. Ik suggereerde het al, alleen Amor blijft tot het eind gemotiveerd door de ‘niet-egoïstische aandrift’ (Nietzsche): na 31 jaar doet ze de belofte van haar moeder gestand, Salomé krijgt alsnog het geruïneerde huisje met het schrale lapje grond. De vrouwen omhelzen elkaar. ‘Een van de vreemde, eenvoudige versmeltingen die dit land bijeenhouden’ – en ook in deze roman een zeldzaam moment van ondubbelzinnige ontroering.

Galgut wordt nogal eens vergeleken met zijn beroemde landgenoot Coetzee. Maar Galgut heeft niets van de ijzige monotonie en het rigide moralisme van Coetzee, hij bespeelt soepel en trefzeker alle denkbare registers. De belofte is een tragikomedie, een grotesk pandemonium van machteloosheid, absurdisme en wederzijds immoralisme. Maar op de bodem van de beerput glinstert niet zelden een negatief van menselijkheid. Nee, aan Coetzee heb ik geen moment gedacht. Wel aan een andere schrijver van boerenromans, dicht bij huis. Vooral in de talrijke scènes waarin Galgut zich, down to earth, laat gaan in even pijnlijke als hilarische demasqués, lijkt hij een alter ego van Hugo Claus, van Claus op zijn best.