Het schijnheil van mijn tijd

In 2015 verscheen Regen van schrijver en schilder Michael Tedja (1971). Een uitdagende bundel, die na de romans A.U.T.O.B.I.O.G.R.A.F.I.E. (2003) en Hosselen (2009) en de dichtbundels De aquaholist (2005) en Tot hier en verder (2013) Tedja’s definitieve doorbraak betekende als dichter. De bundel kreeg herdruk na herdruk, de prijzen waren niet aan te slepen.

Helaas, die laatste zin is onwaar. Wat een gemiste kans. Regen was geen flauwe bundel over Nederlandse weersgesteldheden, maar een aaneenschakeling van gedichten waarin de spreker zich probeert los te worstelen van verwachtingspatronen en een in cement gegoten groepsidentiteit, door anderen opgelegd. Het gaat in Regen onder meer over afkomst en racisme (zoals duidelijk blijkt uit de titel, een anagram, en uit de witte letters op het zwarte omslag). De gedichten en beeldgedichten durven abstract te zijn, meerduidig en soms snoeihard. Vaak onverwacht grappig, geen moment vlak of pamflettistisch. Om de lezer tegemoet te komen staan onder enkele gedichten niet te missen vet gedrukte statements als: ‘een neger opnieuw: een neger en nogmaals: een neger maar die laat zich niet opsluiten niet achter tralies van vooroordelen noch in de dwangbuis van etnische solidariteit’.

Ook in Tedja’s nieuwe bundel, Exclusief, spelen schoonheid of liefde nauwelijks een rol – van Francis Bacon hoef je ook geen lieflijke, natuurgetrouwe strandtaferelen te verwachten, daar zijn weer andere kunstenaars voor. Maar wilt u muziek, moet mijn poëzie voldoen aan de zogenaamde wet van meezingbaarheid? Nou, zegt Tedja, dan maak ik er gewoon een liedje van:

hel der hei el der hei pro en in zicht
rob lemen in zicht identiteitsproblemenproblemen
ei roem en problemen i.d. entiteit bloemen
pro in cent iele problemen pin de te lemen
prietproblemen oud er lijk problemen u der ijk leen
kin der lijk e problemen in de rijke problemen

Tedja speelt in Exclusief veel met herhaling; woordgroepen, begrippen en regels keren terug in kleine, veelzeggende variaties. Ook zinspeelt hij op bekende liedjes en frasen, zoals in ‘Tulp’: ‘Kom even met je kop hiernaartoe./ De grip is krom. De grip is recht./ De grip is echt een roeiproces.’ Soms doet hij denken aan stadsgenoot Deelder, zoals in ‘Stem’: ‘Geen ei./ Geen vis./ Geen pin./ Geen cent./ Geen lucht./ Geen entiteit./ Geen bloemen./ Geen visionair./ Geen lemen dak.’ En dan plotseling weer een aforisme als ‘Een cel is een klaslokaal zonder uitzicht op een baan’, in ‘Nieuw’. Of je leest een op het oog maffe definitie, bijvoorbeeld in ‘Dief’: ‘Een designer is een crimineel die zweet./ De stank die hij verspreidt wordt afgedrukt./ Hij gaat slecht gekleed.’

Ondertussen is dit geen nonsensicale poëzie vol hapklare levenswijsheden, integendeel. Deze gedichten gaan onder andere over groepsgedrag, zowel in het dagelijks verkeer als anoniem en online, over misplaatste nationale trots, het koloniale verleden. Evenals in eerder werk trekt de dichter liever in twijfel dan dat hij fixeert, zoals in ‘Duister’:

Mijn hart is mooier en dieper dan zwart.
Ik vind rust in mijn donkere hart.
Mijn hart is uit hout gezaagd.
Mijn hart is met schoolbordverf beschilderd.
Op mijn hart staan woorden met krijt geschreven.
Mijn hart blijft zichzelf.
Mijn hart transformeert zelden.
Ik heb meerdere harten.

Dit gedicht eindigt met de regels ‘Mijn hart frustreert de drang naar verklaring./ Ik word op één hoop geveegd’. Geen opheldering, dat zou de complexe werkelijkheid maar geweld aandoen. Hier spreekt een individu, met meerdere harten, niet te reduceren tot een ‘geval’. Zoals Danez Smith het verwoordt in ‘it won’t be a bullet’: ‘i’m not the kind of black man who dies on the news.’

Geen statistiek dus, juist in een bundel die als een onderzoeksrapport is opgezet, met aan het eind een heuse ‘Conclusie’. Tedja laat in talloze regels en strofes niets aan duidelijkheid te wensen over, zoals in het openingsgedicht ‘Oester’, waarin gesteld wordt dat de ‘inclusieve wereld’ ‘haar relevantie’ verliest als die lijdt aan ‘een geestelijke ervaring’. Alleen in de exclusieve wereld – het populistische, nationalistische landschap – wordt de ‘toekomst niet door derden gefrustreerd’. In ‘Gras’ blijft een zwarte man op het leeggeroofde land achter: ‘Ik ken het eiland zonder natuurlijke bronnen./ Elvis heeft the rock & roll niet uitgevonden.’ ‘Teken’ vangt aan met de volgende, glasheldere regels:

Het schijnheil van mijn tijd valt mij continu aan.
Mijn tijd die opgerekt en overschreden wordt.

De tijd die terug bij af clichés met clichés bestrijdt.
Het is de tijd van vasthoudendheid die zich degradeert.

Kijk waarmee we zijn opgezadeld. Bijvoorbeeld met het erfgoed van Freud, zo stelt ‘Schurk’. En dat terwijl Freud ‘een auto vol rotzooi in de achterbak’ was. Goed beeld! Ook zitten we opgescheept met een misplaatste nationale trots, aldus ‘Oranjeboven’, een soort anti-geschiedschrijving over de Vader des Vaderlands.

Twee door Tedja vertaalde gedichten, ‘Teen’ van de Amerikaanse schrijver en cultuurcriticus Gean Moreno en ‘Pauw’ van de Surinaamse schrijver en dichter Edgar Cairo, besluiten deze formidabele bundel. Je kunt deze gedichten niet zomaar navertellen, taal en vorm maken integraal deel uit van de inhoud. Deze poëzie is spannend, wikt, weegt en desoriënteert. Ze gaat met mij in gesprek en stuurt me op ontdekkingsreis. Een noodzakelijke reis.

Boom

Enkeling, sterveling.

Iedereen is online. Online is iedereen.

Termieten in de boom.
Verdelgers zonder kin komen bijeen.

Nazi’s zonder zin en zonder ID.
Naties zonder kin komen bijeen.
Nazi’s zonder gezicht, zonder zin en idee.

De wereld is aas. Beeld dat uitbeeldt.
Geen verhaal. Slechts taal.

Iedereen neonazi.

Liefdevol beeld. Online is ieder één.