kunst: Wendelien Schönfeld

Het schilderachtige

De houtsnede is de meest stuurse van de grafische technieken, stug en bewerkelijk, en daardoor ogenschijnlijk beperkt in zijn artistieke mogelijkheden. De ets laat meer vrije tekening toe, de reikwijdte van de zeefdruk is weer een stuk groter, om maar te zwijgen van de digitale methodes.

Het lijkt alsof de houtsnede daarom vooral aantrekkelijk is om zijn scherpe, hoekige, staccato vormen, die zich goed lenen voor de expressie van stevige emoties. Dat is te zien in het werk van vooroorlogse kunstenaars als Ernst Barlach, Ernst Ludwig Kirchner, Heinrich Campendonk en Karl Schmidt-Rottluff. Ook in de houtsneden van Wendelien Schönfeld (1950) is die oude expressieve kracht wel te herkennen, bijvoorbeeld in de afbeeldingen van de krasse staketsels en balken van haar gesloopte atelier aan de Sint Jacobsstraat in Amsterdam, die ze in 1998 vastlegde, en ook wel in de strakke geometrie van haar werk uit Berlijn, eind jaren tachtig. Schönfeld heeft de houtsnede van die beperkingen volledig bevrijd en verheven tot een werkelijk schilderachtige, kleurige en ‘herkenbare’ kunst, in de beste zin van het woord: Schönfeld kiest haar onderwerpen in het dagelijks leven, het stadslandschap, de buitenlucht, het portret en plaatst zichzelf in een heel Nederlandse traditie.

Het laat zich niet makkelijk uitleggen hoe dat technisch in elkaar zit. Voor een kleurenhoutsnede zijn verschillende blokken van dezelfde scène nodig, die na elkaar een kleur aanbrengen. Wit moet worden uitgespaard; kleurenvlakken zijn soms zelfstandig, maar soms vallen ze over een ander vlak heen, waardoor mengkleuren ontstaan. Dat is buitengewoon lastig te organiseren, en Schönfeld is er werkelijk virtuoos in. Volgens de inleiding in de catalogus heeft Schönfeld de techniek tot grote eigenzinnige verfijning gebracht; zo legt ze een gebruikt drukblok soms nog eens op de prent. Het schilderachtige zit ’m vooral in de kleuren, natuurlijk, en ook in een fijne hebbelijkheid van de houtsnede dat de opeenvolgende drukken niet precies passen, waardoor er een kleine verschuiving plaatsvindt, een extra randje, alsof de lens niet volledig scherp staat. Zij kan daar alles mee bereiken – het effect van regen buiten de open deur van een koeienstal, de glans van oud visgraatparket in een Frans stadshuis, sneeuw en meeuwen in een Amsterdams kanaal, licht dat stofdeeltjes in een ruimte raakt, een telefoondraad in een herfstlucht.

Het woord ‘traditie’ valt hier dus overal en niet alleen vanwege de virtuoze beoefening van een mooi oud ambacht. Een grafische weergave van een schrijvende man in een interieur – Carel Peeters - is Hieronymus getiteld waarmee een verwijzing naar Albrecht Dürers gravures van dezelfde figuur wordt gemaakt. Een setje fijn getroffen kleine beelden, houten portretten, zouden zijn geïnspireerd door middeleeuws houtsnijwerk. Daar hangt iets Rien Poortvliet-achtigs in de lucht, en dat is geen belediging: Poortvliet was immers óók van die generatie, die een broertje dood had aan de ideologische hemelbestormerij van de toen-moderne kunst. Poortvliet vatte zijn hang naar traditie en ambacht in een gereformeerde nostalgie die bijna vooroorlogs bruin was, soms.

Het Rembrandthuis heeft zich eerder al opgeworpen als hoeder van ‘oude’ technieken, en dat is een mooie rol, lijkt mij. De tentoonstelling en de zeer fraaie catalogus worden hier verder gesteund door de Hercules Seghers Stichting, genoemd naar de man die in de zeventiende eeuw als een van de zeer weinigen de kleurenets beoefende. Ook al zo’n ondergeschoven kindje.


Wendelien Schönfeld, Houtsneden. Rembrandt­huis Amsterdam, t/m 30 september. www.rembrandthuis.nl