De Montessori van onze tijd

Het schooltje voor ouders

Een revolutionaire nieuwe methode heeft zich in alle stilte in Italië ontwikkeld. De ‘Tempo Lineare’-schooltjes van Patrizia Pasquini stellen niet het kind, maar de ouder centraal. Want de opvolger van Maria Montessori ziet in de ouder van vandaag het grote probleem.

Foto van een oud-­student van Patrizia Pasquini in het schooltje in de wijk Testaccio, 2 mei

De schooltjes liggen als kleine Hans-en-Grietje-huisjes op de binnenplaats van enorme huizenblokken in het hart van de Romeinse volkswijk Testaccio. Ze zijn identiek, met het opschrift ‘Casa dei Bambini’ (Het huis van de kinderen) in negentiende-eeuwse letters gegraveerd boven de entree. Maria Montessori kon in 1907 haar eerste ‘Casa dei Bambini’ openen in een soortgelijk wooncomplex in een andere volkswijk, San Lorenzo, dankzij de grote ontwerper van de sociale woningbouw in Rome, ingenieur Edoardo Talamo.

Aanvankelijk had hij haar het schooltje op de binnenplaats gegund, omdat op die manier de kinderen van de allerarmsten tenminste geen schade zouden aanrichten in zijn fonkelnieuwe appartementen, terwijl hun ouders van ’s ochtends vroeg tot zonsondergang het geld ergens bijeen moesten schrapen. Maar al snel snapte hij dat Maria Montessori wat anders was dan een kinderjuffrouw die de straatschoffies van de armen zoet hield. Ingenieur en senator Talamo zag en begreep met welke revolutie in het onderwijs voor de allerarmsten ze bezig was, hij hoopte dat het op meer plekken in Rome zou gebeuren. En dus liet hij ook in de wijk Testaccio vast twee Huizen van de Kinderen aanleggen op de binnenplaatsen van zijn revolutionair goede wooncomplexen voor de armen, in de hoop dat het Montessori-systeem zou volgen.

Edoardo Talamo stierf in 1916. Hij heeft nooit geweten dat de methode-Montessori in de vorige eeuw door alle Italiaanse regeringen is gedwarsboomd, want eerst niet fascistisch, toen weer niet katholiek, want niet controleerbaar en dus ‘gevaarlijk’. De wereldberoemde onderwijsvernieuwer Maria Montessori stierf in 1952 in Noordwijk op haar 81ste, praktisch genegeerd in eigen land, een grootheid in de rest van de wereld en zeker in Nederland. En in Noordwijk ligt ze ook begraven, want ze wilde Italië niet de eer van haar graf gunnen. Zij heeft dus nooit geweten hoe deze twee Casa dei Bambini’s aan het eind van de vorige eeuw zijn herontdekt door een vrouw die haar waardige opvolger is, bedenker van opnieuw een revolutionair onderwijssysteem, eveneens stilgehouden in Italië.

Patrizia Pasquini (65) is ook ongemakkelijk, eigenwijs, onverzettelijk; een natuurlijke vijand van het Italiaanse Gattopardo-systeem met zijn door de eeuwen heen uitgeslepen techniek om mensen met nieuwe ideeën in te kapselen en onschadelijk te maken. De revolutie van Patrizia Pasquini, kinderpsycholoog, is dat ze de schijnwerpers in de opvoedkunde heeft omgeklapt: bij haar staan ze niet gericht op ‘de ontdekking van het kind’, zoals bij Maria Montessori, maar op de ontdekking van de ouder. En dat is een enorm proces, waaraan de ouders van haar schooltje zich vrijwillig overleveren.

Je merkt het meteen bij het betreden van haar prachtig gerestaureerde schooltje, waar ouders met kruimeltjes tussen de nul en drie op de arm of wankelend aan het handje binnen komen druppen. Eerst gaan in het voorportaal de schoenen uit, zowel van de kleintjes als van de ouders. Het gaat allemaal heel langzaam en gezellig: ga maar even zitten op het bankje lieverd, wil je zelf je schoentjes uitdoen of zal de juf het doen? O, liever mamma of papà, ook goed. Als iedereen sokken en sokjes met antislipnoppen aan heeft, verdwijnen kinderen en ouders naar één van de twee lokaaltjes en suite; links de twee- en driejarigen, rechts de baby’s en de net lopenden.

Lokaaltjes is niet echt het woord, meer een grote gezellige huiskamer, met deuren en suite, waartussen de regisseursstoel van Patrizia staat opgesteld, zodat zij links en rechts kan kijken hoe nieuwbakken ouders het doen met hun kleintjes. Ze gaan allemaal zonder uitzondering volkomen uit hun dak als de rijzige gestalte van ‘Patriziaaaaaa!’ uit haar kantoortje komt. Zij komt om het bezoek te halen, de journalist, maar als ze ziet dat ik de Nederlandse vader met de verwarrende naam Mario Baas al heb ontdekt, laat ze ons even gaan en bemoeit zich met het installeren van kinderen en ouders over de twee ruimtes.

De Nederlandse Mario komt zijn derde zoontje Noah (twee jaar) vandaag begeleiden. Alle drie de jongetjes zijn ‘bij Patrizia geweest’. De oudste van tien zit nu op een reguliere basisschool, het broertje van vijf zit op het andere schooltje hier om de hoek voor de leeftijd drie tot zes. ‘Het is voor ons een hele opoffering’, zegt Mario, ‘want wij wonen hier best ver vandaan, Monteverde Nuovo.’ Dat betekent dus door de ochtendfiles van Rome, een onvindbare parkeerplaats zoeken, en aantreden om half tien, want punctualiteit is belangrijk. ‘Het is het zo ontzettend waard geweest. Ik durf te zeggen dat we het zonder Patrizia niet hadden gered. Ze heeft ons alles geleerd, ook eigenlijk over onszelf.’

Mario is gids in Rome, met het officiële ‘pattentino’ waar je een zwaar staatsexamen voor moet afleggen. Later vertelt Patrizia Pasquini met een vertederde glimlach: ‘Toen Mario hier met zijn derde zoontje kwam, dat veel te vroeg geboren was, had hij een bloem in zijn hand. Die gaf hij aan mij. “Omdat u van mij een vader hebt gemaakt”, zei hij. Dat zijn de dingen waarvoor je het doet.’

‘Toen Mario hier met zijn derde zoontje kwam, gaf hij mij een bloem. “Omdat u van mij een vader hebt gemaakt”, zei hij. Dat zijn de dingen waarvoor je het doet’

Het revolutionaire van haar systeem is dat het niet specifiek voor ouders met probleemkinderen bedoeld is, al komen die ook af op haar faam, die zich onder de Romeinse hogere, maar ook lagere kringen heeft verspreid. De ouders die zichzelf en hun kinderen naar de ‘Tempo Lineare’-schooltjes van Patrizia Pasquini brengen zijn ‘genereuze ouders’, zoals zij het zegt. ‘Het zijn ouders die bereid zijn om gedurende een aantal jaar een belangrijk deel van hun tijd in te ruimen voor het leren kennen van hun kind, want dat is wat ik doe: ouders hun kind leren kennen. Het is de eerste stap, hij is fundamenteel. Je psychisch gekend voelen is de basis voor alles. Het geldt voor ons groten, het geldt voor wie net aan het leven begint. Wie is mijn kind?’

‘Het feit dat ik zo geïnteresseerd ben in hoe een kind ligt te slapen, in wat het als eerste pakt als speeltje, in hoe het zich beweegt door onze ruimte, is voor de ouders ook een soort trigger. God, is mijn kind zo interessant, dat die gestudeerde mevrouw Patrizia er zo goed naar kijkt? En wat ziet ze dan? Je moet mensen eigenlijk verleiden om ze nieuwsgierig te maken naar hun kind, want gek genoeg, dat zijn ze vaak helemaal niet. Ze zijn alleen bezig met hun eigen projecties op het kind. Maar wie het nou eigenlijk is, dat figuurtje dat ze hebben gekregen, geen idee. Weten ze ook niet van zichzelf hè.’

Beelden uit de documentaire van Franco Angeli, een voormalige scholier van Tempo Lineare

Er verschijnt even een ondeugende ooglach. Onmiskenbaar heeft ze een groot charisma, net als Maria Montessori. Ook het op het eerste gezicht norsige, afstandelijke. Patrizia Pasquini is, net als Maria Montessori, helemaal geen lieve poezelige mevrouw die alle kindertjes wil knuffelen. Zij zoemen op haar af als bijen naar honing, zij houdt de touwtjes strak in handen. Even aandacht, dan weer terug naar je plek en door met je werkje. Niet te veel geplak, we werken geconcentreerd en in stilte.

Als ik voorzichtig vraag in hoeverre haar systeem voortbouwt op dat van Montessori zegt ze lachend: ‘We zijn verdorie in dezelfde plaats geboren, Chiaravalle bij Ancona. Ik besef dat het vergelijk onontkoombaar is, want Chiaravalle is nu niet direct een wereldstad. Net zo’n beetje als dat alle goede vioolbouwers uit Cremona moeten komen, de plaats van Stradivari. Maar Montessori en ik zijn beiden al op heel jonge leeftijd met onze ouders naar Rome verhuisd, we zijn in de grote stad gevormd. Ik heb in Rome en in Londen gestudeerd, Maria Montessori was de eerste Italiaanse vrouw die in medicijnen mocht afstuderen en ze had de Nobelprijs verdiend. Dus niet echt twee boerendochters uit Chiaravalle, zeg maar.’

Ze lijkt een beetje huiverig voor het vergelijk met Montessori, en later legt ze uit waarom: ‘Mijn grootste angst is dat mijn systeem straks, als ik over hooguit twee jaar met pensioen ga, zal verwateren en verdwijnen, net als bij haar is gebeurd. Ik ben nu twintig jaar bezig hier in Rome, ik heb kinderen van vele belangrijke politici in mijn schooltje gehad, want als het thuis niet lukt, weten ze je wel te vinden. Wie hier allemaal op de hurken heeft rondgekropen, ik zal het niet verklappen, maar geloof me: hele groten van de Italiaanse politiek, hoge pieven uit het Europarlement. En toch heeft niemand van hen ooit een vinger voor me uitgestoken. Ik maak met pijn en moeite deel uit van het Romeinse schoolsysteem, ik ben een officiële, openbare instantie. Maar ik krijg het salaris van een leerkracht van de lagere school, terwijl ik twee schooltjes leid, kinderpsycholoog ben, en ontelbaar veel extra uren steek in ouders, want dat is mijn uitgangspunt: de ouder. Ik heb een nieuw, nergens anders bestaand systeem ontwikkeld en ik word door het gemeentebestuur betaald als een kleuterjuf.’

De Tavistock-methode

Patrizia Pasquini heeft zich gespecialiseerd in kinderpsychologie aan het Martha Harris-Centrum in Rome en aan het Tavistock Institute of Human Relations in Londen. Ze is lid van de Londense Tavistock Society of Psychotherapists. Het Tavistock-systeem is gebaseerd op ‘het observeren van de ontwikkeling van een kind binnen de relatie met zijn ouders’.

In 2014 publiceerde de gespecialiseerde Engelse uitgever Karnac het boek over haar methode: Being Present for Your Nursery Age Child: Observing, Understanding, and Helping Children. Patrizia Pasquini schreef het samen met de Tavistock-kinderpsycholoog Jeanne Magagna.

Bij de presentatie van het boek in de Italiaanse senaat roemde de toenmalige president Giorgio Napolitano dit ‘wereldwijd unieke model van kinderopvoeding en observatie’. De drie zonen van voormalig premier Enrico Letta (2013-2014) hebben de Tempo Lineare-schooltjes samen met hun ouders doorlopen. ‘De premier die hier op de binnenplaats voetbalde met de slager van Testaccio was een persoonlijke voldoening voor mij’, is het enige dat Patrizia Pasquini erover kwijt wil.

De ‘lineaire tijd’, zoals haar systeem heet, zijn de essentiële jaren van nul tot zes jaar. De ‘zachte jaren’, noemt ze ze, waarin alles nog zacht is aan de psyche van het kind, en waarin je enorme verschillen kunt maken voor een al dan niet gelukkige, harmonische ontwikkeling. Er is niet één recept, het wordt per kind en per ouder bekeken. Dat is de basis van haar systeem: kíjken. ‘Maar kunnen kijken, dat is een heel grote kunst’, zegt ze met haar diepe, doorrookte stem. ‘En ik verlang absolute concentratie van de ouders, telefoontjes en andere communicatiemiddelen met de buitenwereld staan hier uit. Dat is al een hele strijd, maar de concentratie in een ruimte wordt direct verstoord als iemand wat anders gaat zitten doen.

Het is een leerschool voor de ouders, want de kinderen, die hoef je eigenlijk niet zo veel te leren. Kijk gewoon wat ze doen. Bied je aan, maar ook weer niet te veel. Laat ze zelf rommelen, ieder in zijn eigen ritme en tijd. De resultaten zijn verbijsterend; problemen verdwijnen, ieder vindt zijn eigen stem, zijn eigen manier van zijn.’

Een systeem kun je alleen uitleggen aan de hand van concrete voorbeelden. Kleine dingen die heel groot zijn. ‘Ik heb hier nu een moeder met een tweeling van zes maanden, een jongetje en een meisje. Zij kwam hier ongeveer kruipend van ellende binnen, helemaal kapot, de kinderen huilden voortdurend, zij gaf ze borstvoeding, maar ze zag eigenlijk niet hoe ze deze klus zou gaan klaren. Het probleem bij een tweeling is niet zozeer dat het er twee zijn, alswel dat ze voortdurend bezig zijn met wie de aandacht krijgt. We hebben samen een schitterend traject doorlopen, het zijn nu twee opgewekte, actieve kinderen die prachtig op schema liggen in hun ontwikkeling. Huilen doen ze niet meer, ik zal het u straks laten zien, de moeder is intelligent geweest. En het kost haar veel hè, want ze is freelancer, haar man ook, ze moeten het juist hebben van de weinige tijd die overblijft. Maar mijn schooltje is geen dumpplaats voor kinderen, het is een traject om elkaar te leren kennen waarbij de aanwezigheid van de ouders logischerwijs onmisbaar is.’

‘Dit is een geredde ziel. Ik hoop zo ontzettend dat ze als ze in september naar de lagere school gaat een beetje wordt gezien. Ze verdient het zo’

Voordat we naar het andere schooltje gaan, dat om de hoek ligt, mag ik nog even kijken naar de moeder van de gelukkige tweeling, die probeert te kruipen. Inderdaad twee heel tevreden, actieve baby’s, die zich lachend om laten vallen in de kussens op de grond en het weer opnieuw proberen. In het halletje schiet een moeder met baby op de arm haar nog even aan: ‘Patrizia, kunnen we een dezer dagen even praten over Sebastiano?’ Ze kijkt de moeder streng aan: ‘Praten moeten we zeker, maar of Sebastiano het onderwerp wordt is nog de vraag.’ Beng, en ze loopt door.

Buiten zegt ze: ‘Deze moeder doet het niet goed. Ze luistert niet. En dan kun je hier drie ochtenden in de week nog zo je best doen, als je in het thuistraject alles weer laat vieren wat we hier nu net op gang hebben gebracht, schiet het niet op. We hoeven niet te praten over Sebastiano, we moeten praten over haar.’

Beelden uit de documentaire van Franco Angeli, een voormalige scholier van Tempo Lineare

Je moet er als ouder maar tegen kunnen. ‘Er zijn ook ouders die hier weglopen als Patrizia ze aanspreekt op hun gedrag. Vaak zijn dat de ouders met echte problemen, met hun kind en in hun relatie onderling’, weet Mario. Eerder had Patrizia verteld over de ‘verderfelijke mode onder de Romeinse upperclass om de kinderen tot twee, tweeënhalf aan de borst te houden’. Helemaal verkeerd, vindt ze, je kweekt er grote verwarring mee; psychisch verstoorde, slappe kinderen die enerzijds al lang in een andere levensfase zitten waarin de confrontatie met de anderen begint, ‘maar thuis, gelijk keizer Nero, aan de tiet mogen lubberen wanneer ze maar willen’.

Als we het andere schooltje om de hoek binnenstappen, explodeert een zo mogelijk nog enthousiastere reactie op haar entree. Het volkje van drie tot zes stuift onmiddellijk overeind om de stoeltjes in een halve kring rond de stoel van Patrizia te schuiven. Want het is het moment van het sprookje van de dag, het lievelingsmoment. ‘Even normaal doen!’ roept ze boven de opgewonden stemmetjes uit, ‘we zijn hier niet met z’n honderden, gewoon één stoeltje per kind, nee, zet die maar weer terug.’

Voor ze aftrapt vraagt een meisje dat keurig met haar vingertje omhoog zat: ‘Wat heb jij gedaan in de paasvakantie, Patrizia?’ Ze legt het boek terug in haar schoot en zegt: ‘Kijk, dat is nou een goede vraag. Marta wil weten wat ik heb gedaan in de paasvakantie. Dat is aardig van Marta, want ze had ook meteen kunnen beginnen met vertellen wat zíj wel niet allemaal heeft gedaan. Nou, ik was aan de zee, bij Ancona, in de plaats waar ik geboren ben, Chiaravalle. En jij, Marta, wat heb jij gedaan?’ ‘Wij hebben ezeltjes gereden bij Spoleto’, zegt Marta, ‘maar eigenlijk was ik triest.’ ‘Ach’, zegt Patrizia, ‘waarom was jij triest?’ Marta laat haar hoofdje zakken: ‘Omdat jij er niet was’, zegt ze zacht. Patrizia glimlacht en zegt niets.

Later, als de kinderen bezig zijn met een tekening over wat van het sprookje is blijven hangen, zegt ze met gedempte stem: ‘Marta kwam hier binnen en kon alleen maar stotteren. Er is een filmpje van haar en mij, waar ze woedend op me wordt, omdat ik van haar vraag me gewoon antwoord te geven. Het is een heel intelligent en gevoelig meisje, thuis gemangeld tussen twee zussen. Als je haar nu in schitterende volzinnen hoort praten, als je ziet hoe genereus ze is voor andere kinderen, hoe ze ze spontaan helpt met tekenen, dan ben ik heel trots. Dit is een geredde ziel. Ik hoop zo ontzettend dat ze als ze in september naar de lagere school gaat een beetje wordt gezien. Ze verdient het zo.’

Een jongetje met een vuurrood eczeem op zijn wangen komt haar zijn tekening laten zien. Ze kijkt aandachtig en prijst zijn geometrische samenvatting van het sprookje. Dan kijkt ze hem aan en vraagt: ‘Waarom ben je zo kwaad, lieverd? Wat is dat toch, op die wangen van jou? Gaan we daar eens samen over praten? Want misschien kunnen we het oplossen zonder allemaal vieze medicijnen. Wil je dat?’ Hij kijkt haar even ernstig aan en knikt: ja. ‘Een gouden kind’, zegt ze, terwijl hij terugloopt naar zijn plaats, ‘hij snapt alles’. Wanneer de vader, een tamelijk nerveus ogende man met duidelijke haast, hem om half twee komt ophalen, antwoordt ze op zijn vraag ‘En, heeft hij het goed gedaan vandaag?’ met een rustig lachje. ‘Hij doet het altijd goed, dat weet je. Maar ik heb met hem afgesproken dat we het samen eens gaan hebben over die uitslag op zijn wangen. Dat wilde hij wel.’ Je ziet aan de vader dat hij het niet graag wil horen. Maar hij antwoordt gedwee: ‘Ja, dat is erg hè, die uitslag. Wij snappen het ook niet.’

De ouders van de groep drie- tot zesjarigen zitten niet iedere dag in het klasje. Zij worden eens per week verwacht om een ochtendje mee te draaien, en verder is er eens in de maand een zaterdagochtendsessie voor ouders, waarin iedereen over de ontwikkeling van zijn kind vertelt. ‘Het is heel belangrijk dat we hier een niet-oordelende, veilige houding aannemen’, zegt Patrizia. ‘Hier, tenminste hier, mag je komen met je twijfels, met je angsten, ja zelfs met je irritatie over je kind. Niet ieder kind past bij zijn ouders hè. Maar dat je het mag zeggen, scheelt. En dan kunnen andere ouders vaak helpen, pas in laatste instantie ik. Als je kind je irriteert, waar ligt dat dan aan? Is het je onvermogen om hem te snappen? Of doet hij je te veel aan jezelf denken, wat vaak het geval is. En zullen we dan proberen om eerst eens onszelf te vergeven – wie weet komt dan de ruimte vrij om je kind te zien, die arme ziel, die alleen maar geboren is en probeert het te snappen.’

Zelfs autistische kinderen kunnen in de eerste levensfase heel belangrijke stappen zetten, zegt ze een beetje beschroomd. ‘Het is het grote item van vandaag, dat zal in Nederland ook wel zo zijn. Eén op de 64 Italiaanse kinderen wordt autistisch geboren in deze tijd. Een gigantisch aantal.’ En waar ligt dat aan, vraag ik. De kip-ei-kwestie: vroeger was autisme een minder benoemd en gekend fenomeen, vandaag is het een onmiddellijk stempel. ‘Moeilijk’, zegt Patrizia Pasquini, ‘ik zie het inderdaad onmiddellijk, bij een baby al. Maar ik zie ook de mogelijkheden. Je kunt ontzettend veel doen voor een kindje dat een eh… een fragiele ontwikkelingsstructuur heeft. Zeker in het begin, dat kan een groot verschil maken. Autisme heeft een gigantisch wijd spectrum, per kind ligt het anders. Maar het is gevaarlijk om te zeggen, want voor je het weet ben ik een idioot die beweert dat je autisme kunt genezen. Dat bedoel ik dus niet.’

Uiteindelijk, als ik haar nog een keer mag terugbellen voor een laatste vraag, komt ze zelf terug op Maria Montessori. ‘Ik denk dat zij zich richtte op de problemen van haar tijd, en omdat ze zich richtte op de kinderen van de armen, was dat vooral ruimte creëren voor een kind om een individu te mogen worden. En om de moeders de kans te bieden uit werken te gaan. Ook ik richt me op de problemen van onze tijd. Maar die zijn totaal anders. Vandaag richten ouders zich obsessief op het scorebord van hun kind, zonder zich af te vragen wie het eigenlijk is. En mensen zijn op een andere manier fragiel, maar wel heel fragiel. Ik hoop dat ik in de fragiliteit van vandaag een steuntje kan zijn aan het begin. Want wie goed begint, maakt een kans in de immense verwarring van vandaag.’