Philip Roth en het ouder worden

Het schrijven is ten einde

Hoewel Philip Roth’s laatste romans aftakelingsromans zijn, vormen ze geen deprimerende literatuur. Alter ego Nathan Zuckerman: ‘Misschien worden de grootste ontdekkingen wel voor het laatst bewaard.

Medium 18477163

Er bestaat een soort paniek die met de leeftijd komt. Philip Roth legt het een van zijn personages in The Humbling (2009) in de mond, de agent die toneelacteur Simon Axler weer aan het spelen moet zien te krijgen. Axler, zestiger, een van de belangrijkste acteurs van zijn generatie, is bevangen door faalangst na een fiasco met een _Macbeth-_vertolking. Hij weet het zeker: hij is zijn magie kwijt. De vonk is gedoofd. Zijn agent kan redeneren en soebatten (‘Hoor eens, iedereen kent dat gevoel van “ik kan het niet”, iedereen kent het gevoel dat hij tegen de lamp zal lopen’), maar Axler houdt het voor gezien. Nooit meer toneelspelen. Prospero’s woorden malen door zijn hoofd: ‘Het spelen is ten einde. Deze spelers –/ Ik zeide ’t u te voren, – waren geesten/ en smolten weg tot lucht, tot ijle lucht.’

Het schijnt dat sinds vorig jaar oktober Roth iedere ochtend naar het geeltje kijkt dat hij op zijn computerscherm heeft geplakt. ‘De worsteling met het schrijven is voorbij’, heeft hij daarop geschreven. Iedere keer is hij opgelucht als hij dat leest. Na The Humbling verscheen nog Nemesis, in 2010, opnieuw een duntje, en toen vond hij het genoeg geweest. Hij verkeert in uitstekende gezondheid, dank u. Maar hij heeft gezegd wat hij wilde zeggen. Hij ziet op tegen weer het gezwoeg dat het schrijven van een nieuw boek met zich meebrengt. En o ja: hij zegt te weten niet meer zo goed te schrijven als vroeger.

Over dat ‘niet meer zo goed’ valt te twisten, al komen we waarschijnlijk nooit te weten waarop Roth allemaal nog vergeefs heeft zitten broeden, wat er weggegooid is, wat nog in de la ligt. Wel is duidelijk dat het laatste decennium van zijn schrijverschap een ander soort romans voortbracht, meer gecomprimeerd en rechtlijnig, en schijnbaar sterker gedreven door een ‘confessional urge’ zoals criticus James Wood het formuleerde in The New Yorker na het verschijnen van Exit Ghost. Nu was Roth er altijd wel een meester in te schrijven alsof hij je iets dringends en intiems mede te delen had, en daar tegelijkertijd een spektakelstuk van te maken, maar die kunst spitste zich vanaf The Dying Animal toe op een duidelijk begrensde thematiek: het drama van de aftakeling. In het licht van Roth’s zelfgekozen afscheid van het schrijvende bestaan laten zijn romans van het afgelopen decennium zich lezen als een voorbode van dat afscheid. Wat er ook ‘écht’ met Roth aan de hand moge zijn, en of er meer is dan vermoeidheid, in zijn meest recente fictie is hij alle mogelijke demonen van het ouder worden onder ogen gekomen: incontinentie, operaties, vergeetachtigheid, depressie, suïcidaliteit, tot en met daadwerkelijk sterven aan toe.

Ik ben niet zo goed in fantaseren, zei Roth in het laatste interview dat hij gaf in november, in The New York Times. Ik spring een paar keer op en neer op de springplank en dan duik ik in het water van de fictie. Altijd moet ik in het echte leven beginnen om de fictie met leven te doordrenken.

Misschien is dat ook de reden dat de ouder wordende mannen in The Dying Animal (2001), Everyman (2006), Exit Ghost (2007) en The Humbling (2009) ondanks de omstandig beleden wanhoop over hun tanende viriliteit en veroveringskracht, nooit zielige sukkels worden. Daarvoor oogt hun schepper, die man met de borende blik en de fiere torso op de achterflap, domweg te onveranderlijk soeverein. En tegelijkertijd toont deze zich nooit verheven boven zijn personages, waardoor hun lijden ook echt, voorstelbaar lijden wordt.

De ouderdom is een gevecht, constateert de verteller in Everyman. Als het niet het een is, dan is het wel het ander. Het is een meedogenloos gevecht, juist als je op je zwakst bent en het minst in staat om als vanouds partij te geven.

In Everyman, in Nederlandse vertaling uitgekomen als Alleman, is het een schilder die rond zijn zeventigste tegen zijn eigen middelmatigheid slash belachelijkheid aanloopt. Na bijna driekwart eeuw geleefd te hebben, grotendeels verzekerd geweest van vrouwelijke aandacht, moet hij nu constateren dat zijn productieve, actieve manier van leven voorbij is. Hij is op een punt aangekomen waar hij nooit van had gedroomd. Hij heeft niet meer de viriele allure van de productieve man. Hij is alleen maar bezig minder te worden, de doelloze dagen uit te zingen, de lichamelijke aftakeling machteloos te ondergaan, te wachten op niets. Net als ontelbare andere bejaarden die zich dood generen voor hun toenemende afhankelijkheid. Maar anders dan die ontelbare anderen moet hij ook nog eens, gezeten in zijn bibliotheek, bladerend door zijn kunstboekenverzameling, schilderlessen gevend aan zijn medebejaarden, het waanidee van zijn kunstenaarschap los zien te laten. Hij moet in de spiegel durven kijken en tot de slotsom komen dat hij niet meer is dan een hopeloos lachwekkende amateur. Hier draait het dus op uit, denkt hij. Dit is wat je niet kon weten. Oud worden is geen strijd, oud worden is een slachting. Alle strijdlust die hij ooit voelde, de illusies die hij koesterde over eigen vermogen, maken plaats voor een kolossale neerslachtigheid. De strijd een onbetwistbare man te blijven is door hem verloren. De tijd heeft zijn lichaam veranderd in een pakhuis van kunstmatige onderdelen, bedoeld om hem aan de gang te houden.

Ik ben een oplichter, denkt ook acteur Simon Axler uit The Humbling. Het draait allemaal om bedrog, je reinste bedrog, zo onontkoombaar dat ik alleen nog maar op het toneel kan staan om tegen het publiek te zeggen: ik ben een leugenaar. En zelfs liegen doe ik niet goed.

Opwekkende literatuur indeed. Roth schrijft geen als roman vermomde klaagzang, geen als klaagzang vermomd essay, en ook niet een als memoir vermomde roman. Die ‘confessional urge’ moge zich sterker dan ooit laten voelen, dat is wat anders dan dat Roth opeens zijn kunstigheid zou laten varen. Net als in zijn grote romans American Pastoral en The Human Stain speelt de schrijver met zijn vertelperspectief, maakt hij verrassende sprongen in de tijd, doorbreekt hij vormconventies. De vitaliteit van zijn fictie staat wat dat betreft haaks op die van zijn personages. Maar buiten dat, en een even belangrijke reden waarom zijn aftakelingsromans geen deprimerende literatuur vormen, is dat de pijn om de aftakeling bestaat bij gratie van de liefde voor het leven, de jeugd, de familiebanden, de seks. Nergens wordt juist de liederlijke lust, het onbedwingbare verlangen naar het vleselijke bestaan, zo geëvoceerd als in deze laatste romans. Wat kan ik eraan doen, verzucht de immer geile literatuurdocent David Kepesh in The Dying Animal, dat er niets maar dan ook niets tot rust komt, hoe oud een man ook is? Bijkomende prettigheid van Roth, al is dit een ernstig buitenliterair argument, is dat hij zijn zestigers en zeventigers weliswaar onverminderd hijgend laat loeren naar al die voorbij joggende meisjes, met hun vrolijke paardenstaarten en kleine broekjes, maar ze a) nooit hun eigen leeftijd laat vergeten en b) van vrouwen in het algemeen laat blijven houden. Als dezelfde David Kepesh een vriendin van vroeger tegen het lijf loopt, 22 jaar later en vijftien kilo verder, raakt hij opnieuw in haar ban. Hij beseft: Carolyn, de bloem van twintig, voorzag je van stuifmeel; Carolyn van 45 bewerkte je als een akker.

Ik heb besloten mezelf op te geven, zegt Nathan Zuckerman in Exit Ghost tegen de dertigjarige Jamie voor wie hij als een blok is gevallen. Wat bedoel je daarmee? vraagt zij. Precies wat ik zeg, antwoordt hij. Zij: Ik begrijp je niet. Hij: En dat zul je ook niet.

In Exit Ghost ontdekt Zuckerman twee dingen. Allereerst dat hij lijdt aan toenemende vergeetachtigheid. Zozeer dat de schrijver verwordt tot een zinloze figuur. Bij zijn laatste boek al dacht hij dat dit waarschijnlijk zijn laatste poging was om naar woorden te blijven zoeken die hij kon samenvoegen tot de zinnen en alinea’s van een boek. Iedere dag moest hij vechten tegen het gevaar van onsamenhangendheid. Toen hij klaar was, zat hij met een manuscript dat voltooid was maar niet goed. Wat te doen? Hij dacht aan Hemingway en Faulkner, wat die deden toen ze een verval van hun vermogens constateerden. Hemingway legde het manuscript in een la, Faulkner publiceerde het toch. Zuckerman volgde Faulkners voorbeeld. Inmiddels heeft hij een nog zwaardere strijd te leveren. ‘Het is niet eens meer de vraag of ik me na een dag of twee nog de bijzonderheden van het vorige hoofdstuk kan herinneren, maar of ik, ongelooflijk maar waar, na een paar minuten nog ongeveer weet wat er op de vorige bladzijde staat.’

En het tweede wat hij ontdekt: dat hij nog steeds in de ban kan raken van een vrouw, simpelweg bij de aanblik van de sweater die ze draagt, de ruime hals. Dat de illusie opnieuw te kunnen beginnen kennelijk onverwoestbaar is, de dwaze hoop op herstel ononderdrukbaar. ‘Ik liet haar mijn ogen binnenkomen zoals een degenslikker een degen slikt.’ Dat hij met andere woorden op zijn 71ste leert wat het is om geestelijk gestoord te zijn. Kennelijk was het proces van zelfontdekking nog niet afgesloten. Houdt het dan nooit op? ‘Misschien worden de grootste ontdekkingen wel voor het laatst bewaard.’

Als hij op een bankje in Central Park zit, gewoon maar te zitten met dat zeventigjarige feilbare lichaam, incontinent en stinkerig, denkt hij: ik had ook een jongen van veertien kunnen zijn op die bank, aan niets anders denkend dan het nieuwe meisje dat op de eerste schooldag naast me had gezeten.


The Humbling, € 9,95
De vernedering, € 12,50
The Dying Animal, € 11,50
Een stervend dier, € 10,00
Everyman, € 12,50
Alleman, € 12,50
Exit Ghost, € 9,50
Exit Geest, € 12,50

Beeld: Fred R. Conrad / The New York Times / HH