Het schuine en het schoner

Geoffrey Chaucer, De Canterbury-verhalen. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Ernst van Altena. Ambo/Baarn, 696 blz, f99,-
DE CANTERBURY Tales van Geoffry Chaucer zitten op verschillende manieren in onze hoofden gegrift: in de vorm van teksten en in de vorm van beelden. De oorspronkelijke tekst van circa 1478 onttrekt zich in tijd of door de grote varieteit aan handschriften het meest aan de hedendaagse blik. Bovendien zijn er sindsdien diverse Engelse vertalingen overheen geschreven. De beelden die voor het hedendaags geestesoog verschijnen, kennen we vooral uit de film van Pasolini, I racconti di Canterbury (1971). Je gelooft van Pasolini ogenblikkelijk dat de middeleeuwers vier vormen van dronkenschap onderscheidden: zo zat zijn als een lam, als een aap, als een leeuw of als een varken.

De ene vertaling lokt de andere vertaling uit, literatuur leeft voort door vertaling: in films, romans, studies en onbeduidende recensies als deze. Literatuur leeft ook voort door vertaling in de eigenlijke zin van dat woord. Twee generaties terug stonden in veel vaderlandse boekenkasten de drie delen die H. D. Tjeenk Willink & Zoon tussen 1930 en 1933 uitgaf en die tot de verbeelding spraken door de voorbeeldige bezorging en meer nog door het feit dat de scabreuze passages er allerminst in overgeslagen werden. Waar de tekst apocrief werd, hielpen voetnoten waarin de dubieuze tekst alsnog werd opgenomen: authentiek rijmend en metrisch verantwoord. De vertaler en bezorger, A. J. Barnouw, had zich al geruime tijd met Chaucer beziggehouden. Zijn vertaling hoort bij de Nederlandse literatuur, misschien niet zozeer om zinnen als ‘Zo jeukert hun de min in ’t jonge hart’ maar toch zeker om het bijzonder fraaie enjambement in de regels 'Dat bot en knop in bos en hei zich haast/ Om uit te lopen’.
Barnouws vertaling werd in 1930 geintroduceerd door Johan Huizinga, die erop wees dat Barnouw om 'de geur en de kleur van de tijd niet te laten verflauwen’ oude woorden van middeleeuwse klank, 'wendingen van hoofse staatsie of van ruwe raakheid’ heeft moeten opsporen. Hij maakt een opmerking over de metriek van origineel en vertaling en spreekt de verwachting uit dat men de vertaling zal genieten als 'een fris en gaaf, echt- Nederlands kunstwerk’. Hoge eisen zijn dat, en gelukkig maar wat mij betreft.
DE DICHTER Martinus Nijhoff suste daarop Huizinga’s grootse lof enigszins door in De Gids van februari 1931 te spreken van 'een zekere moeizaamheid’ van vertalend vertellen en die genoemde oude woorden van middeleeuwse klank af te doen als 'fonkelend gepoetste antiquiteitjes’. Nijhoff deelde Huizinga’s mening dat schrijvers als Chaucer niet volledig zijn 'zonder de krans van ver talingen, waarin hun woord weerklinkt’, maar ging vervolgens in op het door Huizinga opgeworpen punt door zich af te vragen of Barnouws levenswerk inderdaad een oorspronkelijk kunstwerk geworden is. Om die Olympische top te bereiken had Barnouw zich volgens Nijhoff echter moeten inlaten met 'tal van moeilijkheden het Nederlandse vers betreffend, maar die eenmaal onvermijdbaar zijn, wil men zijn werk van inheems belang doen wezen’. Nederlandse dichters doen het volgens hem anders dan de Engelse, en het had volgens Nijhoff meer iets moeten zijn als Gorters Mei of Leopolds Cheops. Het grote gevaar van Nederlands dichten schuilt voor hem in 'het klappend samenvallen’ in de verhouding van zinsbouw en rijm, en verder is de 'breedheid van spraak, de lange slag’ van Chaucer (waarachter Nijhoff de 'groene, weelderige, dampende zachtheid’ van het Engelse landschap ziet gloren) niet in het Nederlands over te brengen. Het doet mij goed Nijhoff te lezen en de scherpte van zijn pen te voelen: waar is de tijd dat deze hoge eisen zomaar op iemands bord konden worden gegooid? In het zicht van scherpe messen hoedt de vertaler er zich wel voor - ondanks aandringende uitgevers en lokkende geldbedragen - al te ijlings een poging te wagen een meesterwerk uit de wereldliteratuur op de Nederlandstalige markt te gooien.
Ook Barnouw heeft Chaucer een ruime en geen eng-literaire plaats in de Nederlandse cultuur willen geven, bijvoorbeeld door hem een literaire voorloper van Nederlandse genreschilders als Brueghel en Jan Steen te noemen. Sterker nog, volgens de hoogleraar neemt de dichter de cultuurhistorici de pen zelfs uit de hand en valt hier het middeleeuwse leven het scherpst te aanschouwen. Dat is boud beweerd natuurlijk, maar tegelijk ook een opvatting die mijns inziens alleen te berde kan worden gebracht vanuit een houding van uiterste loyaliteit ten opzichte van de brontekst. Barnouw wil niets verdoezelen en de suggestie die Van Altena in zijn inleiding doet als zouden enkele passages bij zijn voorganger bedekt zijn met een vijgeblad, is des te merkwaardiger omdat juist Barnouw benadrukte dat hij het 'schuine met het schone’ wilde laten samengaan. Chaucer zelf zegt nota bene aan het slot van de proloog tot de vertelling van de molenaar niet als censor te zijn opgetreden, waarop een vertaler van het type Barnouw meende niet preutser te moeten zijn dan de dichter die hij vertaalde. Van Altena laat zich met zijn goudgepunte lans te zeer op het pikante voorstaan en heeft daar intussen zelfs een eigen toon voor ontwikkeld, eentje met een aantal voorgestanste rijmparen - 'En hoe zou hij die schuld kunnen betalen/ Zonder ’t orgaan daarvoor te laten palen?’ en 'En Nicolaas verbrandde goed zijn kont./ Uit is ’t verhaal, God zegene ons in ’t rond.’
TEGENOVER Barnouws superieure houding van introduceren steekt Van Altena enigszins karig af. Bovendien had hij uit respect voor zijn voorganger inderdaad ook een gebaar kunnen maken door bij voorbeeld iets van de ingeburgerde titel (De pelgrims naar Kantelberg) te bewaren. Niets van dit al, Barnouw wordt zelfs bars gekapitteld: ouderwets van stijl zou hij zijn, een ongebruikelijke woordkeus hanteren, maar bovenal zou hij zich aan kuisen hebben bezondigd.
Van Altena vertekent de zaak. In Vrij Nederland citeerde hij eens twee Barnouw-regels die hij zelf vertaalde als 'Een slim student maakt nimmer een abuis,/ Dus greep hij haar pardoes in ’t kruis’: 'Want al dat kerkevolk is sluw en raar./ En stiekem greep-ie ze je weet wel waar’ - met de uitspraak erachteraan 'Tja, dat lost het probleem niet op, omdat we juist niet weten waar de student de vrouw pakte.’ Dat wisten ze in de middeleeuwen natuurlijk al donders goed. Bij de teksten die ik nader bestudeerde is Barnouw prikkelender dan Van Altena, waarbij de laatste het platte niet schuwt.
Nijhoff en Huizinga indachtig moet je je afvragen of de virtuositeit van onze poezie bestaat uit het uitvergroten van het scabreuze. Gaat het om het gemak waarmee je kloten op noten rijmt en festijn op vagijn? Soms is een verzuchting op zijn plaats: al die rijmelende vertalers dezer dagen - in de bekende Tweede- Rondetraditie - die zich louter en alleen profileren door rijmtechniek en metrumvastheid. Meer lef zouden we moeten verwachten en ook minder vernietigende oordelen over vertalingen uit het verleden om woorden die in het Nederlands zijn uitgestorven en onbegrijpelijk zijn geworden. Waarom mocht Barnouw die niet gebruiken?
Voor de duidelijkheid: ik respecteer Van Altena’s keuze voor een luchtiger tekst en ik heb wederom van de verhalen van Canterbury genoten. Maar er zijn andere mogelijkheden, mogelijkheden ook die naast elkaar kunnen voortbestaan. Met behoud van archaismen en middeleeuwsismen. Wel had de nieuwe Nederlandse vertaling nog wel enige tijd kunnen liggen rijpen. Het wemelt van de stoplappen, de lelijkheden en de stijlbloemen. Enjambementen stuntelen voortdurend ('Onder de schone elfenkoningin./ Zo dachten ze althans daarover in/ Die tijd’). Als het dedain mij stoort waarmee een gerespecteerde prestatie opzij wordt geschoven, wil ik geen regels lezen waar de hedendaagse rijmdwang vanaf druipt. Zie deze twee voorbeelden: 'Hij was toevallig sterk, bepaald niet klein/ En drukte dus de deur rap uit ’t kozijn,/ Die viel plat op de kamervloer meteen,/ Maar Nicolaas bleef zitten, stil als steen’ en: 'Als elk van ons in eigen schuitje wacht,/ Geen van ons tot elkaar het woord mag richten,/ Niet praten mag of schreeuwen, da’s verplicht en/ Ons woord is in die nacht alleen voor God.’ Van Altena’s Chaucer hapt sneller weg dan die van Barnouw, maar een met zorg aangedragen culinair genoegen is ook wat waard.
VOOR HET overige is het uiteraard prachtig om te lezen in een boek waar geldgewin, eten, drinken en paren van het hoogste belang zijn en de officiele geschiedenis die wij kennen uit de schoolboeken (dat 'wat omging ten hoof en te velde’) volstrekt naar het zijplan wordt gedrongen. Als ik me niet vergis ligt daar ook de reden waarom het politieke dier Pasolini zich aan het begin van de jaren zeventig stortte op deze 'levende scheppingen’ met 'sensuele Rubens-koppen’. In zijn verlustiging presenteerde hij de vrouwekont die parmantig uit het venster prijkt en die nu te projecteren valt op twee Nederlandse vertalingen, een uit 1995 en een van zestig jaar geleden: 'En Absalon veegde zijn lippen schoon,/ De nacht was donker, alle katjes bont/ En uit het raam stak zij haar blanke kont/ En Absalon kuste - het licht was schaars -/ Met volle lippen haar ontblote aars,/ Wellustig, voor hij wist: maar dit zit fout,/ Toen schrok hij terug, opeens zeer kil en koud,/ Want hij zag in: een vrouw heeft nooit een baard,/ Toch voelde hij: dit hier is ruig behaard.’ Prikkelend en uitdagend genoeg inderdaad. Dan de versie van 1930: 'Onze Absalon die wreef zijn lippen droog./ De nacht was als een kool of pik zoo zwart./ En uit het raam stak zij haar achterpart./ En Absalon, - zoo was het en niet aers, -/ Die kuste met zijn mond heur nakende aars,/ Vol wellust, maar het ging hem uit de gis./ Hij schrok terug en dacht, hij zoende mis./ Hij wist te goed, een vrouw en heeft geen baard,/ En ruig was ’t wat hij voelde en langbehaard.’ Een aanwinst om Van Altena’s Chaucer erbij te hebben, maar Barnouw valt nog zeer wel te pruimen, dacht ik zo.