Onvrede in Italië

‘Het sein op storm’

Na een jaar ‘Prodi’ fuseren in Italië de twee belangrijkste regeringspartijen. Maar er heerst veel weerzin tegen deze vernieuwing van links. Socioloog Luca Ricolfi: ‘Links maakt zich schuldig aan etnische superioriteit.’

TURIJN – Wonder boven wonder kon Italië afgelopen week de eerste verjaardag van de centrum-linkse regering-Prodi vieren. Met één zetel meerderheid in de Senaat was het een jaar lang kantje boord. De zeven-partijencoalitie van hele en halve communisten, verlichte christen-democraten, milieubeschermers en liberalen overleefde twaalf keer een vertrouwensstemming en één heuse kabinetscrisis. Van een feeststemming was afgelopen week daarom geen sprake. Prodi’s regering is in de peilingen inmiddels impopulairder dan die van de vermaledijde Silvio Berlusconi destijds. 25 procent van de kiezers dacht na een jaar Berlusconi dat de mediamagnaat zijn verkiezingsbeloften zou nakomen. Onder Prodi is dat percentage onder de twintig gezakt.
Luca Ricolfi, socioloog en docent aan de universiteit van Turijn, kijkt daar niet van op: ‘Links weet de harten van de mensen niet te winnen. En als je dan ook nog belastingverlaging hebt beloofd en belastingverhogingen doorvoert, kun je het wel schudden.’ Italiaans links moet zich volgens Ricolfi bevrijden en moderniseren. Bevrijden van onder meer superioriteitsdenken (door Ricolfi zonder aarzeling ‘ethisch racisme’ genoemd) en moderniseren naar het voorbeeld van andere Europese linkse partijen.
Ricolfi schreef er anderhalf jaar geleden een boek over, Perche siamo antipatici?, ‘Waarom zijn we antipathiek?’ Links aan de macht doet het volgens hem niet beter dan links in de oppositie. Luca Ricolfi: ‘Nee, ik word in het linkse kamp niet echt aardig meer gevonden. Daar sluit men liever de ogen voor de waarheid.’
In Italië is het vrij ongewoon dat fundamentele kritiek uit de eigen gelederen openlijk wordt geuit: ‘Het boek werd beschouwd als hulp aan de vijand. Linkse kranten als l’Unita en La Repubblica schreven dat ik rechts was geworden. Dat was zo’n beetje de belangrijkste kritiek. Inhoudelijk werd er nauwelijks gereageerd.’ Ricolfi’s boek rolde bovendien tijdens de campagne voor de parlementsverkiezingen van de persen. ‘Dat werd me helemaal kwalijk genomen. Ik kreeg te horen dat ik misschien wel gelijk had, maar dat ik het volstrekt verkeerde moment had gekozen om te publiceren. Maar ja, kritiek komt hier altijd op het verkeerde moment. Historicus en journalist Gianpolo Pansa kreeg hetzelfde over zich heen toen hij zijn boek publiceerde over de wandaden van de linkse partizanen, gepleegd tegen ex-fascisten en gewone, niet militante burgers.’

Ricolfi maakte het er wel naar. In zijn boek schrijft hij links vier hoofdzonden toe: het verdonkeremanen of ‘begrijpelijk’ voorstellen van gemaakte fouten (onder meer armoede, repressie en dwang in de voormalige sovjetstaten); de dictatuur van de politieke correctheid, waardoor wat links zegt diametraal staat tegenover wat gewone mensen denken; in het verlengde daarvan: politiek jargon dat voor buitenstaanders vaak onbegrijpelijk is en vooral dient om een gebrek aan concrete ideeën te verhullen; en het complex van morele superioriteit, het ‘ethisch racisme’.
Voor Nederland zijn dit geen wereldschokkende ontdekkingen, maar het kwam hard aan in een land waar een groot deel van links zich gedraagt alsof de Berlijnse Muur nooit is gevallen. Ze gaan de straat nog altijd op met symbolen van vergane ‘glorie’, zoals de rode vlag met hamer en sikkel. De kritiek kwam hard aan omdat Ricolfi, in zijn studententijd actief in buitenparlementair links en later in de vakbonden, niet geringschattend kon worden afgedaan als een rechtse houwdegen.
Ricolfi gebruikt ‘links’ als verzamelnaam voor de aanhangers van Democratici di Sinistra (DS, de voortzetting van de vroegere communistische PCI met ongeveer hetzelfde leiderschap), de vier (!) nog bestaande communistische partijen, waarvan twee in de regering-Prodi, en de links-liberalen en christen-democraten die onderdak hebben gevonden bij regeringspartij Margriet. Over de hele linie, zegt hij, maar vooral bij de voormalige en huidige communisten, zie je een presentatie van de eigen standpunten als ‘superieur’ en het afkraken van alles wat het met die standpunten niet eens is als reactionair of achtergebleven. Daarom was Berlusconi ook zo belangrijk voor links. Hij belichaamde het Kwaad. Links gedroeg zich als de representant van het Goede.
Neem het dagblad l’Unita, verbonden met de regeringspartij Linkse Democraten. De verslaggeving over de onlangs in Rome gehouden Family Day is exemplarisch. Het evenement was georganiseerd door katholieke organisaties als protest tegen het voornemen van de regering om samenwonenden gelijke rechten te geven als gehuwden. De door verschillende linkse en homoseksuele organisaties georganiseerde tegendemonstratie wordt voorgesteld als ‘een manifestatie van tolerantie’, van ‘inclusiviteit en creativiteit’. De Family Day wordt beschreven als het ‘buitensluiten van alles wat meer wil dan het traditionele huwelijk’. Onvermeld blijft dat er een miljoen mensen op de Family Day af kwamen en hooguit tienduizend op het alternatieve gebeuren.
Met het afschilderen van opponenten als primitievelingen win je geen zieltjes. En dat is wat Ricolfi vooral bekritiseert. Italië, zo zegt hij, is electoraal gezien een driestromenland. Zo’n vijftien miljoen kiezers kiezen traditiegetrouw centrum-links, centrum-rechts mag eveneens op vijftien miljoen rekenen, terwijl ook het aantal zwevende kiezers rond de vijftien miljoen schommelt. ‘Vooral dat zijn de mensen die links niet sympathiek vinden. Die voelen die morele superioriteit goed aan.’

Berlusconi kan hetzelfde worden verweten. Die hamert immers te pas en te onpas op communistisch gevaar en schildert zijn tegenstanders het liefst af als ijveraars voor een rode dictatuur.
Ricolfi ziet dat vooral als een retorische truc. Hij vindt het belangrijker dat Berlusconi dichter bij de mensen staat, ‘hun taal spreekt’, aanvoelt wat er in de maatschappij speelt en waar electoraal winst te halen valt. Het gevaar van een terugkeer van Berlusconi is volgens hem het enige wat de huidige coalitie bijeenhoudt. Tegelijk zijn er geen leiders van zijn formaat te vinden aan de linkerkant van het politieke spectrum: ‘Het grootste deel bestaat uit vijftigers die de verschillende partijapparaten hebben voortgebracht. Noch onder hen, noch bij de jongere generatie zie ik iemand die met Berlusconi kan concurreren.’
Maar er gloort enige hoop. Recentelijk hebben de twee grootste regeringspartijen, Linkse Democraten en Margriet, besloten samen te gaan als Democratische Partij. Een historische wending, want het maakt een einde aan wat eens de grootste communistische partij van West-Europa was. De route naar het oprichtingscongres, komend najaar, belooft daarentegen weinig goeds. Er is ruzie over van alles, zelfs over de datum van het congres. Luca Ricolfi: ‘Toch juich ik het toe. Als de fusie lukt, ben ik er zeker van dat de twee kleine communistische partijen, die de regering nu nog vaak in gijzeling houden, uit de coalitie gewerkt worden.’
Die voelen de bui al hangen. Onder dwang van een nieuwe kieswet – die een hogere kiesdrempel wil – heeft een aantal kleinere linkse groepen de eerste voorzichtige stappen gezet op weg naar een verenigde partij, links van de nieuwe Democraten. Volgens Ricolfi zou zo’n partij van ‘radicaal links’ kunnen rekenen op zo’n vijftien tot twintig procent van de stemmen. Als hem het voorbeeld wordt voorgehouden van de Nederlandse SP, van maoïstenclub naar populistische massapartij, moet hij lachen: ‘Dat zou bij ons ook heel goed kunnen, alleen duurt het hier zeker nog tien jaar eer de communisten hun vaandels wegwerpen.’
Gevraagd naar de voornaamste wapenfeiten van één jaar Prodi moet Ricolfi lang nadenken. ‘Het liberaliseringsdecreet van economieminister Bersani’, zegt hij ten slotte. Dat wil beschermende privileges afschaffen in sectoren als de telefonie en de (auto)brandstoffen. Maar de faalpunten vindt hij vanuit het gezichtspunt van de kiezers belangrijker: ‘De beloofde drie- tot vierhonderd euro per jaar inkomensverbetering voor werknemers is er niet gekomen, wel verhoging van belastingen. Ook een gratieverlening voor langgestraften, onder wie moordenaars, heeft kwaad bloed gezet. En er wordt veel sterker bezuinigd dan noodzakelijk is. Prodi redeneert dat 35 miljard bezuinigingen nodig zijn om een begin te maken met de sanering van Italië’s financiële huishouding. Brussel vond het prachtig, maar de zwaardere lasten voor onder meer het bedrijfsleven betekenen wel een rem op onze economische groei, nog steeds een van de laagste in Europa.’
De anti-Berlusconi-coalitie, oftewel Prodi’s regering, heeft hard een populariteitsinjectie nodig. Door de overwinning van Sarkozy in Frankrijk begint dat besef langzaam te groeien. Vooral bij DS reageerden de kopstukken met pleidooien voor hervormingen om te voorkomen dat progressief links bij volgende verkiezingen – niemand gelooft dat Prodi’s regering de vijf-jaartermijn afmaakt – net als de Franse kameraden het onderspit delft.
De onvrede groeit. De ambtenaren gaan binnenkort massaal staken om hun looneisen kracht bij te zetten. De vakbonden (een bastion van conservatisme) zetten zich schrap om verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd tegen te houden. Binnen de regering kraakt het. Twee ministers hebben uit onvrede met wetsvoorstellen al gedreigd tegen de eigen regering te zullen stemmen bij de parlementaire behandeling.
‘Het sein staat op storm’, weet Ricolfi. Als de regionale en plaatselijke verkiezingen van 27 en 28 mei net als de recente op Sicilië op een nederlaag voor de regeringspartijen uitlopen, zou Prodi’s wankele coalitie na een jaar van conflicten totaal in het ongerede kunnen raken.