Media

Het sensatieperpetuum

Het waren ergerlijke weken. Niet alleen omdat Den Haag zich van zijn slechtste kant liet zien, maar ook omdat de media zich behoorlijk misdroegen. Ze klunsden niet minder dan de politici en samen vormden ze een treurige broddellap. Neem dat zogenaamde lijsttrekkersdebat van maandag 15 februari. Een kind kan bedenken dat het niets wordt als je acht mensen rond een tafel zet om over verscheidene veelomvattende onderwerpen te spreken - nog minder als die onderwerpen met het thema (gemeentes) weinig tot niets te maken hebben. Vandaar een boel geschreeuw, aanstellerij en veel haantjes- c.q. kippetjesgedrag. Waarom ze zoiets dan doen? In het hoofd van de bedenkers speelde zonder twijfel de herinnering aan 2002, toen Pim Fortuyn zijn rivalen alle hoeken van de tafel liet zien. Maar dat debat werd gehouden na afloop van de gemeenteraadsverkiezingen, toen de uitslag bekend was en, althans wat Rotterdam betreft, vriend en vijand overrompeld had.
Bovendien was Fortuyn een publicitair unicum en zaten er verder vooral mediakonijnen aan tafel. Dergelijke wezens zijn tegenwoordig een zeldzaamheid. Een debat als in 2002 zullen we dan ook niet snel meer zien. Maar het verlangen ernaar blijft. Vandaar wederom zo'n ‘landelijk gemeenteraadsverkiezingsdebat’ en dus een gênante vertoning.
Niet minder gênant waren de interviews van de afgelopen weken. Een vreselijk voorbeeld was het gesprek dat Tijs van den Brink op de dag voordat het kabinet viel met Guusje ter Horst voerde. Hij bleef maar doorzeuren over wat zij nu dacht over Uruzgan, wat zij zou doen als, wat het betekende wanneer… Slechts één keer liet Ter Horst zich voorzichtig ontvallen dat ze een beetje moe werd van vragen waarop ze toch geen antwoord kon of wilde geven maar vervolgens ging ook zij voort - en voort. Van den Brink deed niet anders. Dezelfde vraag in andere bewoordingen werd gevolgd door hetzelfde antwoord in dezelfde bewoordingen, minstens een kwartier lang. Ik beluisterde het geneuzel in de auto en kreeg een onweerstaanbare neiging het ding in een vangrail te boren.
Lang geleden was de journalist zoiets als de boodschappenjongen van de politici en andere vooraanstaande figuren. Je ziet het prachtig in Polygoon-interviews uit de jaren vijftig. De onderdanigheid. De afstand. Het laten uitpraten. De journalistiek als schoothond van de macht. Dat veranderde in de jaren zestig en vooral zeventig, met als internationaal hoogtepunt Watergate. Steeds meer werd de journalist de, aldus het cliché, 'waakhond van de samenleving’. In de laatste decennia van de twintigste eeuw ging die ontwikkeling nog een stapje verder en werden de media welhaast een buldog die, tot vermaak van de omstanders, elke markante figuur in de kuiten beet (of de bips likte). Vandaar uitdrukkingen als 'de vierde (vijfde, zesde?) macht’, mediacratie en een wildgroei aan verschijnselen of begrippen die hiermee te maken hebben, zoals hype, spindoctor, media-effect, mediatisering en medialogica. Dergelijke verschijnselen verklaren ook waarom politici steeds minder ruimte krijgen - ook bij onderwerpen die volgens de traditionele opvatting in de eerste plaats tot hun competentie behoren. In plaats van hen komen steeds vaker anderen aan het woord: het publiek, de zogenoemde deskundige én, niet te vergeten, de journalist zelf. Laatstgenoemde werd in negen van de tien gevallen bovendien de regisseur van het publicitaire spel. Om het in de woorden van een van de versmade politici (Hans Hillen) te zeggen: 'Tegenwoordig [2001] dienen politici simpelweg alleen nog als achtergrondkoortje voor de analyses van [politiek commentator] Job Frieszo.’ Dit verklaart weer waarom sensatie voortdurend op de loer ligt. Nieuws = sensatie behoort immers tot de core business van de journalistiek.
Langzamerhand is de grens wel zo'n beetje bereikt. Van inhoud is steeds minder sprake. Onderzoeksjournalistiek is onthullingsjournalistiek. Interviewen is uitlokken. Nieuws is scoren. Het is niet zozeer dat ik hier een moreel oordeel over heb. Ze doen maar. Op het eerste knopje van mijn autoradio staat de nieuwszender geprogrammeerd, op het volgende Radio 4. Eén beweginkje en ik zit bij Mozart en z'n kompanen. Maar het gaat me wel aan het hart en ik kan me niet voorstellen dat er niet meer mensen zijn voor wie dat geldt. Bovendien ben ik ervan overtuigd dat het averechts werkt. In Den Haag en elders klagen ze over gebrek aan politieke belangstelling. Ik ben daarover, mede gezien het niveau van het debat, niet verbaasd. Maar ik denk dat politici hieraan niet alleen schuldig zijn. De media zijn het eveneens. Sensatie scoort. Dat is juist. Maar sensatie past in de eerste plaats bij sport, seks, dans en andere vermakelijkheden. Politiek hoort tot een andere categorie. Bovendien is sensatie welhaast per definitie onderhevig aan inflatie. Meer vraagt om meer vraagt om meer. Daarmee belanden media en politiek in een sensatiespiraal en wordt alles waardeloos. Wie verdoet daaraan zijn tijd?