Armeense genocide 

Het Sèvres-syndroom

De Armeense genocidekwestie wordt vooral gevoed door Armeense ballingen. Gedeeld slachtofferschap als nieuw cultureel ijkpunt. Maar hoe verstandig is het om de Turken de waarheid over 1915 door de strot te duwen?

Opeens staan drie (kandidaat-)kamerleden van Turkse origine op straat, een vierde vecht voor haar politieke leven en tientallen lokale Turkse bestuurders lopen eveneens het risico hun functie te verliezen. En dat allemaal omdat zij weigeren de bijna honderd jaar oude Turkse genocide op de Armeniërs te erkennen.

‘Welkom in het transnationale tijdperk’, zegt Thijl Sunier, antropoloog en Turkije-expert aan de Universiteit van Amsterdam. Het verbaast hem niet dat het vrije verkeer van goederen, mensen en ideeën ook leidt tot een vrij verkeer van historische conflictstof. ‘We zullen in de toekomst vaker worden geconfronteerd met politieke en morele kwesties waarin de belangen, ideeën en culturele achtergronden van Nederlanders en migranten door elkaar lopen. Of, zoals in dit geval, de belangen van twee rivaliserende nationalismen. Wat de zaak nog ingewikkelder maakt, is dat christelijke en seculiere krachten in Nederland en elders in Europa het vuurtje aanblazen, omdat ze Turkije uit de Europese Unie willen houden of islamitische politici uit de Nederlandse politiek willen weren.’

Suniers werkkamer aan de Universiteit van Amsterdam ligt op een steenworp afstand van die waar Ton Zwaan tot voor kort werkte, de voormalige medewerker van het Centrum voor Holocaust- en Genocidestudies die een prominente rol vervult in het uitroken van (kandidaat-)politici van Turkse afkomst die weigeren de Armeense genocide te erkennen. Zwaan vindt dat Turkije niet het vereiste politieke beschavingsniveau heeft om toe te treden tot de EU en beschouwt de weigering om de massamoord op Armeniërs in 1915 bij de naam te noemen als een symptoom. Inderdaad leert de ideologie van het kemalisme, die nog steeds op alle Turkse scholen wordt onderwezen, dat het land zijn ontstaan dankt aan een gevecht op leven en dood tegen de imperialistische mogendheden voor, tijdens en vlak na de Eerste Wereldoorlog.

De moord op honderdduizenden Armeense inwoners van het Ottomaanse Rijk als straf voor hun sympathie voor (en collaboratie met) de Russen, is volgens de officiële versie van Ankara slechts een detail in die overlevingsstrijd. Ankara wil hun dood nog wel erkennen en zelfs toegeven dat die betreurenswaardig of onterecht was, maar de erkenning dat de Turkse staat berust op genocide – dat wil zeggen: een poging tot uitroeiing van een heel volk – zou de legitimiteit van de autoritaire Turkse staat en de politieke rol van het leger daarin diepgaand aantasten. Alleen al om die reden is het volgens Zwaan en vele andere commentatoren wenselijk dat de Armeense kwestie wordt verheven tot lakmoesproef van de Turkse democratisering, voorafgaand aan een eventueel EU-lidmaatschap.

Sunier pleit daarentegen voor terughoudendheid. Thijl Sunier: ‘Je moet rekening houden met de achterliggende emoties aan Turkse zijde. Wat Turkije zelf betreft: de Turk in de straat, als ik het zo mag noemen, heeft geen benul van de zaak. Hij weet niet eens dat die massamoord in 1915 heeft plaatsgevonden. Veel Turken geloven zelfs in een tegenovergestelde versie die zegt dat de Armeniërs massamoord op de Turken pleegden. De Nederlandse Turken daarentegen doorzien dat de genocide in ons land wordt geïnstrumentaliseerd in een campagne tegen het Turkse EU-lidmaatschap of tegen islamitische politici. Ik denk daarom niet dat je de zaak op de spits moet drijven.’ Toch is dat precies wat Armeense migrantenorganisaties in de hele wereld van hun gastlanden verwachten. Waarom gaan sommige landen en regeringen daarin mee, en waarom juist nu?

Als gevolg van de genocide van 1915 leven ongeveer zes miljoen Armeniërs in ballingschap, verstrooid over alle landen van de wereld. De grootste gemeenschap (1,2 miljoen) woont in de Verenigde Staten. Dankzij hun hoge organisatiegraad, in combinatie met hun electorale invloed in sommige deelstaten, kunnen de Amerikaanse Armeniërs een krachtige lobby in Washington voeren. De laatste jaren verzet de Armeense caucus (deeloverleg) in het Congres zich met succes tegen het traditioneel pro-Turkse beleid van Washington. De benoeming van de nieuwe Amerikaanse ambassadeur in Erevan, Richard Hoagland, is zelfs opgeschort, omdat hij tijdens een hoorzitting in juni weigerde de genocide te erkennen met als argument dat hij niet wilde ‘verzanden in het verleden en in kwesties van woordgebruik’. Het is voor het eerst dat de Armeense lobby een Amerikaanse president zo openlijk voor de voeten loopt.

De ware kracht van de Armeense pressiegroep bestaat echter uit de effectieve wijze waarop zij de publieke opinie mobiliseert. Eind 2003 joegen Amerikaanse Armeniërs een boek over de genocide, The Burning Tigris van de Armeense dichter Peter Balakian, naar de top van de bestsellerlijsten door duizenden exemplaren te reserveren via Amazon.com. Armeense ballingen buiten de VS steunden de campagne door twee, tien of zelfs honderd exemplaren tegelijk te bestellen. Zo dwongen zij kranten en tijdschriften het boek prominent te bespreken, waardoor het als vanzelf een ‘major event’ werd. De eerste speelfilm over de genocide, Atom Egoyans Ararat (2002), werd op vergelijkbare wijze onder de aandacht van een Amerikaans en internationaal publiek gebracht.

In het katholieke Frankrijk, waar de op één na grootste gemeenschap van Armeense ballingen (ongeveer een half miljoen) woont, wordt de genocidekwestie juist door de overheid periodiek opgerakeld als onderdeel van het buitenlandbeleid. Zo ook de afgelopen weken, toen president Chirac in het kader van het Franse ‘Armenië-jaar’ op staatsbezoek naar Erevan ging. De president weet dat een meerderheid van zijn volk gekant is tegen een Turks EU-lidmaatschap en dat dit een van de belangrijkste redenen was waarom de Fransen vorig jaar het Europese grondwetsverdrag afwezen. Zowel Chirac als de oppositionele socialisten beloofden na afloop van dat referendum dat ze de ‘bezorgdheid van de gewone Fransman’ tot de hunne zouden maken.

Welnu, na zijn visite aan het genocidemonument in Erevan verklaarde Jacques Chirac dat Turkije niet tot de EU kan toetreden zolang het de genocide niet openlijk erkent. De Franse socialisten, die niet achter wilden blijven, dienden prompt een wetsvoorstel in dat het ontkennen van de Armeense genocide strafbaar stelt. Aldus buitelen Franse politici over elkaar om blokkades voor de Turkse toetreding op te werpen. Hetzelfde effect werd begin dit jaar bijna bereikt in België, waar islamitische politici van Turkse origine onder katholiek vuur kwamen te liggen vanwege hun gebrek aan tegemoetkomendheid inzake de genocidekwestie. Canada, Libanon en andere landen met goedgeorganiseerde Armeense minderheden gingen de Belgen voor.

In Nederland zien we nu iets vergelijkbaars gebeuren. De Armeense minderheid voedt het vuur van de herinnering aan 1915 met herdenkingsplechtigheden, onder meer rond een in 2002 in Assen opgericht genocidemonument. Daarnaast tracht men erkenning van de genocide af te dwingen door middel van het 24 April Comité, waarin alle Armeense organisaties zijn vertegenwoordigd. In het comité van aanbeveling vinden we behalve cabaretier Freek de Jonge, publicist en bijzonder hoogleraar grootstedelijke problematiek Paul Scheffer en diverse Nederlandse en Nederlands-Armeense academici ook de parlementariërs Harry van Bommel (sp), Kathleen Ferrier (cda), Ed. van Thijn (pvda), Farah Karimi (GroenLinks) en André Rouvoet, politiek leider van de ChristenUnie.

Het is met name de ChristenUnie, gekant tegen een Turkse toetreding tot de EU en tegen islamitische invloeden in de Haagse politiek, die de kwestie hier op de politieke agenda heeft gezet. Op 21 december 2004, kort na de opening van de onderhandelingen over de toetreding van Turkije tot de Europese Unie, aanvaardde de Kamer een motie van de ChristenUnie die van Turkije ‘een eerlijke omgang met de eigen geschiedenis’ eist en de regering oproept om bij de toetredingsgesprekken ‘voortdurend en nadrukkelijk de erkenning van de Armeense genocide aan de orde te stellen’. Op 1 juni diende CU-kamerlid Tineke Huizinga-Heringa bovendien een wetsvoorstel in dat het ontkennen, bagatelliseren of goedpraten van volkenmoord of misdaden tegen de menselijkheid strafbaar stelt. Dat geldt voor de holocaust, maar ook voor de Armeense genocide, aldus de memorie van toelichting. Dit wetvoorstel is ongetwijfeld ingegeven door de oprechte bijbelse overtuiging dat alleen de waarheid de mens vrij kan maken. Maar Sunier heeft een punt als hij zegt dat in deze kwestie twee nationalismen botsen en dat het zeer de vraag is of een afgedwongen erkenning van de genocide zinvol is. Temeer omdat de Armeense president Robert Kocharian tegenwoordig in internationale fora ook al hamert op de genocide van 1915.

Diens voorganger Ter-Petrossian had er nooit een punt van gemaakt. Armeense diplomaten ontzagen juist angstvallig de Turkse gevoeligheden. ‘We beseften dat we eerst goede relaties met Turkije moesten leggen en pas daarna, misschien pas in de verre toekomst, een oprechte Turkse erkenning van de genocide konden verwachten’, zegt historicus Gérard Libaridian, geboren in Beiroet en van 1991 tot 1997 adviseur en onderminister van Buitenlandse Zaken van Ter-Petrossian. ‘Je kunt het je nu bijna niet meer voorstellen, maar de genocide speelde voor ons destijds nauwelijks een rol. We waren ons integendeel bewust van de gevoelens van onze Turkse gesprekspartners wier collega’s in de jaren zeventig, tachtig en negentig bij tientallen waren vermoord door Armeense terroristen. De Armeense politieke partij die het hardst op de genocide hamerde, werd door Ter-Petrossian zelfs verboden. Pas met het aantreden van Kocharian in 1998 werd de genicodekwestie geïntroduceerd in het buitenlandbeleid.’

Kocharian is afkomstig uit Stepanakert, de hoofdstad van Nagorno-Karabach. Deze Armeense enclave in het (turkofone) buurland Azerbeidzjan is ten tijde van het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 drie jaar lang omstreden gebied geweest tussen Armenië en Azerbeidzjan. Daarbij voerde Kocharian de Armeense partij aan. De overwinning in Nagorno-Karabach en de daaropvolgende opleving van Armeens nationalisme resulteerden in 1998 in zijn verkiezing tot president. Zijn eerste opgave was Armenië uit het economisch slop te halen waarin het door de oorlog was terechtgekomen. Dat kon alleen indien hij de invloedrijke Armeense ballingen kon mobiliseren, en die hadden zo hun eigen prioriteiten die ze graag op Armenië projecteerden, te beginnen met de kwestie van de genocide.

Zoals zoveel religieuze en etnische minderheidsgemeenschappen lijden de overzeese Armeense gemeenschappen onder culturele slijtage. Sinds de jaren tachtig beschouwt de jongere generatie zichzelf als Amerikaan, Fransman, Europeaan of kosmopoliet, hecht steeds minder aan de taal en godsdienst en trouwt, werkt of handelt steeds vaker buiten de gemeenschap. De Armeense identiteit in ballingschap had een nieuw ijkpunt nodig.

Dat ijkpunt werd het ‘gedeelde’ slachtofferschap van 1915. De symbolische betekenis van de genocide werd gecultiveerd in boeken, monumenten, films, bijeenkomsten en optochten – een rouwcultus die door de Amerikaans-Armeense literatuurwetenschapper Lisa Siranagian oneerbiedig als ‘fetisjcultuur’ is bestempeld. Als afschuwwekkend voorbeeld verwijst zij naar een herdenkingsbijeenkomst waar een Armeense priester de gescheurde broek van een genocideslachtoffertje ophield en zei dat hij het gevoel had dat hij het ‘kleed van God’ aanraakte.

Minder oneerbiedig, maar niet minder uitgesproken is de Amerikaans-Armeense sociologe Anny Bakalian, directeur van het Middle East and Middle Eastern American Center in New York. Zij beschrijft de omslag binnen de Amerikaans-Armeense gemeenschap als een overgang van ‘traditionele’ naar ‘symbolische’ Armeensheid. ‘Afgezien van de taal en de godsdienst was de Armeense cultuur altijd zeer divers’, zegt Bakalian aan de telefoon vanuit New York. ‘Armeense zeden en gebruiken verschilden van streek tot streek. Anderzijds verschilden ze niet erg van Turkse zeden en gebruiken, dus erg onderscheidend waren ze toch al niet. Nu taal en godsdienst wegvallen, hebben de ballingen geen gemeenschappelijke erfenis meer behalve de diaspora zelf.’

Zo ontstond de paradox dat de genocidekwestie in de Armeense diaspora veel belangrijker wordt gevonden dan in Armenië zelf. Jonge Armeniërs in de Verenigde Staten worden opgevoed met een haat tegen Turkije die in geen verhouding staat tot hun gebruikelijke liberalism, schrijft verslaggeefster Meline Toumani in The Nation. ‘In zomerkampen krijgen derdegeneratie-Armeniërs, die geen Armeens spreken en nooit in Armenië zijn geweest, die traditie ingeprent. Het feit dat juist de verre afstammelingen van de slachtoffers de vurigste pleitbezorgers van de zaak zijn, geeft aan dat hun gedrag wordt bepaald door meer dan alleen een gevoel van rechtvaardigheid. Te midden van alle problemen die assimilatie met zich meebrengt, is de roem van het gedeelde slachtofferschap verleidelijk, vooral als je die kunt verwerven zonder daadwerkelijk te hebben geleden.’

Bakalian ziet onder jonge Armeense intellectuelen ook een beweging in tegenovergestelde richting. Anny Bakalian: ‘Veel van mijn doctoraalstudenten voelen zich meer kosmopoliet dan Turk of Armeniër. Jonge Armeniërs willen zich niet vastbijten in 1915 en ook bij intellectuele Turken zie je beweging. Ankara verliest geleidelijk zijn ideologische controle, zoals onder meer blijkt uit het werk van auteurs als Orhan Pamuk en Elif Shafak. In juni 2004 organiseerde ik hier een lezing van Taner Akçam, de eerste Turkse historicus die de genocide openlijk durfde te benoemen. Een man van het Turkse consulaat schold Akçam uit voor rotte vis, het werd een reusachtige rel, de veiligheidsdienst moest eraan te pas komen. Maar nu komt het: het gros van de Turkse studenten nam Akçam in bescherming. Heus, er is leven na de genocide. Laat dat maar aan de volgende generatie over.’

Gérard Libaridian, tegenwoordig hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Michigan, heeft weinig op met de genocide als ‘organiserend principe’ van de Armeense diaspora: ‘Als inwoners van een soevereine staat hebben Armeniërs geen organiserend principe meer nodig: de Armeense staat is dat principe. Het is de hoogste tijd dat we dat inzien. Wij Armeniërs zijn intellectuele dwergen geworden doordat we ons almaar blindstaarden op die genocide.’ Daarentegen staren de Turken zich blind op hun ‘Sèvres-syndroom’, zoals hij het noemt: het idee dat Turkije door het verdrag van Sèvres van 1919 ternauwernood is ontsnapt aan een territoriale opdeling door de grootmachten en dat die dreiging nog altijd bestaat. Libaridian: ‘Dat verklaart hun muilkorfwetten, hun panische veiligheidspolitiek, hun krampachtige houding tegenover de Koerden. Ze vrezen dat de geringste erkenning van de genocide zal resulteren in internationale inmenging, eisen tot herstelbetalingen, het opgeven van grondgebied, enzovoort.’

In een recent essay schrijft Libaridian dat het geen enkele zin heeft om Turken de waarheid over 1915 ‘door de strot te duwen’. En al helemaal niet als dat gebeurt door Europese mogendheden die Turkije buiten de EU willen houden of door politici die islamitische politici van Turkse origine buiten hun parlementen willen houden. Libaridian: ‘Wat hebben de Armeniërs ooit gehad aan die zogenaamde christelijke solidariteit van Europa? Geen moer. Armeniërs zijn voor de Europese hoofdsteden nooit meer dan een stok geweest om de Turkse hond te slaan. En de Turken weten dat. Een Turks lidmaatschap van de EU zou een zegen voor Armenië zijn. De grenzen zouden onvermijdelijk weer opengaan en dan zou de uitwisseling van mensen en ideeën kunnen beginnen, de kruisbestuiving van academici, journalisten, uitwisselingsstudenten, al die waterdragers van de waarheid die op een dag de oprechte Turkse erkenning van de genocide van 1915 zullen bewerkstelligen.’