Een wetsvoorstel ter legitimering van de wraak

Het slachtoffer spreekt

De Tweede Kamer stemt nog voor de jaarwisseling over het wetsvoorstel van D66 en LPF om slachtoffers en nabestaanden van misdrijven spreekrecht te geven in de rechtszaal. Hier klinkt de stem des volks. «Wraakgevoelens krijgen legitimiteit», menen critici.

Met de opmars van de sociologie in de jaren zeventig van de vorige eeuw begon de achtergrond van de dader een steeds grotere rol te spelen tijdens de rechtszaak. Wie een moeilijke jeugd had gehad, kon rekenen op begrip. Wie allochtoon was, zat in een «achterstandssituatie». De reclassering houdt daar rekening mee. In tijden waarin het vertrouwen in de rechtspraak in rap tempo lijkt af te nemen, worden initiatieven genomen om het slachtoffer meer centraal te stellen. Onlangs diende Tweede-Kamerlid Boris Dittrich (D66) een wetsvoorstel in om slachtoffers van misdrijven, net als in bijvoorbeeld Engeland, Ierland, Frankrijk en België spreekrecht te geven in de rechtszaal. De bedoeling is dat slachtoffer of nabestaande niet meer alleen als getuige wordt beëdigd, maar ter zitting een zelfstandige positie krijgt. De Raad van State, de Vereniging van Rechters en Officieren van Justitie (NVVR) en de Nederlandse Orde van Advocaten hebben positief geadviseerd en, nadat het voorstel onder Paars nog strandde, lijkt nu ook de Kamer om. Slachtoffers van misdrijven waar acht jaar of meer gevangenisstraf op staat, komen in aanmerking. Ook delicten als dood door schuld, waarvoor mogelijk lagere straffen worden opgelegd, zijn van toepassing. Dan spreekt een nabestaande. De rechter bepaalt hoe lang iemand het woord mag voeren.

Dittrich, zelf ex-rechter, komt met zijn voorstel op het moment dat de stem des volks luider klinkt dan ooit. Zelfs politici en leden van het koninklijk huis mengden zich de afgelopen weken en maanden in het strafproces. Zo wilde LPF-kamerlid Ferry Hoogendijk «linkse rechters» vervangen om Volkert van der G. tot een hogere straf te kunnen veroordelen, kon de burgemeester van Venlo zich voorstellen dat zijn stadgenoten de vrijlating van een van de twee verdachten van de moord op René Steegmans niet zouden begrijpen en uitte prins Bernhard zijn woede over de vervolging van de «helden van Albert Heijn», die een paar trappen na gaven bij de inrekening van een winkeldief. Dittrich: «De tendens is dat politici steeds sneller iets roepen terwijl een zaak nog onder de rechter is en maar een deel van de feiten bekend is. Zalm zegt dat de AH-medewerkers een koninklijke onderscheiding verdienen. Dat is een zorgelijke ontwikkeling. Het heeft ook met verkiezingen te maken. Met dat soort uitspraken ondermijnen politici de rechtsstaat. We zouden wat minder snel moeten reageren. Maar dit alles heeft niets te maken met spreekrecht voor een slachtoffer.»

Toch kan het voorstel van Boris Dittrich niet helemaal los gezien worden van de groeiende publieke onvrede over recht en rechtvaardigheid in het strafproces. Niet voor niets staat nu ook de naam van LPF-kamerlid Fred Schonewille onder het voorstel van Dittrich. Rechtsfilosoof Gijs van Oenen (Erasmus Universiteit Rotterdam) plaatst kanttekeningen bij snelle oordelen over verdachten: «De publieke opinie wordt gemobiliseerd. Pogingen om een proces voorafgaand te beïnvloeden, zijn niet goed. De media kunnen de geschokte rechtsorde groter maken dan hij is. Ze maken het nieuws. Vroeger hoorden we vrijwel niets over zinloos geweld. Als nu zes televisiezenders erover praten, wil dat niet zeggen dat de rechtsorde geschokt is. De snelheid van de media verdraagt zich slecht met de traagheid van de rechtspraak. Men wil te snel een veroordeling.» Van Oenen haalt Shakespeares Hamlet aan, waarin wordt gesproken over «the law’s delay».

Het volk heeft haast, Barbertje moet hangen. Dittrich beaamt: «Als het volk zijn zin kreeg, hadden we nu de doodstraf in Nederland.»

Maar dat wil niet zeggen dat het rechtsgevoel van de straat altijd verkeerd is. Van Oenen: «Interessant aan de AH-kwestie is natuurlijk wel dat er iemand wordt vervolgd die reden had om geweld te gebruiken, terwijl anderen niet worden vervolgd voor inbraak of beroving omdat de politie niets doet met de aangifte wegens gebrek aan personeel. Dáár heeft het rechtsgevoel gelijk.»

Van Oenen ziet graag een duidelijke scheiding tussen wat leeft bij «gewone mensen», politici en de magistratuur: «Bij gewone mensen spelen directe emoties bij misdrijven een rol. Mensen willen dat gevoelens van wraak meer bij politici gaan leven, dat ze er ontvankelijk voor zijn. Ze eisen het als recht op om een soort onderbuikgevoelens in het rechtssysteem onder te brengen. Zo krijgen wraakgevoelens legitimiteit. De politici zouden hier als het ware tussen de burger en justitie in moeten staan. De magistratuur moet altijd afstand bewaren. Men wil iets wat de politiek niet kan geven — genoegdoening — en het is de vraag of het recht daarvoor is bedoeld.»

De Tweede Kamer was aanvankelijk terughoudend, maar met de toelichting in een D66/LPF-nota lijkt Dittrich af te stevenen op een meerderheid voor zijn voorstel. Het steekt hem dat nu de willekeur heerst bij spreekrecht: «Ik wil uniformiteit.» Bij de ene zaak mag een slachtoffer of nabestaande wel spreken, bij de andere niet. Zo mocht de vader van de in Gorinchem doodgeschoten Froukje Schuitmaker niet het woord voeren van de rechter. Eerder sprak de vader van de in de Amsterdamse binnenstad fataal in elkaar geslagen Joes Kloppenburg wél in de rechtszaal. Hij is dan ook «heel blij» met het wetsvoorstel. Jan Kloppenburg, oprichter van de stichting Kappen nou! Landelijke Organisatie ter Voorkoming van Geweld in het Openbaar: «Ik pleit hier al jaren voor. Waar het om gaat, is dat het slachtoffer en de nabestaande zich erkend weten.» Het spreken had een «bijzonder positief effect» op hem bij de verwerking.

Maar waarom is het niet voldoende dat slachtoffer of nabestaande van tevoren spreekt met de officier van justitie? Boris Dittrich: «Omdat je dan alleen praat over de toedracht van de gepleegde feiten. Niet over de gevolgen, de impact die een misdrijf kan hebben op het leven van een slachtoffer. Alles centreert zich nu rond het misdrijf.» Kloppenburg: «De dader krijgt wél het woord tijdens de zitting.»

Rechtsfilosoof Van Oenen is niet zo enthousiast over het wettelijke spreekrecht. Hij vreest dat de verwachtingen te hoog gespannen zijn: «Men denkt dat recht in de eerste plaats gaat over rechtvaardigheid. Maar dat is vaak helemaal niet zo. Het is meestal heel procedureel. Ik denk dat spreken vooral een symbolische functie zal hebben. Daarom vind ik ook niet dat slachtoffers nu te weinig worden gehoord. Er is immers weinig effect van te verwachten.»

Boris Dittrich onderstreept dat het hem niet gaat om het formuleren van een eis door het slachtoffer. Het belangrijkste is dat er eindelijk naar hem wordt geluisterd: «We moeten de anonymisering van het slachtoffer doorbreken.» In het wetsvoorstel staat nauwkeurig beschreven wie slachtoffer is en wie nabestaande en waaraan hij zich heeft te houden. Het gaat om betrokkenen uit de eerste lijn: echtgenoot, levenspartner, zoon of dochter. Slechts één persoon krijgt spreekrecht tegenover de rechter. Hij of zij wordt géén tweede officier van justitie. Andere nabestaanden kunnen eventueel een schriftelijke verklaring inleveren.

Bezwaren tegen zijn initiatiefwetsvoorstel zoals de mogelijkheid dat slachtoffers de rechtsgang beïnvloeden, wijst Dittrich van de hand: «Beïnvloeding van de strafmaat is uitgesloten.» En op de vraag of wraakgevoelens ten opzichte van de verdachte een rol gaan spelen ter zitting, wijst Jan Kloppenburg op de restricties waaraan de nabestaande zich heeft te houden. Zo moet hij zijn tekst van tevoren aan de rechtbank voorleggen. «De spreker blijft bij zijn eigen gevoelens. Dan kan hij nooit de fout ingaan. Gevoel is altijd oprecht. Als je vertelt wie en wat je mist, zoals ik dat deed over mijn zoon, is dat legitiem. Dan is de angel eruit.»

Ook een verharding van de rechtspraak ziet Boris Dittrich niet gauw optreden: «Spreekrecht heeft daarmee niets te maken. Want het gaat niet ten koste van de rechten van de verdachte. Je hebt helemaal niets aan het onder druk zetten van verdachten. Kijk maar naar de Puttense moordzaak. Waarheidsvinding moet centraal staan.»

De twee verdachten van de moord op Christel Ambrosius werden in hoger beroep vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Het onderzoek naar de werkelijke dader is heropend. Het is juist in deze zaak de vraag of de nabestaanden bij spreekrecht waren gediend. De moeder van Christel was ervan overtuigd dat de twee mannen de daders waren. Ze zag ze als vrij man het gerechtshof verlaten.

Dat is een van de bezwaren van rechtsfilosoof Van Oenen: «Ouders houden een heel betoog over hun omgekomen kind in de rechtszaal en vervolgens wordt de verdachte vrijgesproken. Wat je ouders dán aandoet, is helemáál niet te overzien.» Vergelijkbare bedenkingen heeft het CDA. Tweede-Kamerlid Sybrand van Haersma Buma: «Wij willen niet iemand een emotioneel verhaal laten doen in de veronderstelling dat hij daarmee het proces kan beïnvloeden. Het moet van tevoren volstrekt helder zijn welke rol het slachtoffer heeft.» Daarom wil het CDA nog in debat over het wetsvoorstel. «Het spreekrecht spreekt mij aan. Het is goed dat het slachtoffer aandacht krijgt. Maar we zeggen nog geen ja of nee», zegt Van Haersma Buma: «Een proces gaat in de eerste plaats om de vraag of de verdachte het wél of niet heeft gedaan en niet om wat het slachtoffer ervan vindt.»