Die eeuwige religie De traditionalisten in Frankrijk

Het slechte geweten van de katholieke kerk

Het is geen grote beweging, maar de Franse traditionalisten houden de katholieke gemoederen danig bezig. Tot in Rome. Modernisering en liberalisering wijzen ze af. ‘De ondergang van de Kerk nadert met rasse schreden.’

BORDEAUX - Kleine kinderen in de kerk zijn geen sinecure. Vooral niet als je er vijf hebt en de mis anderhalf uur duurt. Geknield vanaf de kerkbank werpt een elegant geklede Bordelaise van tegen de dertig geërgerde blikken op haar kroost. Ze sist dat het stil moet wezen. Het lijkt niet besteed aan haar tweejarige dochter, die liever een beetje wil zingen dan luisteren naar de Latijn prevelende bisschop op de kansel. Stevig door elkaar schudden helpt niet; het zingen wordt krijsen. Vader brengt uitkomst. Hij verdwijnt met de kleine op zijn arm naar buiten.
Op een aantal oude dametjes met zwarte haarnetjes van tule na is het publiek opvallend jong: goed geklede jongens en meisjes met de uiterlijke symbolen van de lokale bourgeoisie. Smaakvolle zwarte jurkjes voor de meisjes, mocassins en nonchalant over de schouders geknoopte truien. In dit jaargetijde zou je hen eerder verwachten op de stranden langs het bassin d'Arcachon dan in de Saint-Éloi-basiliek in het centrum van Bordeaux.
Sinds dit voorjaar is dit bastion van traditionalistische katholieken het middelpunt van een felle polemiek. Alles begon met een reportage van televisiezender France 2 met als titel À l'extrême droite du Père (‘Uiterst rechts van de Heilige Vader’). Hierin ging een undercoverjournalist een kijkje nemen in de kelder onder de Saint-Éloi, waar de leden van Dies Irae samenkwamen. Dezelfde jongens en meisjes als tijdens de zondagse mis, zo bleek. Alleen het decor verschilde. Beneden geen loodgebrande ramen of dampende wierookvaten, maar banieren met Frankische kruizen (symbool van het Vichy-regime) aan de muren. De nieuwkomer wordt aanvankelijk wantrouwig aangekeken, maar een voorgewend lidmaatschap van het Front National stelt de gemoederen gerust. Een priester uit de kerk, Philippe Laguérie, komt ook even een kijkje nemen. Ene Antoine vertelt de journalist dat Dies Irae (vrij vertaald: Dag der Wrake) in iedere Franse stad dependances hoopt te stichten. Daarbij zegt hij zich te laten inspireren door The Turner Diaries, de roman van de Amerikaan William Luther Pierce uit 1978, een boek dat wel de 'bijbel van racistisch rechts’ wordt genoemd en dat de omverwerping van de federale regering en de uitroeiing van alle joden en niet-blanken beoogt.
Op een geïmproviseerd militair oefenterrein in de omgeving van Bordeaux maakt dezelfde Antoine de undercoverjournalist van France 2 later deelgenoot van zijn haat tegen de moderne democratie en zijn weerzin tegen Vaticaan II. Een ander lid van Dies Irae, ene Ludo, vult aan dat dit kerkelijk concilie (gehouden tussen 1962 en 1965) verantwoordelijk is voor de leegloop van de kerken. Hij vertelt er geen enkele moeite mee te hebben een hervormingsgezinde priester tot moes te slaan. Evenmin zou Ludo ermee zitten 'een paar moslims aan het mes te rijgen’. 'Dies Irae’, zo zegt hij, 'is op kruistocht.’
'Noodzakelijk’, zo meent de priester van de Saint-Éloi, waar de journalist zich na zijn bezoek aan het oefenterrein aanmeldt om catechisatie te ontvangen. 'De islam is een oorlogszuchtige religie’, zo zegt de priester nadat hij eerst het leerstuk van de ongelijkheid der rassen heeft aangeroerd. 'Het is nodig voorbereidingen te treffen, zich te organiseren voor een religieuze oorlog.’
Een lidmaatschap van het FN blijkt ook bij Saint-Projet een goede binnenkomer. De school in het centrum van Bordeaux is een pijler van het zogeheten Institut du Bon Pasteur, eveneens gevestigd in de Saint-Éloi, en het schoolbestuur bestaat uit leden van de kerkgemeenschap. Op de school moeten niet zozeer de moslims als wel de joden het ontgelden. In de lerarenkamer worden ze vergeleken met 'ratten’ en iemand meent te weten dat president Sarkozy dankzij de hulp van vier Amerikaans-joodse bankiers aan de macht gekomen is. 'Wij zijn facho’s; onze huwelijksreis voert naar Auschwitz’, zingen drie elfjarige jongetjes tijdens de les. En: 'Joodje, joodje. Als je gierig bent, dan sturen we je naar een kamp ten Noorden van Berlijn.’
Wanneer de undercoverjournalist hun vraagt waarom ze onaardig over de joden spreken, antwoorden ze: 'Omdat ze Christus hebben vermoord.’ De geschiedenisleraar blijkt er even later zo zijn eigen ideeën over de Duitse bezetting op na te houden. Maarschalk Pétain heeft zijn land 'enorme diensten’ bewezen. Dit in tegenstelling tot generaal De Gaulle. Die had immers al voor de wapenstilstand met de Duitsers de wijk naar Londen genomen. Daar is een woord voor, aldus de leraar: 'Landverraad.’
De uitzending leidde in Frankrijk tot veel commotie. In de nationale media werd schande gesproken en in Bordeaux zelf kreeg burgemeester Alain Juppé het verwijt de 'traditionalisten’ veel te lang getolereerd te hebben. Inderhaast besloot Juppé alsnog een gerechtelijk onderzoek in te laten stellen. De kerkgemeenschap van de Saint-Éloi toonde zich op haar beurt minstens even verontwaardigd over de uitzending. In een inderhaast opgesteld communiqué werd gerept van insinuaties, leugens en het aanzetten tot haat van minderjarigen. Philippe Laguérie, baas van het Institut du Bon Pasteur, verdedigde zich op zijn blog door te stellen dat leerlingen van Saint-Projet niet uit eigen beweging Hitler-liedjes hebben gezongen, maar daartoe werden aangezet door de onderzoeksjournalist van France 2.

SINDSDIEN LIJKEN de gemoederen enigszins bekoeld, maar spreken met een journalist wil geen van de kerkgangers die de kerk na afloop van de zondagse mis verlaten. Daar komt maar heibel van, zo leren de sterren in de ruit van de aan de Saint-Éloi gelieerde religieuze boekhandel in het steegje tegenover de ingang.
Het Institut du Bon Pasteur werd in 2006 opgericht, valt onder pauselijk gezag en verzamelt priesters en seminaristen van de zogeheten Fraternité sacerdotale de Saint-Pie-X. Het beschikt over het uitzonderlijke recht de Tridentijnse ritus uit te voeren, oftewel de Latijnse mis die na Vaticaan II was komen te vervallen. In werkelijkheid ging het om de zoveelste lijmpoging om de traditionalisten in de armen van de moederkerk te Rome te sluiten. De door Rome geboden mogelijkheid een Latijnse mis op te dragen zagen de traditionalisten zelf niet als een gunst, maar als een erkenning van hun bijzondere missie, een aanmoediging zelfs. 'Wie de statuten en de oprichtingsverklaring goed leest’, staat op de website van het Institut du Bon Pasteur, 'zal zien dat het gaat om een missie, een eigen discipline die niet alleen de legitimiteit van de Tridentijnse ritus bevestigt, maar tevens haar waarde voor de Kerk benadrukt. Vanaf nu is het opdragen van een traditionele mis niet langer een gunst, maar wordt zij aangemoedigd door de Heilige Stoel.’
Begin 2009 zorgden de traditionalisten wereldwijd voor enorme ophef toen bisschop Richard Williamson in een interview met de Zweedse televisie stelde dat hij niet gelooft dat er tijdens de Tweede Wereldoorlog gaskamers hebben bestaan. Er zouden 'overweldigende bewijzen’ zijn dat dit niet het geval was geweest. De nazi’s hadden volgens Williamson 'ten hoogste’ driehonderdduizend joden kunnen ombrengen. Nooit zes miljoen. Het was de ultieme provocatie, alleen al omdat paus Benedictus XVI nota bene op de dag waarop het interview werd uitgezonden zijn handtekening zette onder het decreet dat de excommunicatie van Williamson ophief en daarmee de weg vrij maakte voor de terugkeer van de traditionalisten in de katholieke moederschoot. Deze excommunicatie dateert uit 1988, toen Williamson samen met drie andere geestverwante priesters zonder pauselijke goedkeuring tot bisschop werd gewijd door monseigneur Marcel Lefebvre.
Lefebvre (1905-1991), voormalig aartsbisschop van Dakar en oprichter van de Fraternité sacerdotale Saint-Pie-X, wordt vanwege zijn Noord-Franse afkomst door sommigen vergeleken met Charles de Gaulle of maarschalk Pétain. Net als zijn twee streekgenoten was Lefebvre behept met de vrijmoedigheid en onverzettelijkheid die de bewoners van Le-Nord-Pas-de-Calais eigen heten te zijn en die hen tot de meest extreme acties kunnen brengen.
Anderen hekelen zijn beperkte geest, een eigenschap waarin hij eerder doet denken aan de bekende contrarevolutionair Louis de Bonald (1754-1840), zo meeslepend geportretteerd in Secretaris der Natuur, het in 2008 verdedigde proefschrift van de politicoloog Roeland Audenaerde. Zo beschikte Bonald niet over de brille en de zwarte humor waarmee Joseph de Maistre, de andere helft van de 'dubbele adelaar van de contra-Revolutie’, zijn publiek betoverde. Trots was Bonald met name op de wet die hij onder de Tweede Restauratie (1815-1830) inspireerde en die de doodstraf stelde op heiligschennis. 'De Revolutie is begonnen met de verklaring van de rechten van de mens, maar zal eindigen met de verklaring van de rechten van God.’ Voor Bonald was de Franse Revolutie de te bestrijden vijand; voor Lefebvre was dat Vaticaan II. Dit concilie was een initiatief van paus Johannes XXIII en streefde naar een aggiornamento, het 'bij de tijd brengen’ van de katholieke kerk. Al vanaf het begin toonde Lefebvre, als een van de 2540 bisschoppen aanwezig in Rome, zich afkerig van een dergelijk verlangen. Hij vreesde dat het concilie met de kerk zou doen wat de Franse Revolutie in zijn ogen met de samenleving had gedaan: ruim baan geven aan destructieve 'liberale’ en 'moderne’ krachten, die de kerk op termijn zouden vernietigen.
Het streven naar oecumene met de protestanten en dialoog met niet-christelijke godsdiensten, waarmee het concilie in 1962 opende, was hem een doorn in het oog. Net zoals hij de nieuwe liturgie, die de traditionele Latijnse mis van paus Pius V zou moeten vervangen, beschouwde als een onacceptabele dwaling. Toen het concilie, vlak voor de sluiting op 8 december 1965, instemde met de Dignitatis humanea, waarbij de kerk afstand doet van de claim dat het katholieke geloof het enige ware geloof is, beschouwde hij dat als een ware oorlogsverklaring aan le foi de toujours. 'Het concilie effent op schrikbarende wijze het terrein voor de verspreiding van de liberale misvattingen’, schreef Lefebvre eind 1966 aan kardinaal Ottaviani. 'Het geloof, de moraal, de kerkelijke discipline zijn met voeten getreden. De ondergang van de Kerk nadert met rasse schreden.’

ALS LID VAN een kleine ultraconservatieve minderheid kon Lefebvre tijdens Vaticaan II weinig uitrichten tegen de door hem zo verfoeide 'liberalisering’ en 'modernisering’. Vanaf 1969 verschanste hij zich met een aantal volgelingen in het Zwitserse Écône en groeide daar spoedig uit tot het symbool van het verzet tegen de tijdens Vaticaan II door Rome ingeslagen weg. Welwillende gezanten uit Rome werden zonder pardon de deur gewezen. Lefebvre wilde niets meer te maken hebben met het 'neo-moderne’ en 'neo-protestantse’ Rome. Ondertussen bleef hij de klassieke Tridentijnse ritus gewoon opvoeren en priesters en diakenen wijden. Na talloze vergeefse lijmpogingen ontnam paus Paulus VI hem in 1976 het recht de mis op te dragen en de sacramenten toe te dienen. Lefebvre trok zich daar niets van aan. In Europa, maar ook in de VS en in Zuid-Amerika opende hij filialen van zijn broederschap. Hij droeg de mis op en wijdde priesters. Traditionele pelgrimages, zoals die naar Chartres, blies hij nieuw leven in.
In 1977 werd in het Parijse vijfde arrondissement de kerk Saint-Nicolas du Chardonnet met geweld bezet door volgelingen van Lefebvre. Tot op de dag van vandaag bivakkeren ze hier illegaal en iedere zondagochtend verzamelt zich hier een sjiek uitgedost gezelschap Parijzenaars om naar een Latijnse mis te luisteren. In 1998 was dat een mis ter ere van de historicus en holocaustontkenner Maurice Bardèche, tevens berucht collaborateur tijdens de Tweede Wereldoorlog. Onder de aanwezigen bevonden zich Jean Marie Le Pen en andere representanten van het extreem-rechts dat staat in de traditie van Charles Maurras (1868-1952), de man die de decadentie van Frankrijk hekelde, ten prooi gevallen aan een complot van protestanten, joden, vrijmetselaars en binnen de landsgrenzen residerende vreemdelingen (les métèques). Lefebvre riep in de jaren tachtig op te stemmen op Le Pen omdat die de enige politicus was die zich onomwonden uitsprak tegen abortus. Hij koesterde een diepe afkeer tegen de mensenrechtenbeweging en sprak bij herhaling zijn bewondering uit voor dictators als Salazar (Portugal), Franco (Spanje) en Pinochet (Chili) - leiders van regimes 'die op God zijn gegrondvest’. Geen land ook waar een mens zich 'zo vrij kon bewegen’ als Videla’s Argentinië.
De spanningen tussen de traditionalisten en Rome liepen intussen gestaag op. Zeker toen Lefebvre zijn einde voelde naderen en in 1987 zijn voornemen uitte om een viertal bisschoppen te wijden om zo de continuïteit van zijn beweging veilig te stellen. Een dergelijke daad zou automatisch excommunicatie tot gevolg hebben en in een ultieme poging om een naderend schisma te voorkomen toonde Joseph Ratzinger, op dat moment prefect van de Congregatie van de geloofsleer, zich bereid tot een aantal vergaande concessies. Zo verleende hij de Fraternité sacerdotale Saint-Pie-X niet alleen een pauselijk statuut, maar zelfs het recht om de liturgie van voor 1962 te volgen. Maar dat ging Lefebvre allemaal niet ver genoeg. Hij wilde dat Rome terugkwam op het verderfelijke modernisme van Vaticaan II in zijn geheel.
De verhoudingen met Johannes Paulus II waren op dat moment grondig verziekt. In 1986 bad deze paus in de Italiaanse stad Assisi samen met afgevaardigden van uiteenlopende religies voor de vrede. Voor Lefebvre was dit een affront. 'Johannes Paulus II moedigt schijnreligies aan hun valse goden te aanbidden’, schreef hij aan zijn volgelingen. Voorafgaand aan de bijeenkomst in Assisi stuurde hij de paus daarom een 'catechisatie in beelden’ in de vorm van twee uiterst provocerende tekeningen. Op de ene is te zien hoe Johannes Paulus II Jezus en Maria de toegang tot de interreligieuze bijeenkomst in Assisi ontzegt met het argument dat ze 'niet oecumenisch’ zouden zijn; de tweede afbeelding toont een Christus die de paus de toegang tot het paradijs weigert, hem eraan herinnerend dat alleen hijzelf het heil kan brengen.
In juni 1988, toen Lefebvre in Écône zonder pauselijke toestemming vier bisschoppen wijdde, werd de breuk tussen Rome en de lefebvristen een feit. Na Lefebvre’s dood is Rome steeds pogingen blijven ondernemen om de traditionalisten terug in de moederkerk te krijgen. Deze inspanningen verdubbelden na de pausverkiezing van Ratzinger als Benedictus XVI in 2005. Al diezelfde zomer ontving hij Bernard Fellay, een van de vier door Lefebvre gewijde bisschoppen. Later dat jaar hield de nieuwe paus ter ere van de veertigste verjaardag van Vaticaan II een rede waarin hij zijn voorkeur uitsprak voor een interpretatie van het concilie die in het verlengde ligt van de traditie en niet met een breuk. Een jaar later gaf hij toestemming voor de oprichting van een instituut in Bordeaux (het Institut du Bon Pasteur) en een jaar later alweer 'liberaliseerde’ hij het volgen van de Tridentijnse ritus overal waar een 'stabiele groep’ van gelovigen daarom vraagt.
Op het oog verbazen deze gestes niet. Als kardinaal had Ratzinger immers al forse kritiek op de nieuwe liturgie en vroeg hij sympathie voor degenen die de Tridentijnse ritus wensten te blijven volgen. Bovendien heeft hij als paus nooit een geheim gemaakt van zijn weerzin tegen al te liberale interpretaties van Vaticaan II. Met zijn pessimistische visie op de staat van de katholieke kerk - 'het schip dat overal water maakt’ - is hij een natuurlijk bondgenoot van de traditionalisten. Niet verbazingwekkend werd Ratzingers uitverkiezing in hun kringen gezien als 'une divine surprise’.
Aan de andere kant: waarom al die moeite voor een groepering die wereldwijd niet meer dan 150.000 gelovigen telt, een fractie op een totaal van een miljard katholieken? Een groepering bovendien waarvan de leiders haatzaaiende teksten spuien en zich niet bereid tonen tot ook maar de minste concessie? Henri Tincq, voormalig correspondent van Le Monde in Vaticaanstad, suggereerde eens dat de traditionalisten het slechte geweten vormen van diegenen binnen de katholieke kerk die de hervormingen van Vaticaan II nooit in zijn geheel hebben kunnen accepteren. En de met automatische geweren zwaaiende Antoine en Ludo van Dies Irae? Marginale figuren, waarschijnlijk zelfs binnen de traditionalistische beweging. Die worden pas een probleem wanneer ze een grote geldschieter vinden en vliegtuigen in wolkenkrabbers beginnen te vliegen. En dan niet alleen een probleem voor Rome.