Het slijk

De Marinus is verkocht. Een klipper uit 1901, dertig meter lang, met een boeg als een dapper vooruitgestoken borstkas. Ik kwam er deze week achter, maar de noodgedwongen verkoop vond zes jaar geleden plaats. Hoge onderhoudskosten en teruglopende opbrengsten van dagjesmensen en teamuitjes, vermoed ik. Vijftien jaar lang heeft de schipper het vol weten te houden. Ik weet hoe zijn dagen eruit hebben gezien. De aankomst van een groep. Al naar gelang de achtergrond en onderlinge verhoudingen nieuwsgierig, bedeesd of uitgelaten. Soms sleepten ze tassen met sapjes en zakken krentenbollen mee maar meestal werd het schip ‘inclusief’ geboekt. Dan leverde de lokale bakker voor vertrek de dozen met broodjes af, reed de slijterij voor en kwam de visboer schalen met paling, zalm en garnalen brengen. Ik was achttien en voer wel eens mee om drankjes rond te brengen. Je kreeg er zeebenen van. Ik heb nooit een dienblad laten vallen – al is er ooit wel een bak krabsalade van de bar gegleden toen we de Oosterschelde op voeren.

Er waren groepen die echt wilden zeilen. Ze stelden vragen, stonden glimmend van pret zeilen te hijsen of keken zielsgelukkig rond. Maar er waren ook keurige kantoormensen die binnen een paar uur veranderden in dronken schreeuwers, een broodje in de ene hand, een wijnfles in de andere. Ambtenaren, docenten, artsen, juristen. De schipper verdroeg veel. Zijn blik leek altijd op de horizon gericht, al ontging hem niets. Zodra iemand het in zijn hoofd haalde een willekeurig touw los te maken of een mast in te klimmen zette hij het op een bulderen.

Zelf was ik op die leeftijd nog enigszins verbaasd over keurige mannen die naarmate de middag vorderde dubieuze liederen aanhieven, van de smalle houten trap lazerden of elkaar tot grootse prestaties aan probeerden te zetten. ‘Hee Erik, laat je lul zien man, laat even lekker je lul zien!’ Kwam er een zandbank met zeehondjes in zicht, dan stonden ze aan de reling te blaffen, waarbij er soms eentje overgaf. Daar werd dan voor geapplaudisseerd. Uiteraard waren er ook mannen die meenden dat het meisje met het dienblad bij de prijs was inbegrepen: dan kreeg ik een plakkerige hand in mijn nek, een naar kruidenbitter riekende mond op me af. Eén keer lispelde de directeur van een verzekeringsmaatschappij me in het oor dat hij zo geil werd van zeelucht. Hij keek er wat droevig bij, alsof hij zelf ook niet precies wist wat hij daarmee aan moest.

Op de terugtocht had ik meestal weinig te doen. Men lag, zeeziek of dronken, op het dek. Ik hield van het ritmische swoetsj-swoetsj van het water en het rumoer van de meeuwen. Er hoort wat mij betreft een gedicht van Anneke Brassinga bij, dat ook als schietgebed bij schipbreuk kan dienen.

Wadloper en meeuw

Vervloek me, vliespotige krijsende engel,
belaag me. Hoe walgelijk ook het slijk
de einder moet bereikt.
Het wassen begint er,

het beter tij. Van kindsbeen, van huis uit
is mij ingefluisterd: op water lopen kan,
voor wie bereid is om de zee te drinken.

Anneke Brassinga
Uit: Verschiet, De Bezige Bij, 2001

Het slijk en de einder. De Marinus werd gekocht door een Engels echtpaar dat er een woonschip van wilde maken. Ze hebben een ligplaats nabij de Tower Bridge. Ik stel me voor hoe de schipper het nakeek, toen het voor de laatste maal wegvoer uit de haven van Zierikzee. Ergens in juni 2013 moet dat zijn geweest. Weinig zon voor de tijd van het jaar. Misschien werd er gezwaaid. Misschien werd er teruggezwaaid. Wat houdt een schiploze schipper over? De horizon in zijn blik, het water in zijn benen. De krijsende engelen boven zijn hoofd.