Mea Culpa van een bankier

‘Het smaakte gewoon naar meer’

De commissie-Maas riep de bankwereld op zich voortaan te richten op de belangen van de klant – niet de aandeelhouders en de eigen bonussen. Doel: het vertrouwen in de banken herstellen. Jeroen Smit, auteur van De prooi, kruipt in de huid van een schuldbewuste bankier.

WAT IS ER met me gebeurd? Waar is het mis gegaan?
Ik weet het nog goed. Net afgestudeerd, een beetje te bang voor het echte bedrijfsleven, maar ook te avontuurlijk voor een leven als ambtenaar, koos ik voor een bestaan als bankier. Het leek me mooi – leven van de prijs van geld, van de marge tussen lenen en sparen. Het voelde als het redelijk alternatief, de gulden middenweg: zorgen voor de smeerolie van de economie.
Decennialang kreeg ik het ingetogen respect dat bij mijn functie hoorde, nu durf ik niet eens naar een verjaardagsfeestje. Burgemeester, notaris, bankier: we waren wat. Nu krijg ik de schuld van de diepste economische crisis van de afgelopen honderd jaar. Steeds weer die beelden van hongerende kinderen uit de jaren dertig in combinatie met die beschuldigende vinger die naar ons wijst. Ik word zelfs uitgelachen, als een egoïstische graaier in een hoek gezet.
Met weemoed denk ik af en toe terug aan de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Toen ademden wij bankiers de trots die bij het vervullen van onze nutsfunctie hoorde. Je kon het waarschijnlijk aan me zien, ik voelde me bijna persoonlijk verantwoordelijk voor het wel en wee van de nationale economie. Ik kon nog hardop zeggen dat een bankaandeel niets meer maar ook niets minder kon zijn dan een ‘obligatie met een lekkertje’. Grote risico’s waren immers uit den boze, die nam een verantwoordelijke bankier niet.
Het was de tijd waarin ik een goed salaris verdiende. Een beetje tussen dat van een ambtenaar en ondernemer in. Fatsoenlijk – dat zeiden we ook tegen elkaar: als je meer wilde dan moest je maar in het gewone bedrijfsleven gaan werken.

IN EEN PAAR maanden tijd ben ik een outcast geworden, een soort onaanraakbare. Wat is er met mij gebeurd? Waar is het mis gegaan? En wanneer?
9 november 1989, ik weet het nog goed, viel de Muur. Mijn jeugd was doorspekt met die vermaledijde Koude Oorlog, met die Muur tussen Oost en West, tussen kapitalisme en communisme. Het voelde als het einde van een tijdperk. Een tijdperk waarin de wereld in twee stukken was verdeeld, in goed en slecht. We juichten: eindelijk waren we bevrijd van de suggestie dat een in vijfjarenplannen denkende overheid op dictatoriale wijze de regie zou moeten voeren. Het vrije Westen had gewonnen. Het marktdenken had gewonnen: game, set and match voor het kapitalisme.
Overheden moesten een paar toontjes lager gaan zingen, hun meerdere erkennen. Leve de kleine overheid, laat de markt zijn werk maar doen. De markt heeft altijd gelijk, zeiden we vanaf dat moment tegen elkaar. De effectenbeurzen werden de graadmeters, gaven de scores aan. Het werd een survival of the fittest, zoals Darwin het bedoeld heeft. Fit was het bedrijf met de beste koers-winstverhouding, het bedrijf met de hoogste koers. Want dat kon de rest kopen. Fit was het bedrijf met de beste mensen, die natuurlijk ook het best werden betaald. Op grote schaal introduceerden media lijstjes met vergelijkingen. Wie het beste was, het grootste, het rijkste. Nummer 100 wil nummer 99 worden, nummer 2 nummer 1.

WE ONTKWAMEN niet aan deze nieuwe realiteit. Om de aandacht te trekken van de altijd om nog meer rendement vragende beleggers moesten we wel mee gaan doen. Ook banken moesten steeds grotere rendementen beloven. Tien procent meer winst per jaar, nee vijftien, nee twintig procent. We speelden het spel mee, distantieerden ons van overheden en ambtenaren en identificeerden ons met het spannende spel op de beurs.
Om de aandacht en daarmee het geld van veeleisende beleggers vast te houden moesten we de strijd aangaan met al die andere, gewone beursgenoteerde bedrijven. Bedrijven die wél failliet mogen gaan. Grote succesvolle bedrijven als Shell, Unilever, Microsoft. Banken wilden laten zien dat ze nog winstgevender konden zijn.
Om ons op te jagen en tot steeds betere prestaties aan te zetten, werden onze beloningen direct gekoppeld aan onze successen, onze resultaten. Wie de eigenaren-aandeelhouders rijk kon maken mocht zelf ook rijk worden. Waarom zou een succesvolle manager of bankier niet tientallen miljoenen kunnen verdienen, of nog veel meer dan dat? Good for him. En zo werd gelijk krijgen op de beurs een heilig gegeven. Ook voor ons, bankiers.
Dag in, dag uit werden de vergelijkingen gemaakt, voelden we de druk van de markt. Voor zorgen over de nationale economie, onze nutsfunctie, hadden we geen tijd meer. Steeds meer mensen waren gaan beleggen, pensioenfondsen stopten bijna de helft van al het gespaarde geld in aandelen. De druk om te presteren werd gigantisch. De wetten op de beurs zijn simpel: wie niet levert, valt af. En als je aandeel niet in trek is, daalt de koers. En als de koers daalt dan ben je minder waard. En als je minder waard bent dan word je overgenomen. En dat wil niemand. Je wil overnemen. Je wil jagen. Niemand wil prooi zijn. Ik ook niet.

WE STELDEN VAST dat we het niet zouden redden als we ons alleen maar met de simpele kredietverlening bezighielden. Door de enorme concurrentie, wereldwijd, waren de marges veel te dun geworden. Om de winsten te laten stijgen moesten we spannender dingen doen, spannende, ingewikkelde dingen.
Het is waar, ik kan het niet ontkennen, we hebben het risicomijdende denken op grote schaal ingeruild voor dat spannende spel. Ik ook. Het gezicht van de bank veranderde, de mensen veranderden. Investment bankers, handelaren in financiële producten gingen het hoogste woord voeren. Ik begreep ze eerst niet. Ze noemen zichzelf bankiers maar het zijn vooral adviseurs en speculanten. Ze gaan van deal naar deal. Mensen die vroeger vooral voor eigen rekening en risico werkten. Mensen die voor hun gevoel trouwens niet echt in dienst van een bank maar vooral voor zichzelf werken. Spelers die tijdens de wedstrijd van shirt wisselen als de tegenpartij beter betaalt. Vaak tien jaar jonger kregen ze tien keer zo goed betaald.
Veel gewone bankiers begrepen hier niks van. Ik ook niet. Het ging toch om de lange termijn, om klanten, om stabiliteit? Aan de andere kant maakten die nieuwe collega’s ons bankvak spannend. Ze staken hun nek uit en beloofden gigantische winsten. Voor het eerst kreeg ons vak veel aandacht in de media, werd het zelfs sexy gevonden. En dat smaakte naar meer. Ik zeg het hier eerlijk, dat smaakte gewoon naar meer.

NU BEGRIJP ik het, toen niet. Een dodelijke combinatie van mondialisering en steeds snellere informatietechnologie zorgde ervoor dat in de wereld van lenen en sparen eindeloze reeksen nieuwe producten werden ontwikkeld. Valuta’s, rentes, hypotheken, aandelen, spaartegoeden, creditcardverplichtingen, obligaties, alles werd aan alles gekoppeld. Steeds slimmere mensen werden door banken ingehuurd om weer iets nieuws te bedenken, niet zelden studeerden ze wiskunde of natuurkunde. Rocket scientists die altijd een beetje moesten lachen om hun bazen, de gewone bankiers. Ze bouwden razend ingewikkelde modellen, hadden het over derivaten, afgeleiden van afgeleiden. Hun bazen, mensen zoals ik, begrepen er niet veel van. Maar ook dat moet maar eens hardop worden gezegd: het maakte mij toen niet uit. Ik wilde winnen, bovenop liggen, hogere rendementen maken.
Jaar in, jaar uit nam de complexiteit toe. Risico’s werden herberekend, gedeeld, samengevoegd en weer herberekend. Net zo lang tot er kopers voor waren. Kopers, vaak ook weer bankiers, snakten naar de beloofde rendementen. Voorzover we de risico’s konden begrijpen, werd er weinig aandacht aan besteed.
Welke risico’s trouwens? Als er al risico’s waren, dan zou het zeker een half jaar duren voordat ze een rol zouden kunnen spelen. En over een half jaar, ach, dat was een eeuwigheid. Binnen de bank werd het kwartaalresultaat heilig, dat moest meer zijn. En de bonus natuurlijk. Die verdomde bonus, vaak al uitgegeven voordat ze was geïncasseerd. Ik ben in die jaren twee keer verhuisd. Van een twee-onder-een-kap naar iets vrijstaands. Nu woon ik op een landgoedje. Met een hek erom.
Natuurlijk heb ik regelmatig gedacht: moeten we niet op de rem stappen, moeten we niet nadrukkelijker waarschuwen voor de onderliggende risico’s? Maar ja, ergens voor waarschuwen is niet bepaald vertrouwenwekkend. Als bankier weet je als geen ander dat de gezondheid van een economie voor alles een self-fulfilling prophecy is. Vertrouwen uitstralen, keurig in het pak, vriendelijke gedistingeerde glimlach en op rustige toon blijven roepen dat het allemaal goed gaat.
Dus riepen we jaar in, jaar uit dat het er prima uitzag. Maar geen enkele weg is alleen maar recht. Zelfs in de droogste woestijn regent het een keer. Het lijkt verdorie wel of we dat simpele gegeven collectief waren vergeten. En op een gegeven moment waren de inzetten zo gigantisch dat niemand nog rekening wilde houden met de gedachte dat het vertrouwen zou opdrogen. Dat het kaartenhuis in elkaar zou lazeren.

EN TOEN begon het te druppen. Heel voorzichtig werd het nat. Het begon in de Verenigde Staten, de bakermat van het pure kapitalisme. Jarenlang waren huizen verkocht en kredieten verleend aan mensen die het eigenlijk niet konden betalen. Toen dat uitkwam, begon de lucht eruit te lopen. Duizenden miljarden euro’s gingen sindsdien in rook op. Eerst alleen papieren winsten, overwinsten… daarna de echte reserves, zuurverdiende spaarcenten. Al dan niet gestald bij een failliete, overoptimistische IJslandse bank.
Oef, wat een paniek. Wekenlang heb ik nauwelijks geslapen, voor me uit zitten staren. Ik wist het gewoon niet meer. Hiervoor had ik geen scenario. Je kan zeggen dat ik, dat honderdduizenden van mijn collega’s, dat we allemaal in een identiteitscrisis terechtkwamen. We vertrouwden elkaar niet meer, onszelf niet meer. We hielden op elkaar geld te lenen, anderen geld te lenen. Vanaf dat moment was de recessie een feit.
Ik heb dat misschien wel als de grootste schande ervaren; dat je zo faalt dat je door miljarden van de overheid moet worden gered. Dat de belastingbetaler ons moest redden. Erger kan toch niet!
Ik ben nu ambtenaar. Oké, mijn bank is niet failliet, maar mijn imago is dat wel. Daar moet ik eerlijk in zijn. Deep down weet ik dat ik de weg ben kwijtgeraakt. Dat ik mezelf heb verloochend, dat ik voor het geld ben gegaan, voor de wedstrijd. Dat ik de belangrijkste verantwoordelijkheid ben vergeten.
Maar wat nu? Ik weet het niet. Soms overweeg ik maar helemaal te stoppen met werken. Maar dan realiseer ik me dat ik dan compleet heb gefaald. Juist nu moet ik verantwoordelijk zijn. Laten zien dat het me aan het hart gaat, dat ik lessen heb geleerd. Ik wil ervoor zorgen dat mijn vak weer betekenis krijg, ervoor zorgen dat de economie weer gaat draaien. De wereld moet haar bankiers weer gaan vertrouwen.
Soms heb ik het gevoel dat ik opnieuw moet leren lopen. Daar lijkt het op. Het voelt als opnieuw beginnen, met niks. Ik zal eerst schuld moeten bekennen. Bekennen dat ook ik de verleidingen niet kon weerstaan. Alleen zo krijg ik, krijgen we nog een kans, zal de samenleving die ons nu zo haat ons weer beetje bij beetje gaan vertrouwen. Want dit gaat me echt aan het hart. Echt waar. Ik ben een brave burger.

Jeroen Smit publiceerde vorige jaar de bestseller De prooi: Blinde trots breekt ABN Amro. Bovenstaande tekst werd tijdens ‘Crisis in Frascati’ opgevoerd door acteur Jaap Spijkers