iGeneration: digitale versus tastbare realiteit

Het smartphone-complex

Groeit er een generatie watjes op? Jongeren zijn depressiever, minder sociaal en hebben vaker angststoornissen. Psychologen vragen zich af hoe de smartphone daar een rol bij speelt.

‘Het begon allemaal met één patiënt’, vertelt Daniel Kantor. ‘Een jongen die iedere sessie zijn telefoon meenam de spreekkamer in. Hij zat de hele sessie te appen.’ Kantor lijkt sprekend op een jonge Oliver Sacks. Grote zwarte baard, ronde bril, wijkende haarlijn. Als psychotherapeut is hij gespecialiseerd in de behandeling van adolescenten. Hij werkt en doceert in Lima, Peru. Ik sprak hem via Skype.

‘Ik was stomverbaasd. Als ik de jongen wat vroeg, keek hij af en toe verveeld op van zijn mobieltje. Als de vraag hem interesseerde, gaf hij antwoord. Meestal werd zijn aandacht meteen weer z’n beeldscherm in gezogen. Zo ging dat, week in, week uit. Hij was totaal verslaafd aan dat ding.’ Kantor ziet het steeds vaker: jongeren die psychisch afhankelijk zijn van hun telefoon of tablet. ‘Het zorgelijke is: het begint steeds vroeger’, zegt hij. ‘Ouders parkeren hun kinderen steeds jonger achter zo’n apparaat. Er zijn zelfs kleuters die niet meer zonder kunnen.’

De meeste patiënten die Kantor behandelt behoren tot Generatie Z – in Amerika ook wel de ‘iGen’ genoemd – bestaande uit jongens en meisjes geboren tussen 1995 en 2012. Het is de eerste generatie die is opgegroeid achter hun telefoons en tablets. Millennials kunnen zich nog een tijd herinneren zonder het internet, maar voor de iGen hoort de smartphone er gewoon bij. En misschien niet toevallig: het is óók de generatie met de meeste psychische klachten sinds jaren. Depressies. Eetstoornissen. Suïcidale neigingen. In de VS zoekt inmiddels elf procent van de middelbare scholieren psychologische hulp. In 1983 was dat nog maar vier procent. In ons land stijgen de cijfers ook.

Wetenschappers krabben zich achter de oren. Maakt digitale technologie jonge mensen ziek? ‘Het debat is gepolariseerd’, legt Kantor uit. ‘Aan de ene kant heb je de missionerende iPad-zeloten. Die duwen hun kinderen het liefst zo vroeg mogelijk een tablet in handen. Aan de andere kant heb je de zwartkijkers: voor hen is iedere technologische ontwikkeling een stapje dichter bij de afgrond.’ Het is volgens Kantor de verkeerde discussie: ‘We zouden het moeten hebben over wat smartphones voor ons betekenen, of zouden kunnen betekenen. En waarom we er zo bang voor zijn.’

De World Health Organisation (WHO) luidde in april 2019 de noodklok. Ze publiceerde een rapport waarin werd geadviseerd dat kinderen onder de vijf niet langer dan één uur schermtijd zouden moeten krijgen. De experts maken zich met name zorgen over het feit dat kinderen te weinig lichaamsbeweging krijgen. ‘De waarschuwing gaat over te veel elektronische schermtijd voor zéér jonge kinderen’, verklaarde who-expert Fiona Bull tegen verslaggevers.

Er kwam felle kritiek. Andrew Przybylski, directeur van het Oxford Internet Institute aan Oxford University – een instituut dat wordt gesponsord door onder andere Google en Virgin Media – zei in een verklaring: ‘Niet alle schermtijd is hetzelfde.’ Volgens Przybylski was er in het rapport te weinig aandacht voor de vraag wat voor sóórt schermtijd kinderen precies ondergaan. Ook het Royal College of Paediatrics and Child Health in Groot-Brittannië zette vraagtekens bij de conclusies in het who-rapport. Zij vonden de aanbevelingen gebaseerd op te weinig data. Ouders worden daardoor onnodig bang gemaakt, stelden zij.

Maar de angst voor het beeldscherm is niet nieuw. In 1961 werd aan Stanford University het eerste onderzoek verricht naar de invloed van beeldschermen op het gedrag van kinderen. Wetenschappers waren destijds bezorgd over de invloed van televisiebeelden van seks en geweld op jonge geesten. Het effect bleek moeilijk te meten. De onheilspellende, maar niet al te opmerkelijke, conclusie van het onderzoek luidde: televisie is voor sommige kinderen soms schadelijk. Het was genoeg om de Amerikanen wakker te schudden. Met geld van onder anderen Henry Ford en de Amerikaanse overheid werden academici van allerlei snit bijeen gebracht om een oplossing te bedenken. Boven de asbakken werd bepaald dat er een programma moest komen dat de ‘verslavende middelen’ van het televisiescherm zou inzetten voor ‘educatieve doeleinden’. In 1969 was het zo ver: Sesamstraat ging de buis op.

Terwijl Bert en Ernie de kinderen vermaakten, verschoof de aandacht van wetenschappers van de inhoud naar de fysieke gevolgen van te veel schermtijd. Was het langdurig naar een scherm turen schadelijk voor de ogen? En kregen kinderen nog wel genoeg lichaamsbeweging? Het zijn dezelfde vragen die anno 2019 gesteld worden over smartphones en tablets. Nog steeds leven in onze maatschappij allerlei fantasieën en angsten over de invloed van beeldschermen op de ontwikkeling van jonge mensen.

Wetenschappers aan King’s College London publiceerden in 2016 een onderzoek waaruit bleek dat baby’s tussen de negentien en 36 maanden een fijnere motoriek hebben als ze al vroeg met tablets spelen. De onderzoekers waren voorzichtig positief in hun bewoordingen: het was niet duidelijk of de fijnere motoriek het resultaat was van het spelen op een tablet, of dat kinderen met een goede motoriek uit zichzelf eerder naar een beeldscherm grijpen.

De positieve toon van het onderzoek was een uitzondering. Het gebruik van tablets en smartphones wordt namelijk veel vaker in verband gebracht met lichamelijke klachten, bijvoorbeeld bijziendheid. Bijna de helft van alle jongvolwassenen in de Verenigde Staten en Europa ziet inmiddels slecht op afstand. Dat is twee keer zo veel als vijftig jaar geleden. In Singapore is tussen de tachtig en negentig procent van de twintigjarigen bijziend. In Seoul, de hoofdstad van Zuid-Korea, is bijna 97 procent van alle negentienjarige mannen bijziend. Volgens wetenschappers zijn er redenen om te denken dat overmatig schermgebruik en te weinig daglicht daar iets mee te maken hebben.

Maar de afhankelijkheid van beeldschermen vervormt niet alleen kinderogen. Koreaanse wetenschappers zien een verband tussen het gebruik van touchscreens en de toename van rugklachten, nekklachten en duimklachten. Als we de Koreanen moeten geloven, trekt een hele generatie jonge mensen krom boven hun digitale apparatuur.

Een van de meest felle critici van onze groeiende afhankelijkheid van beeldschermen is Manfred Spitzer, een Duitse psychiater en auteur. Spitzer heeft zich opgeworpen als kruisvaarder tegen de digitale revolutie. In zijn bestsellers Digitale Dementie en Digiziek waarschuwt hij voor de vele negatieve gevolgen van ons gebruik van beeldschermen. Door veel collega’s wordt hij weggezet als een one trick pony, maar Spitzers boeken vinden gretig aftrek, met name onder bezorgde ouders. Zijn conclusies zijn niet mals: hij constateert dat digitale media kunnen leiden tot een verhoogde bloeddruk, diabetes type 2, stress en slapeloosheid.

‘Het lijkt een gemeenplaats, maar wat auto’s, brillen, gehoorapparaten, zelfs wapens, doen voor het lichaam, doet een computer voor de geest’

Met name naar dat laatste is veel onderzoek gedaan. Daaruit blijkt dat de lichtfrequentie van telefoons en tablets – het zogenaamde ‘blauwe licht’ – vrijwel gelijk is aan dat van ochtendlicht. Ons lichaam reageert daarop en breekt de natuurlijk opgebouwde melatonine af, het hormoon dat ervoor zorgt dat we in slaap vallen en doorslapen. Televisies, laptops en pc’s geven allemaal blauw licht af, maar bij smartphones zou het effect het grootst zijn omdat de afstand tussen het apparaat en gebruiker het kleinst is. Canadese wetenschappers beweren zelfs dat onder tieners één uur per dag op sociale media al kan leiden tot problemen met slapeloosheid.

Doemdenkers zoals Spitzer waarschuwen dat die slapeloosheid weer kan leiden tot chronische stress die het immuunsysteem verzwakt, waardoor de kans op infecties en kanker op den duur toeneemt. De statistieken waarop Spitzer zich baseert zijn in elk geval stuitend: de gemiddelde schermtijd van tieners in Duitsland bedraagt nu zo’n zeven tot acht uur per dag. Dat zou betekenen dat hun slaap inmiddels wordt gekoloniseerd door een digitale droomwereld.

‘Is de computer een prothese?’ vraagt Marco Longo zich af in Psychoanalysis, Identity and the Internet (2016). ‘Het lijkt een gemeenplaats, maar wat auto’s, brillen, gehoorapparaten, alle gereedschap, zelfs wapens, doen voor het lichaam, doet een computer voor de geest.’ In het boek beschrijft de Italiaanse psychoanalyticus de computer – en daarmee smartphones en tablets – als het eerste verlengstuk van de menselijke geest. Het zijn tekstverwerkers, maar ook enorme geheugenpaleizen. En in zekere zin is het beeldscherm, via het internet, de toegangspoort naar de minds van andere mensen, meent hij.

Naast het lichaam is volgens velen ook het mentale welzijn van kinderen in gevaar. Bijvoorbeeld volgens Jean M. Twenge, hoogleraar psychologie aan San Diego State University. Zij schrijft in haar boek iGen (2017) over de invloed van smartphones op leden van Generatie Z: ‘De plotselinge toename van depressieve symptomen onder jongeren kwam bijna gelijktijdig op met de opkomst van smartphones. Dat is een te groot toeval, des te meer omdat meer sociale media wordt gecorreleerd aan depressie.’

De zorgen van Twenge komen niet uit de lucht vallen. Volgens het National Center for Health Statistics in de VS pleegde in 2015 46 procent meer tieners tussen de vijftien en negentien zelfmoord dan in 2007. ‘We kunnen niet zeker weten of dat te wijten is aan smartphones’, schrijft Twenge. ‘Maar de timing is wel verdacht.’ In haar boek laat ze overtuigend zien dat de opkomst van smartphones akelig nauw correleert met een forse toename van psychische problemen onder jongeren in de VS. Ook in Nederland was in 2017 sprake van een zorgwekkende stijging van zelfmoorden onder jongeren van tien tot twintig, bijna zeventig procent meer dan het jaar daarvoor. Drijft de eerste prothese van de menselijke geest jonge mensen misschien tot psychische wanhoop?

‘De smartphone is inderdaad een stuk gereedschap’, zegt Kantor. ‘Het kan bijvoorbeeld fungeren als babyfoon. Je hebt je vrienden en familie voortdurend binnen handbereik. Dat kan een zegen zijn én een vloek, afhankelijk van je familie en vrienden.’ Gebruikers zijn niet alleen altijd bereikbaar, ze zijn ook in steeds grotere mate traceerbaar. Er worden steeds meer apps ontwikkeld, met illustere namen als Spyzie en Qustodio, die ouders kunnen installeren op de apparaten van hun kinderen om hun locatie te bepalen. Maar er zijn ook apps als mSpy, waarmee ouders kunnen zien wie hun kinderen bellen, wat ze appen, welke apps ze gebruiken en welke websites ze bezoeken.

Kinderen staren niet alleen steeds langer naar hun beeldschermen, het beeldscherm staart ook steeds vaker terug.

De bezorgdheid van ouders is deels begrijpelijk. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat één op de drie tieners spijt heeft van dingen die ze ooit online hebben gedaan. Meer dan twaalf procent van de jongens en dertien procent van de meisjes in de Verenigde Staten heeft in 2016 een naaktfoto of seksfilmpje van zichzelf naar iemand verstuurd. In 2012 was dat nog respectievelijk vier en zes procent. En met al die virtuele seks lijkt er minder tijd over te blijven voor de fysieke daad zelf. Het aantal tienermoeders daalt rap in Amerika. Tieners in de VS hebben minder seks, worden minder snel zwanger en krijgen minder kinderen. Ook in ons land zet een dalende trend door. Op 1 januari 2018 waren er iets minder dan tweeduizend tienermoeders in Nederland, in 2010 waren dat er nog meer dan drieduizend. Het past in een hardnekkig narratief: de digitale realiteit vervangt de tastbare realiteit voor jonge mensen.

Voor de toename van depressies onder jongeren worden doorgaans twee verklaringen gegeven. Veel psychologisch onderzoek richt zich op wat wel de ‘meedogenloze positiviteit’ op het internet wordt genoemd. Op sociale media worden vaak alleen de hoogtepunten uit levens gepost, waardoor jongeren gebukt gaan onder verkeerde verwachtingen en onbereikbare idealen. Er is daardoor een fenomeen ontstaan dat in de praktijk ook wel fomo genoemd wordt: fear of missing out. Maar de belangrijkste reden dat jongeren steeds vaker in een depressie belanden is dat er online buitensporig veel gepest wordt.

In Psychoanalysis, Identity and the Internet biedt Marco Longo een verklaring voor het vele pesten en trollen op het internet. Volgens hem verhouden we ons onbewust tot onze digitale apparaten alsof het mensen zijn. Het is een bekend gegeven dat oude mensen zich minder eenzaam voelen als ze tegen een robot praten, en iedereen scheldt wel eens tegen zijn computer. Maar omdat we onze apparaten vermenselijken, is het volgens Longo verleidelijk om de échte mensen die we online ontmoeten juist te ontmenselijken. ‘De fysieke ander die we ontmoeten in cyberspace wordt dan gezien als indringer in ons vermenselijkte apparaat,’ schrijft hij.

Kantor voegt eraan toe: ‘Jongeren worden niet alleen door hun ouders achtervolgd op school. Kinderen nemen ook de wrede dynamieken van het schoolplein mee naar huis, de slaapkamer in. Als kinderen gepest worden kunnen ze niet meer ontsnappen. Dat leidt soms tot wanhoop.’

‘Jongeren worden niet alleen door hun ouders achtervolgd op school. Kinderen nemen ook de wrede dynamieken van het schoolplein mee naar huis’

Groeit er een generatie watjes op? Volgens de Amerikaanse academici Greg Lukianoff en Jonathan Haidt zijn leden van Generatie Z geobsedeerd door emotionele veiligheid en daardoor niet opgewassen tegen het ‘echte’ leven. In The Coddling of the American Mind (2018) mopperen zij op hun jonge studenten. In hun ogen zijn die veel te snel beledigd, zien ze overal vormen van onbewust seksisme en racisme, en koketteren ze te pas en te onpas met hun psychische problemen. Ook Lukianoff en Haidt wijzen naar de smartphone als een van de mogelijke oorzaken voor al die ellende.

‘Er is een joods mopje’, vertelt Kantor ondeugend. ‘Archeologen stuiten op een mysterieuze tekst in een grot. Het moet wel de eerste tekst ooit geschreven zijn. Als de geleerden de tekst ontcijferen, staat er: “De jeugd van tegenwoordig is niet meer wat zij geweest is!”’ Als hij van het lachen bekomen is, vervolgt hij: ‘Er zit natuurlijk wel wat in zo’n verhaal van Lukianoff en Haidt. Door smartphones staan we voortdurend in contact met elkaar. Jonge mensen leren niet meer hoe het is om alleen te zijn, want in fantasie is iedereen altijd bereikbaar.’

De Britse kinderarts en psychoanalyticus Donald Woods Winnicott beschreef in zijn klassieke boek Playing and Reality (1971) hoe kinderen zich psychisch losmaken van hun ouders. In andere woorden: hoe ze leren alleen te zijn. Allereerst, meende hij, is het nodig dat ouders bereid zijn om hun kinderen de ruimte te geven om zich los te maken. Daar is emotionele volwassenheid aan de kant van de ouder voor nodig. Een ouder die zijn kind gebruikt als psychische stoplap creëert een wederzijdse afhankelijkheid die soms jaren, soms levenslang, kan voortduren. Alleen-zijn leer je met z’n tweeën, dacht Winnicott.

Het was volgens hem daarnaast cruciaal dat een ouder zijn kind durft teleur te stellen. Teleurstelling is een belangrijk ingrediënt voor het gewend raken aan de weerbarstige realiteit. Ouders hoeven van Winnicott niet perfect te zijn, liever niet zelfs. Perfectie betekende volgens hem het opdringen van de subjectiviteit van de ouder aan het kind. Het is dan ook niet de bedoeling dat een ouder altijd maar klaar staat voor zijn kroost. Een goede ouder zou volgens Winnicott juist gedoseerd falen; op die manier kan een kind zich gaandeweg aan de soms teleurstellende realiteit aanpassen. Hij noemde dat good-enough ouderschap. Een good-enough-ouder is aanwezig als het nodig is, afwezig als het mogelijk is. Zo wordt psychische ruimte gecreëerd voor het kind om in de eigen ontwikkeling tot bloei te komen. Het mooie is: de meeste ouders zijn good-enough. Het gaat meestal vanzelf.

Maar Winnicott beschreef niet alleen de voorwaarden voor losmaking. Hij waagde zich ook aan beschrijvingen van de psychische toestand van een kind tijdens dat proces. Een pasgeborene moet om te overleven op zijn of haar wenken worden bediend door de ouders, dacht Winnicott. Dat betekende volgens hem dat een baby in eerste instantie moet leven in een wereld van hallucinatoire wensvervullingen. Als een prinsesje krijgt ze alles waar ze van droomt: als ze honger heeft, hallucineert ze de moederborst en wordt ze gevoed; als ze het koud heeft, komt mama haar warm houden.

Winnicott noemde dit de psychische toestand van ‘magische omnipotentie’. Kinderen moeten heel voorzichtig uit die mentale toestand worden begeleid door een op het juiste moment falende, good-enough ouder.

Tussen de magische omnipotentie van een pasgeborene en volledige aanpassing aan de soms teleurstellende realiteit beschreef Winnicott een soort psychisch overgangsgebied. Hij noemde dat de ‘transitional space’ – een psychische ruimte van de verbeelding, waarin de realiteit is doordrenkt met omnipotente fantasieën: ‘Kijk pap, ik kan vliegen!’ Als een klein kind op het punt staat zich meester te maken van die psychische ruimte, vindt het meestal een object dat Winnicott een transitional object noemde. Alle ouders kennen zo’n object: een doekje, of een teddybeer. Het is een object dat door het kind is uitgekozen en kenmerken heeft van de ouders – het is meestal zacht en warm – maar het staat ook los van ze. Het moet de overgang naar psychische onafhankelijkheid verzachten.

‘Een smartphone of tablet is in strikte zin geen transitional object’, zegt Kantor. ‘Want zo’n object is gebonden aan de specifieke ontwikkelingsfase van een kind. Maar in onze geest neemt het wel een zéér vergelijkbare plaats in. We zijn er zeker net zo afhankelijk van. En de wereld áchter de beeldschermen, het internet, kun je misschien zien als een prothese van de transitional space.’ Het internet is niet de realiteit, ook niet de verbeelding, maar een wereld van ver-beeldingen. En net als in onze eigen verbeelding kan men op het internet eindeloos dwalen en identiteiten vormgeven. Ideeën en idealen hoeven niet meer getoetst te worden aan een bestaande realiteit. ‘Met één klik op de knop is de realiteit veranderd’, zegt Kantor. ‘In die zin kan onze afhankelijkheid van beeldschermen psychische volwassenheid in de weg staan.’

In zijn essay Fear of Screens (2016) uit The New Inquiry schreef socioloog Nathan Jurgenson dat achter de angst voor beeldschermen mogelijk een veel diepere angst schuilgaat, namelijk de angst dat voor jonge mensen de tastbare realiteit op een gegeven moment volledig zal worden vervangen door een digitale wereld – een simulacrum. Angsten over de lichamelijke en psychische effecten van beeldschermen zijn, hoewel op zichzelf beschouwd zeer legitiem, sociaal geaccepteerde versies van die ene fundamentele angst, meent Jurgenson. De angst dat onze kinderen zullen verdwalen in een prothese van hun verbeelding, en daardoor nooit volwassen zullen worden.

‘De smartphone en tablet horen er voor jonge mensen gewoon bij. Daar doe je niks aan’, zegt Kantor nuchter. Op de vraag of dat goed of slecht is, heeft hij geen antwoord. ‘Dat is een filosofische vraag waar ik me niet mee bezighoud. Ik denk dat het per geval verschilt. Matiging lijkt me in ieder geval wel belangrijk’, zegt hij.

Kantor denkt wel dat jonge mensen steeds meer in een digitale werkelijkheid zullen leven, maar hij gelooft niet dat ze erin verdwijnen. ‘Je ziet dat het gebruik toeneemt onder mensen van alle leeftijden. Voorlopig is het zo dat er een tastbare realiteit is en een digitale realiteit. Die twee kunnen heel goed naast elkaar bestaan. Maar ik zie het wel als mijn taak als therapeut om mensen in contact te houden met de tastbare realiteit.’

De jonge patiënt die verslaafd was aan zijn telefoon legde hem op een gegeven moment zelf weg, vertelt Kantor. ‘Het bleek dat hij emotioneel verwaarloosd was door zijn ouders. Zijn dagelijkse realiteit was ontzettend teleurstellend. Via zijn smartphone onderhield hij voortdurend contact met z’n vrienden. Dat contact was essentieel voor hem, en in zekere zin vele malen échter dan de fysieke relatie die hij had met zijn ouders.’ Pas toen de jongen begreep dat hij in Kantor een volwassene had gevonden die werkelijk aandacht voor hem had, was hij in staat om met de therapie te beginnen.

‘Toen hebben we hem samen uit zijn digitale wereld getrokken, terug de tastbare realiteit in. Nu kan hij terugkeren naar zijn digitale vriendschappen wanneer hij wil. Maar voordat hij bij me kwam had hij het digitale contact met zijn vrienden hard nodig. En ik ben blij voor hem dat hij toen die smartphone had om hem te helpen.

Kantor denkt even na en voegt daar dan aan toe: ‘De vraag is misschien: waarom vluchten zoveel jonge mensen hun beeldschermen in? Wellicht moeten we dat zien als een uitnodiging om de tastbare realiteit te veranderen, in plaats van ons druk te maken over de digitale.’