Het sneue neuken van kwik, kwek en kwak

Peter van der Klugt, Een zinderende avond. Uitg. Prometheus, 265 blz., f29,90
LANG GELEDEN, het zal in de jaren tachtig zijn geweest, raakte iedereen opeens geinteresseerd in de reclamewereld. De solide opkomst van die bedrijfstak en de snel groeiende invloed van reclame op het dagelijks leven wakkerden de nieuwgierigheid aan naar al die mannetjes en die paar vrouwtjes in dat maatschappijtje op zich waar de vorm - snelle babbels, vlotte presentaties en energieke schijnbewegingen - altijd belangrijker is dan enige inhoud.

Ook in de literatuur was er een tijdje belangstelling voor ‘het wereldje’, dat met zijn eigen jargon, rituelen en wetten zo feilloos de no nonsense-sfeer en yuppificatie van het ik-tijdperk leek te illustreren. De vluchtigheid en het gebrek aan diepgang van het snelle leven vormden dankbare onderwerpen voor opgevoerde romans over opgefokte mensen in het oppervlakkige reclamemilieu. Na een paar jaar was dat weer voorbij. Hoeveel boeken kon men verdragen waarin de hele tijd snelle en wilde mannetjes snel en wild in de weer zijn?
Een zinderende avond, het debuut van Peter van der Klugt, zit vol met zulke mannetjes, apres-jonge heren met een riant inkomen, die een beetje ronddwalen door de grote stad en zich quasi energiek van het ene hippe etablissement naar het andere slepen. Op zoek naar weinig en eigenlijk nergens echt zin in. Geld zat, maar geen idee wat ermee te doen. Buitenkant, buitenkant, buitenkant is alles waar ze betekenis aan ontlenen.
HET IS 1995, ongeveer tien jaar na de reclamehausse. De heren die toen de dienst uitmaakten en dachten dat ze de wereld bezaten, zijn in een crisis geraakt. Al dat rock 'n’ rollen is ze niet in de koude kleren gaan zitten en nu de middelbare leeftijd nadert, wordt de drang om het leven enigszins op orde te brengen onweerstaanbaar. Een zinderende avond wil een portret schetsen van 'een generatie die maar geen afstand kan nemen van de eigen jeugd’. Hoe pijnlijk dat is, voor de betrokkenen en voor de lezer, blijkt feilloos uit deze eerste roman van de in 1956 geboren journalist.
De zinderende cast bestaat uit Hans van Knarsenstein (zeg maar Knars), Kees van Donselaar (kortweg Dons), Bastiaan Hemelrijk (Bas), de kunstenaar Zwartewater (Zwart), een ruime verzameling 'wijven’ en nog wat oninteressante randpersonages. De roman heeft wel een verhaallijntje, maar dat is volkomen overbodig. De geschiedenis van Knars - die na de zelfgekozen dood van zijn vriend Zwartewater op zoek gaat naar de vrouw die de muze van de kunstschilder was, in de hoop met haar de ware liefde te vinden - is vooral een kapstok om een uiterst gedetailleerde beschrijving van het leven en de opinies van een aantal verwarde heren aan op te hangen. De nietszeggende en nog minder betekenende wederwaardigheidjes van Knars, Dons en Bas worden breed uitgemeten, inclusief hun eindeloze oeverloze nutteloze gesprekken. Die basically maar over een ding gaan: 'wijven’.
Knars is vormgever. Niet al te goed, niet al te slecht. Hij is niet getrouwd, nooit geweest ook, want dat is niks voor hem. Knars houdt van zijn vrijheid, die hij vooral besteedt aan 'neuken’, iemand vinden om mee te 'neuken’, praten over 'neuken’ of denken aan 'neuken’. Net als zijn vrienden is hij een uitgesproken snelle jongen, maar nu hij de veertig bijna heeft bereikt, begint hij zich druk te maken over zijn toekomst en te beseffen dat zijn jeugd definitief voorbij is.
In cafe Het Schuim, waar de moderne kunstenaars zich laten vollopen, legt hij in gedachten zijn probleem haarscherp bloot: 'Hallo beste nieuwe vrienden, mag ik even? De naam is Knars, jullie zijn allemaal angry en young in de nineties begrijp ik, nou zo was ik tien jaar geleden ook, dus vraag maar rustig. Ik ben nu op mijn gemak op weg naar de top van het vormgeversfirmament. Ik ben een survivor anders was ik hier niet, that’s the story of my life. Hehe! Geen ge-opa daar, he. Ik had je vader kunnen zijn, bokkelul! O dat bedoel je? Niet te bijdehand, he! Mijn neus zit toevallig wel voller dan die van jou, babyface. Hahaha, gezellig is het hier. Komen jullie hier wel vaker? Nee, ik niet nee, gek eigenlijk. Naarmate de jaren vorderen vernauwt het blikveld zich. Ongemerkt bewandel je platgetreden paden. De cirkel eindigt in een punt.’
KNARS EN ZIJN kompanen trachten nog iets van hun jeugdigheid en vergane glorie vast te houden. En zelf geloven ze dat het lukt. Voor de betere verstaander is duidelijk dat hier een paar aandoenlijke mannetjes wanhopig de schijn proberen op te houden dat ze nog 'bij de tijd’ zijn. In wezen staan ze stijf van de overgangspaniek en pre-penopauzewanhoop. De laatste mogelijkheid de illusie van jeugdigheid in stand te houden is, inderdaad, 'neuken’. Zolang er 'geneukt’ wordt, zijn ze nog jong. Zolang er 'geneukt’ wordt, is er hoop.
Knars, Dons en Bas zijn meelijwekkende figuren die met lede ogen moeten toezien hoe de wereld door hun vingers glipt en in handen valt van een nieuwe generatie, die alle gierende ontwikkelingen nog wel kan bijhouden. Ze missen ten enenmale stijl, beschaving en cultuur. Deze Kwik, Kwek en Kwak van de grachtenyuppengordel eten graag in hippe restaurants en drinken graag in hippe cafes. Maar het aller-, allerliefst: ’ “Jongens,” zei Bas, “weet je wat dit gaat worden?”
“Een zinderende avond vol ranzige seks!” riepen Dons en Knars tegelijk.
“Precies,” zei Bas tevreden en leunde achterover. “Nou kom maar op met de wijvenverhalen.” ’
Een zinderende avond bestaat voor het overgrote deel uit die 'wijvenverhalen’. Onder de dekmantel van 'even een glaasje doen’ of 'straks even een hapje doen’ lopen de heren neo-frivool hun geslachtsdeel achterna. En dat ding gaat als een wichelroede natuurlijk hardnekkig steeds dezelfde kant op: naar het geslachtsdeel der dames.
Hun buik inhoudend, in iets te vlotte kleren, lopen Knars, Dons en Bas iets te nonchalant door nachtelijk Amsterdam en bellen iets te nonchalant aan bij de Roxy om weggestuurd te worden en dan maar helemaal te gek vlot en hip een blauwtje te lopen bij een kortgerokt jong meisje in een grand cafe. Godzijdank dansen ze niet als ze in de Richter zijn, dat had er niet meer bij gekund. Zulke mannen zijn namelijk een beetje eng.
Ze zijn niet cultureel onderlegd, maar laten dat niet merken. ('Ik vind persoonlijk Franse films altijd wel ok. Vooral qua titel dan, he.’ - 'Toch blijf ik Isabella Rosselini een wereldwijf vinden. Jaja! Daar krijgt niemand me van af. Als je daar toch eens door gepijpt werd, dan hoefde je toch nooit meer naar de film?’) Hun interessegebied is prettig overzichtelijk: 'Je moet gewoon niet nadenken, even de natuur volgen, ja. Lekker drie keer per week een wijf pakken. Hoppa, even een stevige veeg en geen gelul. Is goed voor je hart en het lucht op. Even dat kwakkie per buizenpost afleveren. Moet van de natuur, en dan denk ik: niet tegenspreken. Gewoon doen. Ja toch?’
Als Zwartewater een minder aards onderwerp wil aansnijden, strandt zijn poging direct: ’ “(…) Want scheppen dat gaat van au hoor.”
Hier moest Kappeteijn hard om lachen. “Met een dikke lul in een droog kutje, dat gaat van au,” zei hij stellig en vroeg of Zwartewater ook bier had, want hij had dorst.’
Engelsen noemen zoiets pathetic. In het Nederlands hebben we geen woord dat hetzelfde gevoel uitdrukt, maar ik vind 'sneu’ wel in de richting komen. Een zinderende avond is een boek over sneue mensen, met een sneu bestaan, die sneue gesprekken voeren over sneue dingen. De sneue geschiedenis van Knars’ 'gepassioneerde zoektocht naar de ware liefde’ eindigt met een van de tientallen quasi diepzinnigheden die de personages ten beste geven, als femme fatale Luciana Morgana Knars voorhoudt: 'Het verlangen naar het verlangen is groter dan het bereiken ervan.’
Gelukkig wordt Knars na deze afwijzing al snel weer onweerstaanbaar aangetrokken door een passerend meisje. 'Ze had lang zwart haar, bijna tot op haar heupen, en de mooist draaiende kont die hij ooit gezien had.’
De auteur heeft vooral 'een portret willen schetsen’ van een panisch-optimistische generatie bijna-oude mannen, die te oud zijn om te leven en nog te jong om te sterven. Mannen die hun wanhoop proberen te verbloemen achter zogenaamd snel clichematig turbotaalgebruik en een hang naar onstuimig leven.
Als Peter van der Klugt de bedoeling heeft gehad een roman te schrijven die de bloedeloosheid, wanhoop, teleurstelling, nietszeggendheid, lompheid, desinteresse, seksuele gefixeerdheid, banaliteit, stijlloosheid, domheid, ranzigheid, frustratie, overgangspaniek, weee nostalgie, drenzerige sentimentaliteit, permanente mislukking, metaalmoeheid, lachwekkende namaakambities, doorgedebiliseerde domheid, burgerlijkheid, aangepaste neprevolte, vunzige oude-bokkenverhalen, kwijlende vieze-mannengedragingen en eindeloze ouwehoersessies van een groep middelbare mannen - of zelfs hun hele generatie - niet alleen moest weergeven maar ook weerspiegelen, niet alleen zou beschrijven maar ook voelbaar zou maken, als hij kortom de vorm van de roman overeen wilde laten stemmen met de inhoud ervan, is hij buitengewoon goed in zijn opzet geslaagd.