CHINESE KUNST IN GRONINGEN

Het snoepje-van-de-week

Het Groninger Museum toont de Chinese kunst na Mao. De Chinese kunstmarkt is geëxplodeerd, de kunstenaars zijn doorgedrongen tot het allerhoogste plan, maar authenticiteit is nog altijd ver te zoeken.

Medium surplus  202007

HET MEISJE KIJKT ons aan, afwachtend. Haar ene arm hangt slap langs haar lichaam, de andere reikt ons een vergulde schedel aan, alsof het een verboden appel is. Dit beeld van Liu Ding uit 2006 staat in de foyer van het Groninger Museum, de verbindingsgang tussen twee tentoonstellingen, Tekens aan de wand: Chinees Nieuw Realisme en Avant-garde in de jaren ’80 en ’90 en New World Order: Heden-daagse installatiekunst en fotografie uit China. Wat probeert het ons te vertellen? Dat Chinese kunst kan concurreren met de westerse kunsttradities? Dat alle kunst uiteindelijk nutteloos en futiel is? Ik zag het als een moraliserend commentaar op de recente populariteit van de Chinese kunsten en de gretigheid waarmee Chinese kunstenaars dansen naar het pijpen van de westerse markt. Geen kunst is de laatste tien jaar zo en vogue geweest als de Chinese. Geen kunst werd ook zo overgewaardeerd. Sinds de ja-ren negentig wordt de markt overspoeld met werken uit Shanghai en Peking, waarvan de kwaliteit op z’n zachtst gezegd dubieus is.

Medium setwidth430 beeldliuxiaodong

Liu Xiaodong
Bathed in Sunlight, 1990
oil on canvas, 180 x 195 cm, collection Guy & Myriam Ullens Foundation, Switzerland

Tekens aan de wand: Chinees Nieuw Realisme en Avant-garde in de jaren ’80 en ’90 toont dat de kiem voor de onstuitbare opmars van de Chinese kunsten werd gelegd in 1976, het sterfjaar van Mao. Er brak een periode aan van politieke ontspanning en relatieve artistieke vrijheid. Voor het eerst waren Chinese kunstenaars verlost van de doctrines van het socialistisch realisme. Ze zwoeren de stoere militairen en snoezige boerinnen af en laafden zich aan Europese kunststromingen als realisme, surrealisme en pop-art. Het resultaat is op z’n zachtst gezegd curieus. Een Dalí-landschap (Gu Wenda, History of Civilizati-on, 1984) waar Chinese fantasietekens bestaan naast een Mae West-bank en een zwevend katholiek kruis. Amorfe figuren overdekt met abstracte rasterpatronen (Wang Guangyi, Red Rationality, 1987). Kijken naar Chinese kunst uit de jaren tachtig is misschien nog het best te vergelijken met luisteren naar een hip Chinees rockbandje: de gitaren kloppen, de leren jassen kloppen, de kapsels, de poses, de bril-len, het is er allemaal en toch heb je het gevoel dat er iets mist. Werkelijke voeling met de geschiedenis van het genre, waarschijnlijk. Authenticiteit.

Medium setwidth430 beeldnwo010

Xing Danwen
MoMA, 2007
photograph, 170 x 210-250 cm, courtesy of the artist

Pas begin jaren negentig, nadat de studentendemonstraties op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989 door de regeringstroepen waren neergeslagen, ontstond er een Chinese schilderkunst die authentiek genoemd kan worden. Het meest in het oog springt de stroming die later de naam political realism kreeg: een kruising tussen de socialistisch-realistische kunst van Mao Tsedung en de westerse pop-art. Met schilderijen vol strijdbare arbeiders – gebalde vuist in de lucht, het onafscheidelijke rode boekje on-der de arm – maar ook Amerikaanse strepen en sterren en logo’s van Pepsi Cola, probeerden de kun-stenaars de dubbelzinnigheid te benadrukken van een communistische samenleving die het kapitalisme accepteert.
Andere schilders wierpen zich op het schilderen om het schilderen. Zhang Xiaogang (China’s bekendste schilder) maakt prachtige gestileerde zelf- en familieportretten in pasteltinten; minuscule dieprode lijntjes benadrukken de bloedband van door Mao uiteengetrokken families. En Liu Xiadong maakt afbeeldingen van jonge (soms naakte) mannen die verdiept zijn in hun dagelijkse work-out, of gewoon een beetje rondhangen bij het water. Het is goed opgezet, vlot geschilderd, met een fijn oog voor lichtval en vlees-tinten. Terecht zijn deze schilders, samengebracht onder de nogal willekeurige term ‘cynisch realisme’, succesvol in binnen- en buitenland. Ze staan aan het hoofd van grote studio’s. Hun marktwaarde doet niet onder voor die van Europese kunstenaars.
Sinds de jaren negentig is de Chinese kunstmarkt alleen maar groter en sterker geworden. Kunstenaars worden vertegenwoordigd door Europese en Amerikaanse galeries, staan op gezaghebbende kunst-beurzen als Art Bazel en hebben een vaste plek op de grote biënnales. Bovendien is de Chinese kunst-wereld zelf geprofessionaliseerd. Steden als Peking en Shanghai beschikken over een volwaardige ar-tistieke infrastructuur, compleet met curatoren, kunsttijdschriften, critici en complete stadswijken die door kunstenaars zijn geannexeerd. Kroon op de professionalisering is de biënnale voor Chinese en buiten-landse kunst die in 2000 in Shanghai opende – en waarvan het succes onderstreept werd door de op-richting van nog maar liefst vier andere biënnales. Daar is de tijd van stromingen voorbij. Pluralisme heerst. Je vindt er traditionele realistische schilderkunst en pop-art, maar ook conceptuele kunst en in-stallaties.

Medium setwidth430 tentoonnewworldhoofdbeeld3

Liu Jianhua
Yiwu Survey, 2006-2007
container, plastic gebruiksartikelen, variabele afmetingen, courtesy van de kunstenaar

Wie New World Order: Hedendaagse installatiekunst en fotografie uit China binnenstapt, doet er dus goed aan te beseffen dat hij slechts een segment ziet van het eindeloze aantal stijlen en stromingen dat China rijk is – geen dwarsdoorsnede. Een segment dat bovendien evenveel zegt over de voorkeuren en interesses van de curatoren als over de geselecteerde kunstenaars. Helaas is het centrale thema weinig opzienbarend, zelfs een beetje voorspelbaar: de verwarring, angst en vervreemding die de economische en planologische veranderingen in China met zich mee hebben gebracht. En dus zien we foto’s (al dan niet geënsceneerd) van fier oprijzende en afzichtelijke megacomplexen die de traditionele laagbouw verdringen, en is de middenzaal gereserveerd voor een berg zwembanden, plastic slangen, radio’s, wekkers, vliegenmeppers en andere plastic prullaria ter verbeelding van de rotzooi waarmee China de wereld overspoelt.
Opmerkelijk is het formaat van de werken: Chinese kunst is gróót. Soms zijn die afmetingen gerecht-vaardigd: de van hout en neonbuizen gemaakte tank die de tentoonstelling opent, is vanwege de verwij-zing naar de demonstraties van 1989 een imposant beeld. En ook de ijzeren tyrannosaurus rex, een kruising tussen Tingueley en Jurassic Park, mag er zijn. Vaker is schaal het enige waardoor deze wer-ken imponeren. De wow-factor verhult een gebrek aan inhoud en niet-inwisselbare stijl.
Als er iets opvalt, is dat het gemis aan persoonlijke esthetiek: veel kunstwerken ogen alsof ze overal en door iedereen gemaakt hadden kunnen worden. Een metershoge drol gemaakt van speelgoedsoldaatjes overdekt met teer, een stad opgetrokken uit pannen, borden, fluitketels en ander keukengerei, een reus-achtig bankbiljet van kievitseieren, een replica van de kunstenaar die schoolbanken onderpist, een drie meter hoog skelet van een voet – het zijn vondsten en foefjes uitgevoerd in de esthetiek van Toys ‘R’ Us. Misschien is deze inwisselbare esthetiek een reactie op het traditionele kunstonderwijs in China, dat nog altijd zeer conservatief is. Wellicht komt het door de rare buitenbaarmoederlijke geboorte van de Chinese kunst, gevoed door en gericht op de smaak van westerse verzamelaars, niet ontsproten aan de eigen moederschoot.
Deze tentoonstelling laat sterk de indruk na dat de Chinese kunst haar succes vooral te danken heeft aan een sensatiebeluste kunstmarkt. Galeriehouders en museumdirecteuren zijn happig op opblaas-kunst: een haai op sterk water, een schedel overdekt met duizend diamanten, een baby van vijf bij twee. En inderdaad: een pissende artiest in een schoollokaal of een metershoge drol van teer. Kunst die kort-stondig hip is, snel verveelt en even snel vervangen wordt zodra een nieuw snoepje-van-de-week zich aandient. Liu Ding, met zijn gouden momento mori-schedel, heeft dat getuige zijn kritische statement al begrepen. Hij is vooralsnog een van de weinigen.

Tekens aan de wand: Chinees Nieuw Realisme en Avant-garde in de jaren ’80 en ’90, t/m 26 oktober 2008; New World Order: Hedendaagse installatiekunst en fotografie uit China, t/m 23 november 2008. De manifestatie Go China! omvat verder Ai Wei Wei (t/m 23 november 2008) en Antieke Bronzen – Meesterwerken uit het Shanghai Museum (t/m 28 september 2008) in het Groninger Museum en Het Terracottaleger van Xi’an – Schatten van de eerste keizers van China en (t/m 31 augustus 2008) in het Drents Museum in Assen.