Het socialisme als zedelijke opdracht

In de eerste biografie van Jelles Troelstra rijst vooral de mens Troelstra op. Tijd voor een tweede, meer politieke biografie.

Piet Hagen, Politicus uit hartstocht. Biografie van Pieter Jelles Troelstra. € 39,95

Tot het eind van de jaren tachtig van de vorige eeuw verschenen er in Nederland relatief weinig biografieën, maar sindsdien heeft er een ware inhaalslag plaatsgevonden. Ook als het gaat om de grondleggers van wat tegenwoordig vol afschuw ‘de linkse kerk’ wordt genoemd is er heel wat werk verzet. Er verschenen biografieën van voormannen als Domela Nieuwenhuis (aan een tweede wordt inmiddels gewerkt), Henri Polak, Willem Vliegen, Willem Drees en Joop den Uyl, wat ook gold voor socialistische literatoren als Henriëtte Roland Holst, Herman Gorter en Herman Heijermans. Zelfs van mindere goden als de theoreticus W.A. Bonger, Troelstra’s secretaris H.B. Wiardi Beckman en de Amsterdamse wethouder Monne de Miranda werd het leven geboekstaafd (al gebiedt de eerlijkheid op te merken dat de auteur van het laatste boek, Gilles Borrie, toen het nog geen mode was reeds biografieën had geschreven van F.M. Wibaut en P.L. Tak). Wie tot nog toe in dit rijtje ontbrak was Pieter Jelles Troelstra, de man die gedurende de eerste dertig jaar van haar bestaan de omstreden doch onmiskenbare leider van de Nederlandse sociaal-democratie was geweest.
Dat het zo lang heeft geduurd eer er een volwassen biografie verscheen, had onder meer te maken met het feit dat het enorm veel werk was, en dat nogal wat auteurs die zich met de geschiedenis van de sociaal-democratie bezighielden een enorme afkeer van Troelstra hadden. Hij zou een opportunist, een draaier, een onberekenbare zenuwlijder en een onaangenaam mens zijn geweest. Niettemin stond vast dat er van hem een serieuze biografie moest komen, en toen Martin Ros, de toenmalige hoofdredacteur van De Arbeiderspers, mij rond 1992 vroeg of ik dat wilde doen, hoefde ik daar niet lang over na te denken. Hoewel iedereen die we erover spraken enthousiast reageerde, lukte het in de daaropvolgende jaren echter niet om de voor deze enorme klus benodigde subsidie bij elkaar te krijgen, zodat ik het plan na een jaar of vijf in de ijskast moest zetten. Toen Piet Hagen in 2002, nadat hij met pensioen was gegaan als hoofdredacteur van De Journalist, aankondigde dat hij die biografie ging schrijven had ik daar volkomen vrede mee, aangezien ik met andere zaken bezig was. Dit neemt niet weg dat ik zijn boek, dat deze week verschijnt, met meer dan gewone belangstelling heb gelezen.
Aan het bijna duizend bladzijden tellende Politicus uit hartstocht valt goed af te lezen dat Hagen er zeven jaar fulltime aan heeft kunnen werken, en dat hij daarbij kon beschikken over riante subsidies. Over de jeugd van Troelstra (1860-1930), diens activiteiten als Fries dichter en zijn problematische huwelijk met Sjoukje Bokma de Boer, die als Nynke van Hichtum een beroemd schrijfster werd, heeft Hagen heel wat gegevens boven water gekregen, waarbij hij zelfs in Zwitserse archieven tot nog toe onbekende brieven heeft gevonden. Wat eveneens belangrijk is, is dat hij uitgebreid aandacht besteedt aan Troelstra’s activiteiten als parlementariër. Dat onderwerp is door veel linkse historici met een zeker dédain behandeld, omdat zij vaak meer geïnteresseerd waren in de ideologische debatten waarin Troelstra verzeild raakte.
Het is goed dat Hagen wat dit laatste onderwerp betreft tegenwicht biedt, maar het was nog mooier geweest als hij deze twee aspecten van Troelstra’s politieke leven - de praktijk en de ideologie - met elkaar in evenwicht had gebracht. Helaas is Hagen niet erg vertrouwd met het ideologische Umfeld waarin Troelstra opereerde. Tijdens zijn zeven jaar durende onderzoek heeft hij een indrukwekkende hoeveelheid bronnen en literatuur geraadpleegd, maar is hij aan een gedegen studie van het socialistische gedachtegoed blijkbaar niet toegekomen. Zo krijgt de lezer niet alleen een uiterst vaag beeld van het anarchisme waartoe Domela en een deel van de eerste generatie Nederlandse socialisten zich aangetrokken voelden, maar ontbreken in de literatuuropgave ook de klassieke studies over het marxisme van Leszek Kolakowski en George Lichtheim, terwijl bijvoorbeeld de Marx-biografieën van David McLellan en Francis Wheen evenmin worden genoemd.
Waarom dat jammer is, wordt duidelijk als Hagen iets moet schrijven over de invloed van het denken van Marx op de internationale sociaal-democratische beweging. De niet-ingewijde lezer krijgt daar slechts een vaag beeld van omdat Hagen nergens een poging doet systematisch uiteen te zetten welke invloeden er in de sociaal-democratische ideologie een rol speelden. De namen van Ferdinand Lasalle en Jean Jaurès vallen soms wel, maar in welk opzicht deze socialistische denkers tegenover Marx en diens exegeten stonden blijft een raadsel. Vandaar dat Hagen kan schrijven dat een reformist als Willem Vliegen toch een marxist was, omdat hij immers geloofde in de klassenstrijd en de uiteindelijke revolutie. Nu waren er vóór de Eerste Wereldoorlog weinig socialisten die daar niet in geloofden, maar een man als Vliegen moest weinig hebben van het Duitse marxisme en oriënteerde zich veel sterker op Jaurès, voor wie - heel onmarxistisch - de idee der gerechtigheid vooropstond.
Het was deze niet-marxistische traditie van het socialisme als zedelijke opdracht die uiteindelijk binnen de Nederlandse sociaal-democratie zou zegevieren. Die overwinning kwam pas na Troelstra’s dood, maar hij heeft daar wel een belangrijke bijdrage aan geleverd. Wat dit betreft is het ook opmerkelijk dat Hagen weinig aandacht besteedt aan het beginselprogramma dat de SDAP in 1912 aannam, omdat Troelstra er toen voor gezorgd heeft dat dit geen exclusief marxistisch document werd. Toen sommigen voorstelden de zinsnede op te nemen dat het kapitalisme 'economisch verouderd en daarom zedelijk veroordeeld’ was, was het aan Troelstra te danken dat het historisch-materialistische 'daarom’ geschrapt werd. Hoewel Hagen in de literatuuropgave wel Bart Tromps dissertatie over de sociaal-democratische beginselprogramma’s van 1878 tot 1977 heeft opgenomen, blijkt nergens dat hij dit boek nauwgezet bestudeerd heeft.
Uiteraard gaat Hagen wel uitgebreid in op de conflicten die Troelstra tussen 1900 en 1909 heeft uitgevochten met steil marxistische intellectuelen als Gorter en Roland Holst en jeugdige heethoofden als David Wijnkoop, maar niettemin blijft het politieke en ideologische landschap om hen heen tamelijk vlak en vaag. Dat komt niet alleen doordat Hagen geen duidelijk beeld geeft van de socialistische ideeënwereld en hij de toenmalige actualiteit vaak niet toelicht, maar ook doordat Troelstra’s mede- en tegenspelers nauwelijks uit de verf komen. In veel goede biografieën worden personen die in het leven van de hoofdpersoon een belangrijke rol hebben gespeeld op bondige wijze geïntroduceerd. In één of twee bladzijden wordt dan een biografische schets gegeven, zodat de verhouding tot de hoofdpersoon duidelijker wordt en meer reliëf krijgt. Helaas doet Hagen dat vrijwel nergens, zodat voor de lezer die niet al veel over dit onderwerp heeft gelezen figuren als Domela Nieuwenhuis, Vliegen, Schaper, Wibaut, Van der Goes, Polak, Duijs, Mendels niet veel méér worden dan schimmen die zich voortbewegen langs het met grove streken geschilderde decor waartegen Troelstra scherp afsteekt.
Want dat moet gezegd, de figuur van Troelstra komt in dit helder en vlot geschreven boek wel degelijk tot leven. In zijn inleiding schrijft Hagen dat hij als biograaf de lezer niet 'voor de voeten [wil] lopen’, en dat hij hem vooral voldoende materiaal wil verschaffen om zelf tot een oordeel over Troelstra te komen. Vóór alles wilde hij de vernislagen die voor- en tegenstanders in de loop der jaren hebben aangebracht verwijderen en het beeld van Troelstra 'weer de frisse kleuren geven die het tijdens zijn leven had’. Nu, dat heeft hij gedaan en daarvoor moeten we hem dankbaar zijn, al laat hij wel veel aan de lezer over en ervaar ik het toch als een gemis dat Hagen niet zelf echt de balans opmaakt. Hoewel hij in de inleiding aangeeft dat hij af en toe iets van zijn 'eigen invalshoek’ zal 'prijsgeven’, blijft duister hoe die eruitziet. Hoe moeten we bijvoorbeeld de opmerking interpreteren dat sommige stellingen bij Troelstra’s proefschrift uit 1888 'de tand des tijds hebben doorstaan’, waarbij hij als voorbeeld de stelling noemt dat rituele besnijdenis 'in strijd is met de beginselen onzer wetgeving’? Volgens Willem van Ravesteyn en Jaap Meijer was Troelstra niet geheel vrij van antisemitisme, maar Hagen lijkt hier een andere godsdienst op het oog te hebben.
Wat bij een omvangrijk boek als dit, waar niet op honderd bladzijden meer of minder is gekeken, ook bevreemdt, is dat Hagen nergens serieus ingaat op het beeld van Troelstra in de geschiedschrijving van de afgelopen driekwart eeuw en sommige literatuur zelfs niet noemt. Hij mag zich dan wel als eerste aan een echte biografie gewaagd hebben, hij is bepaald niet de eerste die over Troelstra geschreven heeft. Zijn al die interpretaties dan overbodig of onzinnig?
Ondanks deze tekortkomingen en eenzijdigheden is Politicus uit hartstocht een welkome bijdrage aan de geschiedenis van de Nederlandse politiek in het algemeen en die van de sociaal-democratie in het bijzonder. Het is echter vooral de mens Troelstra die uit deze bladzijden het duidelijkst oprijst, zodat er nog voldoende ruimte overblijft voor een gedegen, handzame politieke en intellectuele biografie van deze Friese dichter en advocaat die uitgroeide tot de bezielende én praktische leider van een groot deel van het Nederlandse proletariaat.

PIET HAGEN
POLITICUS UIT HARTSTOCHT: BIOGRAFIE VAN PIETER JELLES TROELSTRA
De Arbeiderspers, 969 blz., € 39,95