KUNST

Het Spanje van de Britten

Velasquez

Tussen 1808 en 1814 streden Britse troepen in Spanje tegen de bezettingsmacht van Napoleon, een oorlog die als ‘The Peninsular War’ in de geschiedenisboekjes staat, althans in de Britse. In Nederland is die oorlog weinig bekend, terwijl nota bene de prins van Oranje – de latere koning Willem II – daar zijn eerste militaire ervaring opdeed, in de staf van de Engelse opperbevelhebber, Arthur Wellesley, hertog van Wellington. De toestand van Spanje in die tijd was betreurenswaardig. Het wereldrijk was verkrummeld, de economie was ingestort, het koningshuis bestond uit idioten en de Napoleontische oorlog liep uit op een guerrilla (het woord werd hier gemunt) waar de Franse troepen met absurde wreedheid op reageerden. Het is deze oorlog die door Goya werd vastgelegd in zijn Los Desastres de la Guerra, een knekelkabinet van martelingen en executies.
In 1813 werden de Fransen definitief verslagen bij Vitoria; in de bagage van de verjaagde Joseph Bonaparte trof Wellington een grote verzameling schilderijen, die uit de Koninklijke Collectie in Madrid waren gestolen. Wellington wilde die terugbezorgen, maar koning Ferdinand VII gaf hem de hele zaak cadeau. Daardoor bevindt zich vandaag de dag in de collectie van Wellington in Apsley House, in Londen, een van de fraaiste schilderijen van Diego Velasquez (De Waterverkoper van Sevilla), een schilderij waar de schilder zelf geweldig op gesteld was.
Daar bleef het niet bij. De oorlog markeert het begin van een langdurige fascinatie van de Britten voor Spanje, die de hele negentiende eeuw zichtbaar was en reikt tot aan de Burgeroorlog en Picasso’s Guerníca in de twintigste. Deze periode is onderwerp van een mooie tentoonstelling in Edinburgh. De fascinatie heeft verschillende aspecten. Aangemoedigd door vroege reizigers als de schilder David Wilkie en schrijvers als Richard Ford (A Handbook for Travellers in Spain and Readers at Home, 1845 – nog altijd zeer leesbaar) werd Spanje eerst en vooral een romantische inspiratie, met de overblijfselen van de Moorse beschaving in Granada, Cordoba en Sevilla als beginpunt; later volgden meer contemporaine thema’s als het stierengevecht, musicerende zigeuners, kleurig straatvertier, flamenco, sinaasappels et cetera, een santenkraam van folklore die in heel Europa, van Hugo’s Ruy Blas (1838) tot Mérimée’s Carmen (1845) populair werd.
Werk van Zurbaran, Murillo en zelfs Greco werd door Britse musea en verzamelaars aangekocht, maar het meest interessante aan de tentoonstelling is wel de bewondering voor Velasquez. Misschien wel enigszins parallel aan de herwaardering van een schilder als Frans Hals, en zeker in navolging van Courbet en Manet, die Velasquez al eerder hadden herontdekt als voorloper van hun eigen ideeën over verfbehandeling en ‘naturalisme’, bekennen nogal wat grote Britse kunstenaars zich tot de grote Spanjaard. Zijn invloed is overal te zien. John Millais’ examenstuk aan de Royal Academy in 1868, Souvenir of Velasquez, is een meisjesportret dat zonder Las Meninas ondenkbaar zou zijn. Nog sterker is de echo van Velasquez’ portretten in Brits bezit, zoals Spaanse edelman, wrsch. José Nieto (Wellingtons collectie), Adrian Pulido Pareja, National Gallery (inmiddels toegeschreven aan Velasquez’ leerling Del Mazo). In hun donkere tonen en in hun sobere, monumentale houdingen hebben zij directe navolgers in het werk van Singer Sargent, Whistler, Lavery en Nicholson: prachtige, introverte figuren, eerder in schaduw dan in licht, in gepeins verzonken. In gedachten is dan de stem te horen van Sargents docent, Carolus-Duran, die zijn studenten onophoudelijk maande dat maar drie schilders de moeite van het studeren waard waren: ‘Velasquez, Velasquez, Velasquez.’

The Discovery of Spain, National Gallery of Scotland, Edinburgh, t/m 11 oktober