Het specifiek persoonlijke

Allard Schröder
Nieuwe tijden
De Bezige Bij, 301 blz., 24,90

Het is goed dineren met iemand die kennis van culinaire zaken heeft. Nog beter is het wanneer diegene zelf ook bijzonder uitblinkt in de keuken. En zo is het goed lezen met Allard Schröders essaybundel Nieuwe tijden in je hoofd.
Nieuwe tijden bevat een verzameling essays over literatuur, film en muziek die Schröder de afgelopen jaren schreef. Het resultaat is een rijk geschakeerd beeld van de wereld van een lezer, een luisteraar en een kijker, maar vooral van een schrijver. Een schrijver die is opgegroeid in de provincie van de jaren vijftig, en nu de leeftijd heeft de veranderende tijd tot zijn onderwerp te kiezen. Hiermee lijkt Schröder aan te sluiten in de, inmiddels lange, rij van onheilsprofeten die de verloedering aankondigen van de westerse maatschappij waarin de massamens regeert en consumeren tot de nieuwe religie is verheven. Maar ook al lijken zijn argumenten op sommige punten aan te sluiten bij de klaagzang van deze cultuurpessimisten, toch behoedt Schröders gevoel voor nuance hem voor een al te zwartgallige kijk op het toekomstige cultuurlandschap. Eerder kijkt hij er nieuwsgierig naar uit, want: «Veel eraan bevalt me wel.»

De opening van de bundel kun je lezen als de geboorte van de lezer Schröder. Hij beschrijft het verlangen naar plekken die alleen nog in de taal bestaan, zoals het hellenistische Alexandrië. In een paar beelden schetst hij zijn kleurrijke herinnering aan het lezen over de stad waarvan de stenen nu nagenoeg verdwenen zijn. Hiermee maakt hij aanschouwelijk waar hij over schrijft: even waan je je als lezer op de Via Canopica, de lauwe zeebries aait je gezicht.

In de daaropvolgende essays weerklinkt de stem van de schrijver in het betoog. Vooral wanneer hij in De voorgevormde blik over de relatie tussen werkelijkheid en verbeelding schrijft: werkelijkheid en verbeelding sluiten elkaar niet uit. Integendeel, ze hebben elkaar broodnodig. Maar wil de lezer de schrijver kunnen verstaan, dan moeten ze een bepaalde werkelijkheid delen, zodat het kan komen tot de essentie van het lezen (en het schrijven): de lezer vindt eindelijk de woorden, de vorm, voor dat wat in zijn geest ligt opgeslagen maar nooit tot uitdrukking kon worden gebracht.

Ook in het essay Het «wat» van het «hoe» is de schrijver aan het woord. Hier onderzoekt Schröder het wezen van stijl – nadat hij zich eerst druk heeft gemaakt over de economisch en technisch correcte manier van schrijven die volgens hem tegenwoordig in zwang is. Met behulp van Italo Calvino maakt Schröder duidelijk wat stijl behelst. Schrijven wordt voorafgegaan door mentale beelden in het hoofd van de schrijver, beelden die nog geen taal zijn, en die door middel van de keuze voor een bepaalde stijl in de hoofden van de lezer moeten worden gegoten. De schrijver kiest voor bijvoorbeeld exactheid of vaagheid, snelheid of traagheid in de taal, een keuze die onlosmakelijk is verbonden met dat «waar-het-boek-over-gaat». Geen nieuwe boodschap, maar wel op een heldere wijze uiteengezet, en bovendien nauwkeurig geïllustreerd met een aantal fragmenten uit A.F.Th. van der Heijdens Weerborstels.

Prikkelend is Kleine autobiografie van een Nietzschelezer, waar Schröder «zijn» Nietzsche neerzet. Iedereen heeft zo zijn eigen Nietzsche, die, meent Schröder, vooral op adolescenten een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent. Het zijn de beelden en het geweld van zijn taal die het jeugdige in de mens aanspreken. Schröder constateert echter dat van die aantrekkingskracht tegenwoordig nauwelijks sprake meer is. Jongere generaties, opgegroeid met het dogma van de eeuwige vooruitgang, zijn op zoek naar een nieuwe wereld, en kunnen daarbij geen filosoof gebruiken die de hamer hanteert. Dit is maar zeer de vraag, om een reden die Schröder zelf aandraagt: «Waant niet iedereen die uit zijn pubertijd ontwaakt zich een Dionysus, schoon en levensdronken en in het heerlijk bezit van onvermoede vermogens?»

Bij het schrijven van Kleine autobiografie van een Nietzschelezer gebruikt Schröder zijn puberperspectief als de kapstok waaraan hij zijn kennis ophangt. Zijn persoonlijke ervaring is in de meeste essays, hoe onmisbaar en aanwezig ook, op een bepaalde manier ondergeschikt aan de inhoud. Onder een soort restkopje «Klein goed» zijn twee persoonlijker essay(tjes) te vinden. In het voorwoord verontschuldigt de schrijver zich nog net niet voor het opnemen van deze «stukjes». Terwijl juist die stukken nagalmen.

In De ruïne in je hoofd beschrijft Schröder schoonheid als een onbereikbare liefde waar je zo nu en dan een avondje mee door mag brengen, waarna ze je rozig en een beetje verloren achterlaat. Gelukkig maar, zegt hij, want je zou hoorndol worden wanneer schoonheid eindeloos in je hoofd blijft hangen. Deze gedachte zet Schröder kracht bij met een ijzingwekkend beeld: «Je nachtmerrie: naakt in een sneeuwbolletje worden opgesloten dat door de reuzinnenhand van je geliefde wordt geschud.»

Hiermee laat hij zien wat hij in Over lichtheid, bedoelt met zijn pleidooi voor het lichte. Het lichte is stil, toont, heeft geen gewichtige woorden nodig. En precies dat ongrijpbare is wat het beeld van het sneeuwbolletje teweegbrengt: een gevoel dat heen en weer schiet tussen beklemming en hysterische gekte. Terwijl het tegelijkertijd ook fantastisch is.

Schröder mag zijn persoon, om bovengenoemde reden, meer in zijn gedachteworstelingen gooien. Ook omdat een schrijver van een essay, Schröder zegt het zelf, lezers moet zien te interesseren voor het specifiek persoonlijke, voor datgene wat alleen de schrijver kan weten.