Pavlos Mátesis, De Oude

Het spel Gods

‹De Oude›, een roman van de Griek Pavlos Mátesis, hoort thuis in het rijtje waar ook Andrej Platonov en Flannery O’Connor staan: niet te duiden.

Wat doe je met een vreemd boek? Je voert het af naar de afdeling niet te plaatsen buitenissigheden of je rubriceert het. De roman De Oude van de Griekse schrijver Pavlos Mátesis zou ik dan toevoegen aan het rijtje onder de noemer «Roomser dan de paus». Ter kenschets en voorbeeld noem ik twee auteurs uit die rubriek: de Rus Andrej Platonov en de Amerikaanse Flannery O’Connor.

Platonov schreef romans waarmee zelfs de sovjetcensuur geen raad wist, zo oercommunistisch gedroegen de personages zich. Als een boertje in Moskou een spandoek ziet met daarop «Volg de weg van het proletariaat», vraagt hij aan een agent het adres van dat proletariaat en komt in een asiel terecht. In een ander boek wil een volkscommissaris, op een paard dat naar de naam Rosa Luxemburg luistert, dat het communisme hier en nu gerealiseerd wordt, dus worden gevels en straten in de stad verplaatst en de bourgeoisie als overbodige bevolkingsgroep snel geliquideerd. Platonov voelde zich onheus behandeld toen Stalin zelf aan zijn socialistische gezindheid twijfelde. Van de Amerikaanse schrijfster Flannery O’Connor dacht ik altijd dat ze uit hetzelfde hout gesneden was als haar personages: ze zijn zo heilig van de bijbelse waarheid overtuigd dat ook zij geloven dat spreuken direct in werkelijkheid vertaald kunnen worden. Christelijke neven van Bouvard en Pécuchet.

Van Pavlos Mátesis weet ik eerlijk gezegd niets, maar zijn zojuist vertaalde roman uit 1994 is wel zo vreemd dat het misschien beter is niet te weten wat de auteur ermee heeft bedoeld. Het verhaal gaat over twee wonderdoeners, Eliseüs en Zagros, de een voor de ander de Voorloper, de rollen wisselen. Maar het gaat minstens evenzeer over het volkje in het achterland dat als het na twee eeuwen op dat vlak droog te hebben gestaan wonderen krijgt voorgeschoteld, die maar al te graag wil geloven; desnoods draaien ze elkaar daarvoor de nek om. Het verschil tussen geloof en bijgeloof maakt dan niet veel uit, evenmin of het verhaal over de waanzin van het geloof al of niet serieus bedoeld is. Zo ja, dan wordt het verhaal er alleen maar idioter door.

Op drievierde van de roman kondigt Eli seüs aan dat hij op één dag drie wonderen zal verrichten. Uit de wijde omtrek komt iedereen naar het feest, dagenlang bivakkeren ze er en het slot van het liedje is dat als «de twee godbevangen mannen» niet komen opdagen het een grote slachtpartij wordt — precies wat Eliseüs had gewild; die wil eigenlijk alleen nog maar straffen. Niettemin groeit de eerbied voor het tweetal, dat nu «de Doper en de Dopeling» heet. De een zegt tegen de ander dat ze hem gaan kruisigen — hoezo dan? vraagt die — «Jij, Zagros, wil je het niet? Je speelt het spel Gods.» «En wil jij dan niet dat ik het speel? Je speelt immers zelf ook het spel Gods. Dat is toch wat we willen?» zegt Zagros en hij neemt zijn blik van de bergen af. «Het is het schoonste einde. Dat is toch wat de gewone man verwacht?» Ten slotte slacht Eliseüs de twintig jaar jongere schone jongeling Zagros door hem van het mooie krulhaar op zijn buik tot zijn keel open te snijden. «En hij begon met strenge blik te sterven.» Toen hij vervolgens helemaal geen zon meer zag «begreep hij dat hij gestorven was».

Het wonder aller wonderen is natuurlijk de opwekking uit de dood. Daar draait de carrière van Eliseüs dan ook om; zijn naam is dezelfde als die van de oudtestamentische profeet-wonderdoener Elia. Als jongeman was het hem niet gelukt. «Je kunt het wel, je wílt het niet», hadden de dorpsgenoten gezegd en ze hadden zijn huis afgebroken, zijn paard geslacht en zijn vrouw aan een andere man gegeven. Twintig jaar later probeert hij het in zijn nieuwe woonplaats opnieuw wanneer een man zijn vrouw, die net in het kraambed gestorven is, bij hem brengt. Een volgende keer, wanneer er weer een man met een net gestorven kraamvrouw aan komt zetten, lukt het hem weer niet, hoewel hij de halve nacht op het lijk ligt te wippen, waarna hij de echtgenoot die hem op zijn naakte vrouw aantreft, met een bijl doodslaat. Dat alles is gezien door de jongeman Zagros. Wanneer Eliseüs vervolgens het zoontje van Zagros naar de andere wereld helpt door hem z’n mond vol papavers te stoppen, zweert Zagros wraak.

Dat wordt een wraak op termijn, heel ingewikkeld ook, want hij laat zich daartoe door Eliseüs niet alleen tot geliefde maar ook tot een soort Christus maken, spijkers door zijn handen inbegrepen. Hij zal Eliseüs tot op de grond afbreken, neemt hij zich voor. Daarvoor praat hij hem eerst met succes een missie aan en prikkelt diens grootmartelaarswaan. Door bij zichzelf een vinger af te hakken weet hij Eliseüs van de kracht van de Oude van Dagen (dat is de Oude uit de titel: God dus) te overtuigen, met als resultaat dat Eliseüs in zijn eigen wonderkracht gelooft, «je kúnt het» — en jawel, de volgende dode jonge kraamvrouw stapt een dag later opgewekt en zwanger uit het bed van de wonderdoener: «Nu ben ik een man van wonderen», zegt Eliseüs en kent vanaf dat moment geen twijfel meer: «En hij stelde zich de dorpelingen voor, hoe ze een icoon van hem bestelden, met zijn gedaante en met de oude van dagen als opschrift. En hij stelde zich ook zichzelf voor, hoe hij zou knielen voor de icoon met zijn eigen gedaante.»

Af en toe wordt het tweetal met stenen bekogeld, maar dat gebeurt meer omdat martelaars nu eenmaal geprikkeld moeten worden om scherp te blijven. «Welkom aan de godsmens die je ons gebracht hebt, Voorloper-Heer», zegt een vrouw tegen Eliseüs. «Laat hem aan ons, dan hangen we hem boven de deur van het dorp bij wijze van meikrans.» Een ander verwoordt wat het volk van gelovigen wil: «Wat wij willen. Hem steeds weer baden of hem slachten! Van ons! Koning van ons en alleenheerser!» «Zelfheerser», fluisterde Eliseüs Zagros in het oor.»

Het vreemde aan de roman is de taal, die van de waan: het tweetal praat en denkt in spreuken die zichzelf in de staart bijten. Hoe de mensen hen zien is al even tautologisch: iedereen ziet wat hij denkt te zien of wil zien, en daar zijn alle praatjes ook naar. Goed en kwaad zijn woorden die eenieder toepast op wat hem of haar het beste uitkomt.

Er is een hoofdstuk waarin dit tot het absurde wordt doorgevoerd. Er komt een neef terug uit Amerika, Nathanaïl was zijn doopnaam, daar hadden ze hem Nathan genoemd. De 51-jarige brengt een besmettelijke ziekte mee, voor de dorpelingen een reden hem buiten de deur te houden. Hun houding verandert op slag wanneer ze denken dat de man een kist vol geld naast zijn ziekbed heeft staan. Jonge meisjes worden naar hem toegestuurd; als ze nog niet geslachtsrijp zijn likken ze het lijf van de zieke; en de kleintjes geeft hij lollies waaraan hij eerst zelf heeft gelikt. Als hij sterft blijkt de kist natuurlijk leeg en lopen er dertien zwangere meisjes rond.

Op dat alles heeft de selfmade Verlosser slechts als commentaar dat mensen het kwaad dat zij zelf aanrichten ook maar onder elkaar moeten uitvechten.

Ik ben er niet gerust op of dit alles niet als leerzame parabel is bedoeld. Maar tot die vrees gegrond blijkt, is De Oude wel een gruwelijk sprookje met veel verrassende wendingen en duistere details.

Pavlos Mátesis

De Oude

Uit het Grieks (1994) vertaald door Hero Hokwerda, uitg. Bert Bakker, 231 blz., € 18,95

____________________________

André Aciman

Valse papieren

André Aciman (1951), docent Frans in New York, schrijft essays die verhalen zijn en verhalen die je kunt lezen als essay, en in deze bundel vormen ze samen in feite een roman over een schrijver die zich thuis voelt in zijn ontheemdheid. Aan de ene kant zijn er de feiten van een leven dat begon in Alexandrië en, nadat het gezin in 1965 Egypte verliet, zich afspeelde in Rome, Parijs, de Verenigde Staten, op reis en in de herinnering. Aan de andere kant is er een leven op papier. Als hij na dertig jaar in Alexandrië terugkeert, vindt hij een onbekend Egypte; in een nietig parkje in New York vindt hij zijn geboortestad terug. Subtiel speelt Aciman de tegenstrijdigheden van heimwee en verlangen naar elders tegen elkaar uit. Aan het gevaar dat sommige herinneringen en aan plaatsen gebonden gevoelens particulier blijven, ontkomen de vertellingen niet altijd. Ook het kosmopolitische decor maakt van de geestelijke oefeningen niet meteen grote literatuur. Eerlijk gezegd vind ik het wervende voorwoord van Maarten Asscher interessant genoeg om Aciman op de koop toe te nemen. De ondertitel dekt nu eens volop de lading: verhalen en beschouwingen over ballingschap en herinnering.

Uit het Engels (2000) vertaald door Sjaak Commandeur, uitg. Anthos, 187 blz., € 19,90

António Lobo Antunes

Verdwijn niet zo snel in die donkere nacht

In vrij korte tijd is dit de vierde grote roman die van de Portugese schrijver Antunes (1942) wordt vertaald; hij schreef er vijftien. Lezers daarvan kennen zijn veelstemmige, sterk ritmische manier van vertellen met z’n herhalingen, pauzes, tijdwisselingen et cetera. Bovendien komen allerlei personen uit vorige delen van deze familiegeschiedenis terug. Aan het woord is Maria Clara, de man in huis genoemd, de assepoester van twee zussen die tijdens het sterfbed van haar vader, tien jaar geleden, met op zolder gevonden documenten een andere familiegeschiedenis reconstrueert, een neergang: de overgrootvader was nog grootgrondbezitter in Mozambique, de grootvader Portugees generaal en de vader wapenhandelaar. Het meisje voelt zich in huis een vreemde in het gezelschap van een debiele grootmoeder, een vrome moeder en rivaliserende zuster. Dood en verval, oorlog en familie, in het kleine klinkt het grote door. De titel is een variant op een gedicht van Dylan Thomas die stervenden bezweert zo zacht mogelijk de nacht in te gaan. Te lezen als een veelstemmenspel dat van de lezer vraagt dat hij behalve zijn oren er zijn hele hoofd bij houdt. De vraag is alleen of de soms inderdaad verwarrende techniek van Antunes na zoveel boeken nog meer dan een procédé is en, vooral, of deze aanpak nu zoveel extra oplevert.

Uit het Portugees (2000) vertaald door Harrie Lemmens, uitg. Ambo, 486 blz., € 29,90

Ernest Pépin

De man met de ivoren stok

Ooit gaf Van Gennep in samenwerking met de Novib zogenaamde Derde Wereld-literatuur uit, een reeks die lange tijd meer uit goed bedoelde dan goede boeken bestond. De Geus schijnt deze taak te hebben overgenomen. Ernest Pépin (1950) wordt gebracht als een van de bekendste auteurs van Guadeloupe, ik weet niet of dat een aanbeveling is. Zijn verhaal speelt onder het volk en lonkt naar de orale vertelcultuur. Lisa is een weelderig jong meisje, voor iedereen een lust voor het oog, dat door haar moeder zeer kort wordt gehouden maar op een dag toch zwanger blijkt te zijn. Uit haar verhaal komt als dader een man met ivoren stok te voorschijn. Weldra vult dit fantoom met het niet al te subtiele attribuut de verbeelding van vele vrouwen, die hem als alibi gebruiken voor wraak op de man. Vele zwangerschappen later brengt een Syriër een magisch, uiteraard onzichtbaar broekje op de markt, dat iedereen impotent maakt behalve de wettige partner. Als een politiecommissaris dan nog eens les neemt bij een beruchte travestiet om als vrouwelijke lokvogel te fungeren is er stof voor een bont volks verhaal. Waar de man opduikt ontstaat verwarring en de anarchie leidt ook tot een grote puinhoop. Wanneer daar het moderne toerisme scheepsladingen Canadese vrouwen aan toevoegt die betalen voor liefdesgenot en de mannen daarmee een nieuwe sport ontdekken, ja dan wordt Guadeloupe te klein voor dit realistische sprookje: «Dit was geen land, het was een vleesgeworden gekte, zo druk en energiek als een eindeloos carnaval waar geloof en bijgeloof de toon aangaven.» Wat die arme boer na dit alles op het omslag moet, is mij een raadsel.

Uitg. De Geus, 187 blz., € 18,-

u

Jáchym Topol

Nachtwerk

György Konrád liet in zijn laatste boek, Geluk, de laatste oorlogsmaanden door de ogen van een jongen van elf zien. Onlangs baarde de roman De zwemmer van de in het Duits schrijvende Hongaarse Zsusha Bánk opzien, waarin de nasleep van de Hongaarse opstand van 1956 wordt beleefd door een meisje. Kort ervoor vertelde de jonge Tsjech Jáchym Topol (1962) over Praag in 1968 door de ogen van een jongetje. Maar wat levert een kinderblik op als het om ingewikkelde politieke gebeurtenissen gaat? Wordt het grote in een kleiner perspectief grijpbaarder en (daardoor) begrijpelijker? Wie niet al voldoende van Praag ’68 weet, leest over een jongen die het patentbureau waar zijn vader werkt door tanks bestormd ziet, met vader en broertje naar het platteland vlucht, daar met leeftijdgenoten in de clinch ligt zoals een stadsjongen altijd met boerenkinkels overhoop zal liggen, lijdzaam moet toezien wat z’n moeder in altijddurende dronkenschap doet. Een bekend verhaal dus. De jongen heet Onda, en jawel hoor, op pagina 243 is er een beschrijving die aan Kafka’s Odradek doet denken. Net als De zwemmer is Nachtwerk, zoals dat heet, een interessant boek, ook voor Topol schijnt dit «zijn internationale doorbraak» te zijn; het is de vraag of de truc van de onbevangen kinderblik die de wereld heel anders ziet en misschien wel doorziet, wel altijd even goed werkt.

Uit het Tsjechisch (2001) vertaald door Edgar de Bruin, uitg. Ambo, 274 blz., € 22,90